Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BY1663

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-09-2012
Datum publicatie
30-10-2012
Zaaknummer
131347 - FA RK 11-775
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek horen minderjarige jonger dan 12 jaar / afwijzing verzoek ontzegging omgang vader en minderjarige / afwijzing verzoek eenhoofdig gezag vader / afwijzing verzoek beeindiging ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

KK

zaak- en rekestnummer: 131347 / FA RK 11-775

datum: 12 september 2012

Beschikking van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[NAAM VERZOEKER],

wonende te Wormerveer, gemeente Zaanstad,

verzoekende partij,

advocaat: mr. S.D. Bhagwandin,

tegen:

[NAAM GEREKWESTREERDE],

wonende te Schoorl, gemeente Bergen,

gerekwestreerde,

advocaat: mr. drs. E.M. Hoorenman.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als vader en moeder.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 22 augustus 2011 het verzoekschrift van de vader ingekomen, waarin wordt verzocht:

- te bepalen dat de onderhavige verzoekschriftprocedure gevoegd zal worden behandeld in de reeds aanhangige procedure en verder zal worden behandeld ter zitting van de kinderrechter van 31 augustus 2011, zaaknummer 130152/OT RK 11-766;

- het eenhoofdig gezag van de moeder over de minderjarige [naam kind] (hierna: [naam kind]), geboren op [geboortedatum] in de gemeente Zaanstad te beëindigen;

- te bepalen dat de vader het eenhoofdig gezag uitoefent over [naam kind].

Het verzoek van de vader om deze zaak gevoegd te behandelen met de zaak onder zaaknummer 130152 / OT RK 11-766 is afgewezen. Bij beschikking van deze rechtbank van 5 september 2011 in genoemd zaaknummer heeft de rechtbank het verzoek van de moeder tot vervallenverklaring van de aanwijzing van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (hierna: BJZ) van 23 juni 2011 afgewezen.

Bij beschikking van 7 september 2011 heeft de rechtbank als bijzondere curator benoemd mr. M.E. Mewe-Boerwinkel.

De vader heeft bij bericht van 29 november 2011 aanvullende stukken ingediend.

De moeder heeft daarop een verweerschrift, tevens houdende zelfstandig verzoek ingediend. Zij verzoekt de vader niet ontvankelijk te verklaren dan wel zijn verzoek af te wijzen. De moeder verzoekt van haar kant:

- primair: de vader het recht op omgang te ontzeggen;

- subsidiair: het recht van de vader op omgang te beperken tot begeleide omgang gedurende een uur in een frequentie van eenmaal per drie maanden totdat [naam kind] twaalf jaar is;

- de ondertoezichtstelling te beëindigen;

- de proceskosten tussen partijen te compenseren.

De moeder heeft bij faxbericht van 28 november 2011 eveneens aanvullende stukken ingediend.

De bijzondere curator heeft op 9 januari 2012 een verslag ingediend.

Op 10 januari 2012 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Hiervan is een verkort proces-verbaal opgemaakt. Partijen hebben ter zitting aangegeven gebruik te willen maken van de mogelijkheid van mediation. De behandeling van de zaak is pro forma aangehouden in afwachting van de uitkomst van de mediation.

Bij bericht van 17 april 2012 heeft mr. Hoorenman namens de moeder aan de rechtbank meegedeeld dat de mediation niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Bij faxbericht van 18 april 2012 heeft mr. Bhagwandin namens de vader eveneens meegedeeld dat de mediation niet tot resultaat heeft geleid.

Bij brief van 31 juli 2012 heeft de moeder nadere stukken in het geding gebracht.

Op 2 augustus 2012 heeft de bijzondere curator nog een verslag ingediend.

De nadere mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2012, waar zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door mr. Bhagwandin;

- de moeder, bijgestaan door mr. Hoorenman;

- mr. Mewe-Boerwinkel, bijzondere curator; en

- mevrouw [naam 1], plaatsvervangend gezinsvoogd namens BJZ.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

1. De feiten

1.1 Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is op [geboortedatum] [naam kind] geboren. De vader heeft [naam kind] erkend. Acht maanden na de geboorte van [naam kind] zijn de vader en de moeder uit elkaar gegaan. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [naam kind]. Sinds 2005 zijn partijen in juridische procedures verwikkeld met betrekking tot de omgangsregeling tussen [naam kind] en de vader.

1.2 Bij beschikking van 4 oktober 2005 heeft de kantonrechter te Zaandam bepaald dat [naam kind] elk weekend van vrijdag tot en met zondag bij de vader zal verblijven. Bij vonnis van 1 maart 2007 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de moeder veroordeeld mee te werken aan de uitvoering van de beschikking van 4 oktober 2005 op straffe van een dwangsom.

1.3 Naar aanleiding van een verzoek van het Algemeen Meldpunt Kindermishandeling (verder: AMK) om een onderzoek te doen naar de opvoedingssituatie van [naam kind] en het verzoek van deze rechtbank om te adviseren over de omgang tussen de vader en [naam kind], heeft de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de Raad) een onderzoek ingesteld. De Raad heeft op 25 maart 2008 een rapport uitgebracht. Overeenkomstig het advies van de Raad is bij beschikking van de kantonrechter van 25 april 2008 de omgangsregeling gewijzigd in die zin dat [naam kind] elke twee weken vanaf vrijdag 17.00 uur tot en met zondag 16.00 uur bij de vader verblijft, alsmede een deel van de vakanties en feestdagen.

1.4 Vanaf april 2008 tot november 2009 is de omgang goed verlopen. De moeder heeft op 2 november 2009 een melding bij het AMK gedaan. Hierbij heeft de moeder aangegeven dat zij het vermoeden heeft dat de vader [naam kind] seksueel heeft misbruikt. Hierop heeft BJZ een onderzoek ingesteld. BJZ heeft in december 2009 een verzoek tot het doen van onderzoek (gedateerd 16 december 2009) bij de Raad gedaan.

1.5 De Raad heeft een onderzoek ingesteld. Op grond van zijn bevindingen heeft de Raad de kinderrechter verzocht om [naam kind] voor een periode van 12 maanden onder toezicht van BJZ te stellen. In het raadsrapport van 16 februari 2010 staat onder meer:

"De Raad is van mening dat er sprake is van een bedreigde ontwikkeling bij [naam kind] en dat een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is. De bedreiging bestaat uit de langdurende heftige strijd tussen de ouders van [naam kind]. [naam kind] is deelgenoot geworden van de volwassen problematiek om haar heen en dreigt klem te geraken ten gevolge van tegenstrijdige signalen van haar ouders, welke [naam kind] in verwarring brengen. [naam kind] wordt op dit moment door ouders onvoldoende emotioneel ondersteund. [naam kind] kan niet onbelemmerd een band onderhouden met haar beide ouders en haar grootouders, daarmee worden haar ontwikkeling en haar belangen ernstig geschaad. Doordat er bij ouders geen communicatie mogelijk is omwille van de belangen van [naam kind], wordt haar wereld onveilig, onvoorspelbaar en onzeker. De bedreiging kan niet op een andere manier worden afgewend omdat moeder niet bereid is gebleken hulp te aanvaarden om de communicatie tussen ouders op gang te brengen.".

1.6 Bij beschikking van 11 maart 2010 heeft de kinderrechter van deze rechtbank [naam kind] onder toezicht gesteld. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 11 maart 2013. In de beschikking van 8 maart 2012 heeft de kinderrechter voor zover van belang het volgende overwogen:

"Er is nog steeds sprake van een zeer zorgelijke situatie. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder de minderjarige [naam kind] bij voortduring belast met negatieve informatie over de mensen om haar heen en [naam kind] met het idee leeft dat de meeste volwassenen niet te vertrouwen zijn. [naam kind] groeit zo op met een negatief en daarmee beangstigend mensbeeld. Dat geldt ook voor het beeld van de vader dat inmiddels bij [naam kind] is ontstaan, waardoor [naam kind] geen onbelast contact meer kan hebben met de vader en zij in een ernstig loyaliteitsconflict is terechtgekomen. Voorts baart het zorgen dat de moeder telkenmale weigert, ondanks al de gesprekken met uitleg van de kant van BJZ, om aan diens verzoeken met het oog op de uitvoering van de ondertoezichtstelling gehoor te geven."

1.7 De moeder heeft op 1 februari 2010 bij de politie aangifte tegen de vader gedaan van seksueel misbruik van [naam kind]. Hierop heeft BJZ in overleg met het Kind- en Jeugdtraumacentrum te Haarlem een forensisch psychologisch diagnostisch onderzoek aangevraagd bij FORA. Het onderzoek is uitgevoerd door drs. [naam 2] (GZ-psycholoog), die een rapport heeft opgemaakt gedateerd 5 januari 2011. Voor zover van belang vermeldt dat rapport het volgende:

"Met betrekking tot [naam kind]s psychoseksuele ontwikkeling komen (vanuit de voorinformatie) zorgen naar voren, waarbij moeder beschuldigingen van seksueel misbruik van [naam kind] door vader heeft geuit (wat door vader wordt ontkend) en aangifte daarvan heeft gedaan. In het verleden zou [naam kind] uitspraken hebben gedaan dat zij door vader betast zou zijn bij haar vagina, wat zij tijdens onderhavig onderzoek ook noemt. Gelet op de voorinformatie en haar uitlatingen tijdens het onderzoek lijkt [naam kind] de gebeurtenissen bij haar vader (meer) als negatief en belastend zijn gaan interpreteren na moeders (afwijzende) reactie daarop, waarbij zorgen vanuit moeder een rol hebben gespeeld. Vanuit onderhavig onderzoek kunnen seksueel grensoverschrijdende ervaringen van [naam kind] bij vader niet bevestigd, noch uitgesloten worden. In dit kader is ook van belang op te merken dat er geen uitspraken kunnen worden gedaan over de invloed van vermeende seksueel grensoverschrijdende ervaringen met vader op [naam kind]s ontwikkeling. Wel is duidelijk dat [naam kind]s beleving van de gebeurtenissen bij vader thans erg negatief is. De hieruit voortvloeiende emotionele belasting is erg verontrustend voor haar, wat al met al zijn weerslag kan hebben op haar (relationele) ontwikkeling. Met betrekking tot [naam kind]s emotionele bindingen komt naar voren dat zij zeer waarschijnlijk na de vermeende gebeurtenissen bij vader en na moeders reactie daarop (en gezien de relatieproblemen tussen ouders mogelijk ook eerder) loyaliteitsproblemen is gaan ontwikkelen, die zeer waarschijnlijk zijn versterkt door het gegeven dat [naam kind] zich bewust is van de negatieve beleving van moeder ten aanzien van vader. Door de worsteling met haar loyaliteitsgevoelens gecombineerd met de (in haar beleving) negatieve ervaringen bij vader is zij een steeds negatiever beeld van vader gaan hanteren, om haar leven meer overzichtelijk te maken. Uit de uitlatingen die zij doet, blijkt dat zij zich bewust is van de negatieve beleving van moeder ten aanzien van vader, waardoor het niet ondenkbaar is dat [naam kind] hier (mogelijk onbewust/onbedoeld) mede door wordt beïnvloed in haar eigen beleving van vader. Zij laat zich thans negatief/diskwalificerend en deloyaal uit over vader, waarbij er geen plaats meer is voor meer positieve of genuanceerde gevoelens naar hem toe. [naam kind] toont zich positief betrokken bij moeder, die haar belangrijkste betrekkingsfiguur is en aan wie zij zich gehecht toont. Ze uit zich positief over de thuissituatie bij moeder, waarbij er in enige mate ook ruimte is voor minder positieve eigenschappen van moeder en de thuissituatie. Uit [naam kind]s uitlatingen komt naar voren dat zij op de hoogte is van moeders negatieve belevingen ten aanzien van school, uitlatingen van leerkrachten en vader."

1.8 Blijkens een verklaring van de gezinsvoogd van 9 juli 2011 heeft de vader al ruim een jaar één keer per week één uur begeleide omgang met [naam kind] op het bureau van BJZ te Alkmaar. Op 26 mei 2011 heeft de gezinsvoogd ([naam 3]) onder meer aan de moeder geschreven:

"Zoals je weet is de ondertoezichtstelling op 03 maart 2011 verlengd voor een jaar, tot maart 2012. De ondertoezichtstelling heeft vooral betrekking op de omgang tussen vader en [naam kind]. Het afgelopen jaar van de ondertoezichtstelling is er sprake geweest van begeleide omgang tussen [naam kind] en haar vader. Een jaar begeleide omgang is uitzonderlijk lang. Het blijft altijd moeilijk om de begeleiding in de omgang te stoppen en over te gaan op onbegeleide omgang. (...) Toch denk ik dat we, met elkaar een stap moeten maken. Als Bureau Jeugdzorg constateren wij dat de omgang tussen [naam kind] en haar vader goed gaat, dat er sprake is van steeds meer ontspanning en dat [naam kind] zich goed ontwikkelt. Voor Bureau Jeugdzorg is er momenteel geen reden om de omgang op deze wijze op de langere termijn voort te zetten. Wij willen [naam kind] gaan begeleiden in uitbreiding van de omgang tussen haar en haar vader. Sinds de verlenging van de ondertoezichtstelling in maart 2011 betrek ik je als moeder bij mogelijke uitbreiding van de omgang. Als gezinsvoogd heb ik in diverse gesprekken aangegeven dat het belangrijk is om geleidelijke stappen te maken in uitbreiding van de omgang tussen [naam kind] en haar vader. Mevr. [naam 4] van "de Praktijk" heeft zich tevens ingezet om je duidelijk te maken dat [naam kind] gebaat is bij ontspannen omgang met haar vader, dat [naam kind] zich alleen op deze wijze gezond zal kunnen ontwikkelen en dat zij op den duur last zal krijgen van de negatieve houding van haar moeder jegens haar vader. [naam kind] is onlosmakend verbonden met haar vader, daar zal niemand iets in kunnen veranderen. Herhaaldelijk geef je aan dat jij ervan overtuigd bent dat [naam kind] niets aan haar vader heeft, dat de begeleide omgang op het kantoor van Bureau Jeugdzorg zo kan blijven en dat uitbreiding wat jou betreft niet aan de orde is. Als gezinsvoogd zie ik dat [naam kind] ook met haar vader plezier kan hebben, dat er verbinding is tussen vader en [naam kind] en dat [naam kind] niet haar best hoeft te doen om het leuk te hebben met haar vader. Ik hoop dat jij als de moeder van [naam kind] haar de mogelijkheid wil geven om samen met haar vader een weg te vinden. Ik hoop dat je inziet dat [naam kind] jouw steun daarbij nodig heeft. (...) Wanneer onze mening over de omgang blijft verschillen zal ik genoodzaakt zijn om zonder je medewerking een plan op te stellen voor uitbreiding van de omgang tussen [naam kind] en haar vader. Dit zal dan gebeuren door middel van een schriftelijke aanwijzing."

1.9 Vanaf juni 2011 is de begeleide omgang niet meer doorgegaan. Op 23 juni 2011 heeft BJZ een schriftelijke aanwijzing aan de moeder gegeven inhoudende:

"Wanneer moeder geen medewerking verleent aan uitbreiding van de begeleide omgang naar onbegeleide omgang zal Bureau Jeugdzorg zich beramen over het vervolg van de omgang tussen [naam kind] en haar vader.". Bij verzoekschrift gedateerd 3 juli 2011 heeft de moeder de kinderrechter van deze rechtbank verzocht om de schriftelijke aanwijzing van BJZ - die door partijen aldus wordt opgevat dat BJZ beoogt de begeleide omgang uit te breiden naar onbegeleide omgang - als vervallen te verklaren. De kinderrechter heeft dit verzoek op 5 september 2011 afgewezen.

1.10 Bij vonnis van 15 september 2011 heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de omgang tussen [naam kind] en de vader zoals door BJZ is/ zal worden bepaald, op straffe van een dwangsom van [euro] 350,- voor iedere dag of dagdeel dat zij deze veroordeling niet nakomt, met een maximum van [euro] 7.000,-. De moeder is in hoger beroep gegaan van dit vonnis. Het vonnis van de voorzieningenrechter is hersteld bij vonnis van 4 oktober 2011 in verband met de uitvoerbaarheid bij voorraad, de dwangsom is in stand gebleven.

1.11 Uit een brief van 21 november 2011 van de gezinsvoogd blijkt dat de geplande omgang tussen [naam kind] en de vader op 15 november 2011 niet heeft plaatsgevonden.

1.12 Tijdens de terechtzittingen op 10 januari 2012 en 6 augustus 2012 hebben de gezinsvoogd en de vader aangegeven dat er vanaf begin 2012 weer één keer per twee weken begeleide omgang plaatsvond. Deze omgang verliep volgens de gezinsvoogd krampachtig. De moeder wilde het kantoor van BJZ, waar de omgang plaatsvond, niet verlaten en probeerde vanuit de gang toezicht te houden. De begeleide omgang is thans opgeschort omdat BJZ deze onder de gegeven omstandigheden te belastend vindt voor [naam kind].

2. Standpunt partijen

2.1 De vader stelt dat hij wil worden belast met het ouderlijk gezag over [naam kind], omdat de moeder geen medewerking verleent aan omgang tussen hem en [naam kind]. Hij is van mening dat partijen niet gezamenlijk belast kunnen worden met het gezag omdat zij niet met elkaar kunnen communiceren. Aangezien de gezinsvoogd het niet in het belang acht van [naam kind] om haar uit huis te plaatsen, ziet de vader wijziging van het gezag als de laatste strohalm om de omgang te effectueren. Naar de mening van de vader raakt [naam kind] klem en verloren tussen partijen omdat de moeder geen medewerking wil verlenen aan de omgangsregeling. De vader acht de aanwijzingen van de gezinsvoogd leidend voor de data en tijdstippen dat hij omgang zal hebben met [naam kind]. Hij stelt dat er geen ingrijpende verandering in de leefsituatie van [naam kind] zal optreden en verwacht voor de toekomst niet dat haar hoofdverblijfplaats zal wijzigen. Naar de mening van de vader is er geen ontzeggingsgrond op basis waarvan de omgang dient te worden stopgezet. De vader stelt daarnaast dat er niet op kan worden vertrouwd dat de omgangsregeling zal plaatsvinden zonder dat hij met het eenhoofdig gezag wordt belast.

2.2 De moeder stelt dat op grond van artikel 253c, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) het verzoek van de vader slechts ingewilligd kan worden indien de rechtbank dit in het belang van [naam kind] wenselijk oordeelt. De moeder heeft de aangifte wegens seksueel misbruik dan wel seksueel grensoverschrijdend gedrag van de vader jegens [naam kind] overgelegd. Zij stelt daarnaast dat de vader haar tijdens hun relatie meerdere malen heeft mishandeld en ook [naam kind] heeft mishandeld. De moeder ontkent dat zij de omgang tussen [naam kind] en de vader stelselmatig weigert. Zij werkt immers mee aan de begeleide omgangsregeling ondanks dat dit naar haar mening in strijd is met de geestelijke ontwikkeling van [naam kind], zij de vader ongeschikt acht tot omgang met [naam kind] en de omgang ook anderszins in strijd moet worden geacht met de zwaarwegende belangen van [naam kind]. De moeder stelt zich alleen te verzetten tegen een onbegeleide omgangsregeling. De moeder stelt dat [naam kind] door de tijd heen en tegenover verschillende personen en instanties, buiten aanwezigheid van de moeder, zeer consistent is geweest in haar beschuldiging dat de vader haar seksueel heeft misbruikt, althans te buiten is gegaan aan grensoverschrijdend seksueel gedrag. De moeder heeft om die reden geen enkel vertrouwen in de normen en waarden en de opvoedkundige kwaliteiten van de vader. Naar de mening van de moeder is het niet in het belang van [naam kind] om de vader te belasten met het gezag over haar. Zij verwijst dienaangaande naar een arrest van de Hoge Raad van 12 december 2008. De moeder verzoekt [naam kind], op grond van artikel 12 van het Verdrag van de Rechten van het Kind, in persoon te horen. Volgens de moeder wil [naam kind] geen omgang met de vader. Daar komt volgens de moeder bij dat [naam kind] de begeleide omgang als onplezierig en bezwarend ervaart. Naar de mening van de moeder krijgt zij van de gezinsvoogd de schuld dat [naam kind] geen omgang met de vader wil. De moeder stelt dat de gezinsvoogd niet onpartijdig is. De moeder stelt dat zij en [naam kind] geen vertrouwen hebben in BJZ in het algemeen en de gezinsvoogd in het bijzonder. [naam kind] heeft volgens de moeder een hekel aan de gezinsvoogd. De moeder verzoekt om deze redenen de ondertoezichtstelling te beëindigen. Naar de mening van de moeder zijn er genoeg redenen om de vader het recht tot omgang te ontzeggen totdat [naam kind] twaalf jaar is. Indien de rechtbank van mening is dat het contact niet moet worden verbroken dan verzoekt zij de omgang te beperken tot een begeleide omgang van een uur per kwartaal. Dit om het risico van herhaling van gebeurtenissen in het verleden te vermijden en de angst van [naam kind] voor herhaling te reduceren en de weerstand van [naam kind] tegen de omgangsregeling te honoreren.

2.3 Blijkens het verslag van de bijzondere curator van 9 januari 2012 heeft de bijzondere curator gesprekken gevoerd met [naam kind], de moeder en de vader. De bijzondere curator is op grond hiervan van mening dat ondanks de lange strijd tussen de ouders er geen ernstige kwesties spelen die de omgang tussen de vader en [naam kind] zouden moeten belemmeren. De bijzondere curator is echter ook van mening dat het niet in het belang van [naam kind] is om het gezag over haar bij de moeder weg te halen, met alle mogelijke gevolgen van dien. Het gaat goed met [naam kind] en zij lijkt zich, los van het gebrek aan contact met de vader, gezond en vrolijk te ontwikkelen. De band met de moeder en de familie van de moeder is warm en sterk. Zonder een herstelde relatie tussen de vader en de moeder zou een gezagswijziging mogelijkerwijs tot gevolg hebben dat de toch al dominante houding van de vader wordt versterkt door de nieuw verworven bevoegdheden enerzijds en het gevoel van onmacht bij de moeder anderzijds. De bijzondere curator is van mening dat er vooral aandacht moet zijn voor de wijze van communicatie tussen de ouders onderling en naar [naam kind]. Het toewijzen van het eenhoofdig gezag aan de vader acht de bijzondere curator niet in het belang van [naam kind]. Het gezag dient volgens de bijzondere curator nu nog bij de moeder te blijven, maar het is uiteindelijk in het belang van [naam kind] dat de ouders samen beslissingen nemen en samen het gezag delen.

Blijkens het verslag van de bijzondere curator van 2 augustus 2012 heeft de bijzondere curator [naam kind] en de moeder na de zitting van 10 januari 2012 opnieuw gesproken. De bijzondere curator komt op grond hiervan tot de conclusie dat [naam kind] wordt belemmerd in de omgang met haar vader. Volgens de bijzondere curator hebben beide partijen daar schuld aan. De moeder door haar weigerachtige houding om voor zichzelf hulp te zoeken met betrekking tot haar angsten als gevolg waarvan zij [naam kind] ook onterecht tegen haar vader wil beschermen. De vader door onvoldoende serieus om te gaan met de moeder en haar als persoon te diskwalificeren, waardoor de moeder geen veiligheid ervaart bij de vader en dan ook niet bereid is om [naam kind] omgang met hem te laten hebben. Het feit dat [naam kind] geen toestemming heeft om van beide ouders te genieten heeft volgens de bijzondere curator schadelijke gevolgen voor haar ontwikkeling, wat beide ouders zich dienen aan te trekken.

3. Beoordeling rechtbank

3.1 Horen [naam kind]

Ingevolge artikel 809, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering - voor zover hier van belang - beslist de rechter in zaken minderjarigen betreffende niet dan na de minderjarige van 12 jaar of ouder in de gelegenheid te hebben gesteld zijn mening kenbaar te maken. De rechter kan de minderjarigen die de leeftijd van 12 jaar nog niet hebben bereikt in de gelegenheid stellen hem hun mening kenbaar te maken op een door hem te bepalen wijze. De vrouw heeft verzocht [naam kind] te horen. [naam kind] is 10 jaar oud.

De rechtbank ziet geen aanleiding om [naam kind] in deze procedure in persoon te horen. De rechtbank overweegt daarbij dat [naam kind] tweemaal uitvoerig met de bijzondere curator heeft gesproken en tijdens deze gesprekken haar mening over het contact met haar vader kenbaar heeft gemaakt. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting dat [naam kind] doorgaans veel verzet laat zien tegen omgang met haar vader. Er is naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden geen reden om [naam kind], mede gelet op haar leeftijd, (nogmaals) te belasten door een gesprek met de rechter.

3.2 Omgang

3.2.1Uitgangspunt is dat er omgang dient te zijn tussen ouders en kind. Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW hebben de niet met gezag belaste ouder en het kind recht op omgang met elkaar. Het recht op omgang kan slechts worden ontzegd indien zich één van de in artikel 1:377a, derde lid, BW genoemde ontzeggingsgronden voordoet. De in artikel 1:377a, derde lid, BW opgenoemde ontzeggingsgronden hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind.

3.2.2De rechtbank is van oordeel dat gelet op de stukken onvoldoende is komen vast te staan dat omgang op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van [naam kind]. De ontzeggingsgronden van artikel 1:377a, derde lid, BW doen zich niet voor. De rechtbank is van oordeel dat er geen bezwaren zijn tegen omgang tussen de vader en [naam kind], maar dat herstel van contact en omgang, mits op een zorgvuldige wijze vormgegeven, van belang is voor [naam kind]. [naam kind] wordt alsdan in de gelegenheid gesteld haar thans negatieve vaderbeeld bij te stellen en dit kan een positieve bijdrage leveren aan de verdere ontwikkeling van [naam kind]. De rechtbank ziet in de stellingen van de moeder aangaande de fysieke mishandeling en seksueel misbruik van [naam kind] door de vader geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, nu deze stellingen niet nader zijn onderbouwd of voldoende aannemelijk gemaakt. Bij haar oordeel heeft de rechtbank voorts betrokken dat ook de bijzondere curator heeft gemeend dat er ondanks de langdurige strijd tussen de ouders geen ernstige kwesties spelen die de omgang tussen de vader en [naam kind] belemmeren en dat [naam kind], anders dan de moeder heeft gesteld, aan haar heeft aangegeven open te staan voor contact met haar vader. De moeder heeft betoogd dat de rechtbank geen acht kan slaan op het rapport van de bijzondere curator voor zover het de omgang betreft. De rechtbank is echter van oordeel dat hetgeen de bijzondere curator ten aanzien van de mogelijkheden tot contactherstel tussen [naam kind] en haar vader heeft opgemerkt dermate samenhangt met de aan haar gegeven opdracht tot behartiging van [naam kind]s belangen in de procedure tot gezagswijziging, dat daaraan wel degelijk waarde kan worden gehecht.

3.2.3Het verzoek van de moeder om de vader het recht op omgang te ontzeggen, dan wel het recht van de vader op omgang te beperken tot begeleide omgang gedurende een uur in een frequentie van eenmaal per drie maanden totdat [naam kind] twaalf jaar is, zal gelet op het vorenstaande worden afgewezen.

3.3 Gezag

3.3.1Ingevolge artikel 1:253c, eerste lid, BW kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Ingevolge het derde lid wordt wanneer de andere ouder het gezag over het kind uitoefent, het verzoek om de vader alleen met het gezag te belasten slechts ingewilligd, indien de rechtbank dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt. Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad volgt uit deze bepaling dat het belang van het kind de maatstaf is aan de hand waarvan het verzoek van de vader om gezagswijziging op de voet van art. 1:253c BW moet worden beoordeeld.

3.3.2De rechtbank stelt voorop dat, zoals hiervoor reeds overwogen, het in het belang van [naam kind] wordt geacht dat zij omgang met haar vader heeft. De rechtbank stelt echter vast dat in de afgelopen zeven jaren verschillende malen een omgangsregeling is vastgesteld tussen de vader en [naam kind], waarbij ook dwangsommen zijn opgelegd, maar dat de moeder zich tot nu toe blijft verzetten tegen omgang tussen [naam kind] en haar vader. De rechtbank concludeert naar aanleiding van de stukken en het verhandelde ter zitting dat de opstelling van de moeder er blijk van geeft dat zij zich volledig laat leiden door haar eigen negatieve gevoelens ten opzichte van de vader en dat de beleving door de moeder van de vader steeds negatiever is geworden. De rechtbank acht het verder zorgelijk dat de moeder blijft verklaren dat [naam kind] geen contact met haar vader wil, terwijl [naam kind] bij de bijzondere curator de indruk heeft gegeven dat zij juist wel openstaat voor contact met haar vader en de gezinsvoogd de begeleide omgang in het begin positief vond verlopen. De moeder heeft naar het oordeel van de rechtbank haar ouderlijke verantwoordelijkheid, inhoudende dat zij als gezagdragende ouder verplicht is om de ontwikkeling van de band van haar kind met de vader te bevorderen, veronachtzaamt. Op grond van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval acht de rechtbank het daarom niet uitgesloten dat de weigerachtige houding van de moeder ten opzichte van de omgangsregeling op den duur tot een wijziging van het gezag zou moeten leiden. Hoewel vaststaat dat gewerkt dient te worden aan contactherstel tussen de vader en [naam kind], acht de rechtbank op dit moment een wijziging van het gezag echter niet de geëigende weg om dit tot stand te laten komen. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de vader ter zitting niet heeft kunnen aangeven in hoeverre dit doel met de verzochte gezagswijziging bereikt kan worden. Verder acht de rechtbank met name ook van belang dat de bijzondere curator heeft geconcludeerd dat het niet in het belang van [naam kind] kan worden geacht om het gezag op dit moment bij de moeder weg te halen daar dit de balans tussen de ouders nog verder zal verstoren. Zoals ook uit het voorgaande moge blijken betekent dit niet dat de rechtbank zich kan vinden in het beeld dat de moeder van de vader heeft, maar de rechtbank is van oordeel dat het belang van [naam kind] voorop dient te worden gesteld. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat wijziging van het gezag de strijd tussen partijen juist zal aanwakkeren, hetgeen niet in het belang van [naam kind] is.

3.3.3Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van de vader het eenhoofdig gezag van de moeder over [naam kind] te beëindigen en te bepalen dat de vader wordt belast met het eenhoofdig gezag dient te worden afgewezen.

3.4 Ondertoezichtstelling

3.4.1Op grond van artikel 1:254 BW kan de rechter een minderjarige die zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, onder toezicht stellen. De rechtbank is van oordeel dat nog steeds voldaan wordt aan de wettelijke vereisten van artikel 1:254 BW. De rechtbank overweegt daarbij het volgende.

3.4.2Zoals hiervoor reeds overwogen omvat het ouderlijk gezag mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen. Het stelselmatig negeren van deze verplichting kan onder omstandigheden leiden tot ondertoezichtstelling van het kind omdat het kind hierdoor in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat de moeder stelselmatig en zonder geldige redenen deze wettelijke verplichting negeert met als gevolg dat [naam kind] zich thans in een loyaliteitsconflict bevindt waarbij zij naar de vader toe verschijnselen vertoont van ouderverstoting. Zo is gebleken dat de moeder de aanwijzingen van de gezinsvoogd om over te gaan tot onbegeleide omgang naast zich neer heeft gelegd en dat de moeder tijdens de begeleide contacten weigert om uit het gezichtsveld van [naam kind] te gaan, hetgeen onnodig veel druk op [naam kind] legt. Verder overweegt de rechtbank dat bij [naam kind] sprake is van een negatief vaderbeeld en dat uit de stukken is gebleken dat [naam kind] wordt belast met de negatieve emoties van de moeder ten aanzien van de vader waardoor het beeld van [naam kind] ten aanzien van de vader negatief is gekleurd en zij niet onbezwaard het contact met de vader kan aangaan. De rechtbank maakt zich ernstige zorgen dat [naam kind] beschadigd is dan wel zal raken door de manier waarop de moeder met haar omgaat. De rechtbank verwijst daarbij naar de constateringen in het Forarapport en van de school van [naam kind]. Vast staat dat de moeder niet actief meewerkt aan het bevorderen van contact tussen de vader en [naam kind] en een zodanig contact ook niet kan ondersteunen. Dit heeft zijn weerslag op de emotionele ontwikkeling van [naam kind]. Dit alles leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat [naam kind] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Anders dan de moeder, acht de rechtbank het dan ook juist in het belang van de [naam kind] om de ondertoezichtstelling te continueren. Daarbij wijst de rechtbank nog uitdrukkelijk op het advies in het Forarapport om psychiatrisch en orthodidactisch onderzoek (binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie) te laten verrichten om meer helderheid te krijgen over [naam kind]s onderpresteren en haar gedragsbeeld cq. ADHD en/of leerproblematiek te bevestigen dan wel uit te sluiten.

3.4.3De rechtbank geeft de ouders dringend in overweging zich tot het uiterste in te spannen om de strijd te staken, zonodig met behulp van professionele derden. De situatie is zorgelijk en voorkomen dient te worden dat de noodzaak ontstaat om [naam kind] uit de strijd te halen door haar op een neutrale plek te plaatsen.

3.4.4Voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzoek van de moeder om de ondertoezichtstelling te beëindigen dient te worden afgewezen.

3.4.5. De proceskosten zullen worden gecompenseerd als na te melden, nu het een familierechtelijke kwestie betreft.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Wijst de verzoeken van de vader en de moeder af;

Compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.F.G.H. Beckers, voorzitter, tevens kinderrechter, mrs. A.S. Friedberg en M.C. Schenkeveld, rechters, tevens kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 september 2012,in tegenwoordigheid van de griffier.