Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BY1662

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
05-09-2012
Datum publicatie
30-10-2012
Zaaknummer
137590 - FA RK 12-377 (hoofdzaak)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep in bodemzaak (zowel ten aanzien van oplegging als verlenging tijdelijk huisverbod) ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

MB

zaak- en rekestnummers: 137590 / FA RK 12-377 (hoofdzaak)

datum: 5 september 2012

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in het geding tussen:

[NAAM VERZOEKER]

wonende te Alkmaar,

verder te noemen: verzoeker,

advocaat mr. N. Bakker,

en:

de burgemeester van de gemeente Alkmaar,

zetelende te Alkmaar,

verder te noemen: verweerder,

gemachtigde: drs. M. van Sprang

in welke zaak belanghebbende zijn:

[naam 1],

verder te noemen de vrouw,

[kind 1],

[kind 2] en

[kind 3].

verder te noemen de kinderen,

allen wonende te Alkmaar.

Het procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2012 heeft verweerder aan verzoeker een tijdelijk huisverbod voor de duur van tien dagen opgelegd als bedoeld in de artikelen 1 en 2 van de Wet tijdelijk huisverbod (Wth) (hierna: het huisverbod). Bij besluit van 16 mei 2012 is het huisverbod verlengd met een aansluitende periode van 18 dagen, derhalve tot 8 juni 2012 (hierna: de verlenging).

Tegen deze besluiten heeft verzoeker per faxberichten van 14 mei 2012 respectievelijk 16 mei 2012 beroep ingesteld. Tevens heeft de man hierbij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 21 mei 2012 het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen (zaak- en rekestnummer 137599 / KG 12-164) afgewezen. Voorts heeft de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 21 mei 2012 overwogen dat de feiten en omstandigheden een nader onderzoek vergen, mede gelet op het feit dat verzoeker - met afmelding - niet ter zitting heeft kunnen verschijnen en verzocht heeft om de behandeling van het bodemgeding op een later moment te laten plaatsvinden. Gelet heeft de voorzieningenrechter niet onmiddellijk - gelijktijdig met de behandeling van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening - uitspraak gedaan in de hoofdzaak.

Het onderzoek ter zitting in onderhavige zaak heeft plaatsgevonden op 16 juli 2012, waarbij zijn verschenen verzoeker, bijgestaan door mr. Bakker. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde drs. M. van Sprang, werkzaam als adviseur Openbare Orde & Veiligheid bij de gemeente Alkmaar.

De overwegingen

1. De feiten

Bij de beoordeling van het verzoek gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

De man en de vrouw wonen gezamenlijk op het adres [adres 1] te Alkmaar (hierna: de woning). In de woning verblijven tevens drie minderjarige kinderen, [kind 1] ([geboortedatum 1]), [kind 2] ([geboortedatum 2]) en [kind 3] ([geboortedatum 3]).

2. Standpunten van partijen

De rechtbank neemt hier over hetgeen onder 3.1, 3.2 en 3.3 is opgenomen in de beschikking van 21 mei 2012. In aanvulling daarop overweegt de rechtbank als volgt.

3. De beoordeling

3.1. Het huisverbod

Allereerst overweegt de rechtbank dat verweerder bij het opleggen van het huisverbod heeft voldaan aan de in artikel 2, vierde lid, van de Wth, genoemde voorschriften. Het huisverbod bevat in ieder geval een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt, de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod, en de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt. Tot zover kan het huisverbod dan ook in stand blijven.

Vervolgens zal de rechtbank de vraag beantwoorden of verweerder op grond van feiten of omstandigheden ten minste een ernstig vermoeden heeft kunnen hebben dat de aanwezigheid van de man in de woning op 11 mei 2012 een ernstig en onmiddellijk gevaar, zoals genoemd in artikel 2, eerste lid van de Wth, opleverde voor de veiligheid van één of meer van zijn huisgenoten en of verweerder bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid tot het opleggen van een huisverbod aan de man heeft kunnen komen.

Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend op grond van de volgende overwegingen.

Vast staat dat tussen de man en de vrouw op 8 mei 2012 een escalatie met verbaal geweld heeft plaatsgevonden en dat de vrouw bang was voor de man. Overig geweld op dat moment wordt door de man betwist. Wel erkent hij dat hij de vrouw tijdens eerdere ruzie(s) aan haar haren heeft getrokken en dat er wel eens geduwd en getrokken werd. De vrouw heeft zich op 8 mei 2012 gewend tot het Steunpunt Huiselijk Geweld en de vrouw en de kinderen hebben vervolgens enige dagen gebruik gemaakt van een noodbed in het Oranjehuis totdat het op 11 mei 2012 niet mogelijk bleek om nog langer van een noodbed in het Oranjehuis gebruik te maken. De vrouw durfde op dat moment niet met de kinderen naar de woning terug. Vervolgens is de wijkagent erbij betrokken en heeft de hulpofficier van Justitie gebruik gemaakt van het Risico-taxatie instrument Huiselijk Geweld (RiHG). Dit houdt in dat zowel de (mogelijke) pleger van huiselijk geweld wordt gescreend, het verloop van een (gewelds)incident als de (gezins)achtergronden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder reeds op grond van eerder genoemde feiten en omstandigheden in redelijkheid een ernstig vermoeden kunnen aannemen dat door de gezamenlijke aanwezigheid van partijen in hun woning, ernstig en onmiddellijk gevaar bestaat voor de veiligheid van de vrouw en/of de kinderen.

Daar komt bij dat er eerdere politiemutaties zijn waaruit geweldsincidenten tussen de man en de vrouw blijken en dat blijkens het RiHG een eerdere partner van de man (mevrouw [naam 2]) reeds eerder aangifte heeft gedaan van mishandeling door de man, hetgeen is gebleken uit het Herkennings Dienst Systeem (HKS). Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit tijdelijk huisverbod was verweerder ook gerechtigd dergelijke informatie bij de beoordeling te betrekken. Het eerste lid van eerder genoemd artikel luidt als volgt:

De burgemeester betrekt bij de afweging of een huisverbod wordt opgelegd uitsluitend de in de bijlage bij dit besluit opgenomen feiten en omstandigheden. Dit betreffen de volgende feiten en omstandigheden:

a. de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen;

b. het verloop van het incident dat de aanleiding is te overwegen een huisverbod op te leggen; en

c. de leefomstandigheden, bedoeld onder a, en degene die met deze persoon in dezelfde woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven.

Onder de feiten en omstandigheden, bedoeld in het tweede lid, onder a., worden mede begrepen de politiegegevens met betrekking tot de persoon ten aanzien van wie wordt overwogen een huisverbod op te leggen, voor zover de burgemeester deze gegevens behoeft in het kader van de afweging of een huisverbod wordt opgelegd. Verweerder heeft aangegeven deze informatie van belang - doch niet van doorslaggevende betekenis - te achten.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het aan de man opgelegde huisverbod niet is opgelegd in strijd met relevante wet- en regelgeving en niet is gebleken dat het besluit op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Dat de man niet voorafgaand aan de oplegging van het huisverbod in de gelegenheid is gesteld om zijn visie op de situatie te geven maakt dit niet anders. Dit geldt evenzeer voor de omstandigheid dat de vrouw geen aangifte heeft gedaan. De Wth is niet gericht op waarheidsvinding. Met oplegging van het huisverbod heeft verweerder getracht - conform de doelstelling van de Wth - de situatie tussen de man en de vrouw te de-escaleren en ervoor te zorgen dat de vrouw en de kinderen veilig en met zo min mogelijk spanningen konden terugkeren naar hun vertrouwde omgeving door de man tijdelijk elders te laten verblijven. Deze maatregel voldoet derhalve aan de eisen van de subsidiariteit; door middel van tijdig en tijdelijk ingrijpen wordt getracht verergering van de situatie te voorkomen.

Ook de belangen van de man zijn in de beoordeling c.q. belangenafweging door verweerder betrokken. Verweerder heeft er rekening mee heeft gehouden dat de man in Barendrecht alternatieve woonruimte heeft. Voorts is in deze afweging de omstandigheid betrokken dat hij tussen 16 mei 2012 en 27 mei 2012 in het buitenland zou verblijven. Met de gemeente is de rechtbank van oordeel dat de overige door de man naar voren gebrachte belangen (de man heeft een interim opdracht niet kunnen aannemen, hij heeft het penningmeesterschap van de buurtvereniging moeten neerleggen, op de man is een stempel gedrukt door mensen in de buurt en op school, en hij heeft lange tijd de kinderen niet gezien) op dat moment niet konden prevaleren boven het belang van de kinderen en de vrouw om naar hun vertrouwde woonomgeving terug te keren.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder de hierboven geschetste omstandigheden in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van de man voor zover dat ziet op het huisverbod ongegrond wordt verklaard.

3.2. De verlenging

In artikel 9 van de Wth is het volgende bepaald:

1. De burgemeester kan een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet. De artikelen 2, vierde lid, en 6 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.

Verweerder heeft gemotiveerd aangegeven dat er - door de vakantie van de man - geen inschatting heeft kunnen plaatsvinden aangaande de voortzetting van de dreiging van huiselijk geweld en de veiligheid voor de betrokkenen. Reeds voor zijn vakantie is door het Steunpunt Huiselijk Geweld aan de man verteld dat - gelet op het korte tijdsbestek tot zijn vakantie en het protocol - een systeemgesprek vóór de vakantie van de man niet mogelijk is. Dat de man er desondanks voor gekozen heeft op vakantie te gaan waardoor voorafgaand aan zijn vakantie geen inschatting heeft kunnen plaatsvinden naar de dreiging van huiselijk geweld en de veiligheid voor de betrokken personen, komt dan ook voor zijn rekening en risico. Daar komt bij dat de man heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan hulpverlening in verband met het ontbreken van een agressieprobleem. Voorts was het door BJZ uitgevoerde onderzoek nog niet afgerond op het moment van vertrek van de man naar het buitenland. Gelet hierop en met inachtneming van het eerder overwogene heeft de burgemeester het huisverbod op 16 mei 2012, de dag van vertrek van de man naar Curaçao, naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen verlengen.

Voor zover de man zich erover beklaagt dat hij intrekking van het huisverbod heeft willen bevorderen door reeds vanaf zijn vakantieadres en ook na terugkomst in Nederland te trachten op korte termijn een afspraak te maken overweegt de rechtbank als volgt. In verband met vakantie van de vrouw en de kinderen is op maandag 4 juni 2012 het eerste systeemgesprek gepland. Dit gesprek heeft echter niet plaatsgevonden door een afzegging van de man in verband met zijn werk. Dat de man zijn werk op dat moment heeft laten prevaleren boven zijn privésituatie, kan enkel de man zelf worden aangerekend. Gelet op het aflopen van het huisverbod op 8 juni 2012 acht de rechtbank niet meer van belang de afzegging door de vrouw van het vervolgens voor 8 juni 2012 geplande systeemgesprek. Zij heeft dit overigens afgezegd omdat zij zich niet veilig voelde in verband met het op dat moment aflopen van het verlengde huisverbod.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder de hierboven geschetste omstandigheden in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van de man voor zover dat ziet op de verlenging van het huisverbod eveneens ongegrond wordt verklaard.

Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het beroep van de man tegen zowel het huisverbod als tegen de verlenging van het huisverbod ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 september 2012 door mr. J.L. Roubos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Broek-Hartenberg, griffier.