Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BY1659

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
30-10-2012
Zaaknummer
132896 - ES RK 11-1260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks toereikende draagkracht aan de zijde van de man wordt de hoogte van de aanvullende uitkering tot het levensonderhoud van de vrouw beperkt, omdat van de vrouw verlangd mag worden dat zij, gegeven de omstandigheden, meer gaat werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

DW

zaak- en rekestnummer: 132896 / ES RK 11-1260

datum: 30 augustus 2012

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[NAAM VERZOEKER],

wonende te Opmeer,

verzoekende partij,

advocaat mr. A.M. Koopman,

tegen:

[NAAM GEREKWESTREERDE],

wonende te Hoogwoud, gemeente Opmeer,

gerekwestreerde,

advocaat mr. C.M.J. Zillikens.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 31 oktober 2011 het inleidende verzoekschrift van de vrouw ingekomen waarin wordt verzocht tussen partijen, Nederlanders, echtscheiding uit te spreken.

Voorts is hierbij verzocht nevenvoorzieningen als bedoeld in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te treffen.

De man heeft daarop een verweerschrift ingediend.

Partijen zijn bij brief van 22 mei 2012 opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 9 juli 2012.

De vrouw heeft bij brief van 25 juni 2012 nadere (financiële) stukken in het geding gebracht.

De man heeft bij bericht van 27 juni 2012 nadere (financiële) stukken in het geding gebracht.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 9 juli 2012 zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. Koopman, en de man, bijgestaan door mr. Zillikens.

Na de mondelinge behandeling heeft de man nog nadere stukken in het geding gebracht, waarop de vrouw heeft gereageerd.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

Het ingediende verzoekschrift met overgelegde bescheiden voldoet aan de in artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vermelde voorschriften.

De rechtbank heeft de in de beschikking vermelde voornamen en geslachtsnamen van partijen en de datum en plaats van de huwelijksvoltrekking overgenomen uit het desbetreffende bescheid.

Het gestelde omtrent de huwelijkssluiting, het huwelijksgoederenregime en de nationaliteit van partijen staat als erkend dan wel niet weersproken en gedeeltelijk gestaafd door de overgelegde bescheiden vast.

Voorts is als gesteld en niet weersproken komen vast te staan dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding, nu daartegen geen verweer wordt gevoerd, kan worden toegewezen.

Ook de verzochte nevenvoorziening met betrekking tot (naar de rechtbank begrijpt) de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap kan worden toegewezen, aangezien daartegen geen verweer wordt gevoerd en deze de rechtbank gegrond voorkomt.

Tussen partijen is nog in geschil de door de vrouw verzochte uitkering tot haar levensonderhoud.

De vrouw heeft verzocht de hoogte van deze uitkering vast te stellen op [euro] 1.688,= bruto per maand, ingaande 1 augustus 2011 en met toepassing van de wettelijke indexering per 1 januari 2012.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd en zowel de behoefte van de vrouw aan een bijdrage betwist, als zijn draagkracht.

De rechtbank constateert dat tussen partijen voorlopige voorzieningen gelden. Bij beschikking van 1 maart 2012 is ten laste van de man een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld van [euro] 1.020,= per maand, ingaande 1 maart 2012.

Ter beantwoording van de vraag of de vrouw behoefte heeft aan een uitkering in haar levensonderhoud en, zo ja, hoe hoog deze bijdrage zou moeten zijn gaat de rechtbank uit van het volgende:

De vrouw heeft bij brief van 25 juni 2012 als productie 16 een behoefteberekening met onderliggende bewijsstukken overgelegd. Nu partijen twisten over de behoefte kan niet uitgegaan worden van de 60[procent] Hofmethodenorm, maar dient te worden gekeken naar de werkelijke behoefte.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man, zoals dat blijkt uit de ter zitting overgelegde pleitnotitie, enige opmerkingen gemaakt met betrekking tot de door de vrouw overgelegde behoefteberekening.

Met betrekking tot de in de berekening opgenomen post contactlenzen heeft de vrouw ter zitting erkend dat dit bedrag gecorrigeerd dient te worden, zodat de maandelijkse last

[euro] 32,50 is. Met betrekking tot de post verzekeringen ASR gaat de rechtbank er met de man van uit dat de vrouw de kwartaalpremie als maandpremie heeft opgevoerd. De rechtbank houdt geen rekening met de door de vrouw opgevoerde post sparen, nu de vrouw over vermogen beschikt. Er bestaat dan ook geen reden om met deze post rekening te houden.

De overige door de man gemaakte opmerkingen zijn door de vrouw voldoende weerlegd dan wel de door de vrouw opgevoerde posten komen de rechtbank niet onaannemelijk voor. De behoefte van de vrouw kan, aldus gecorrigeerd, op [euro] 1.996,89 netto per maand worden gesteld (afgerond [euro] 1.997,=).

De vrouw heeft inkomsten uit arbeid op basis van een 20-urige werkweek. De vrouw heeft geen jaaropgave in het geding gebracht, zodat de rechtbank uitgaat van de overgelegde salarisspecificaties. Op basis van haar vast inkomen, de onregelmatigheidstoeslagen, levensloopbijdrage, eindejaarsuitkering, vakantiegeld en diverse incidentele uitbetalingen, gaat de rechtbank uit van een bruto jaarinkomen van [euro] 22.962,=. Haar inkomen uit vermogen kan, onbetwist, op [euro] 3.500,= per jaar worden gesteld. Het netto inkomen van de vrouw kan, na aftrek van de verschuldigde inkomensheffing box 1 en inkomstenbelasting box 3 op [euro] 18.664,= per jaar worden gesteld, en daarmee op [euro] 1.555,= per maand.

De aanvullende behoefte van de vrouw komt hiermee op [euro] 442,= netto per maand, zijnde een bruto bedrag van [euro] 762,= per maand.

De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat bij de vrouw de behoefte aan een aanvullende uitkering tot haar levensonderhoud ontbreekt, aangegeven dat de vrouw minimaal 24 uur per week zou kunnen werken. Hij heeft daartoe gesteld dat de vrouw ook in 2011 24 uur per week heeft gewerkt, maar dat zij per 1 januari 2012 haar arbeidsduur weer heeft teruggebracht naar 20 uur per week. De man heeft zijn standpunt dat in het vakgebied waarin de vrouw werkzaam is, te weten verzorgende, meer dan voldoende mogelijkheden zijn om haar werkzaamheden uit te breiden met stukken onderbouwd.

De vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling desgevraagd verklaard dat zij wel meer uren zou willen werken, zoals zij dat ook in 2011 heeft gedaan, als dat vanwege ziektevervanging van een collega is. Zij heeft verklaard dat uitbreiding van uren op de afdeling waar zij nu werkt niet mogelijk is. Uitbreiding van uren door (deels) op een andere afdeling te werken, wil zij niet, omdat zij het naar haar zin heeft op de afdeling waar zij nu werkt en dat zij daar leuke collega's heeft. Zij heeft aangegeven dat zij niet ergens anders wil werken, omdat zij hier een vast contract heeft.

De rechtbank is met de man van oordeel dat van de vrouw verlangd kan worden dat zij 24 uur per week gaat werken. De beperkingen voor het uitbreiden van haar uren zijn enkel gelegen in de houding van de vrouw dat zij alleen op de afdeling wil werken waar zij nu werkt. Van de vrouw wordt niet verwacht dat zij haar vast contract bij deze werkgever opzegt om ergens anders 24 uur te gaan werken. Wel mag van de vrouw verwacht worden dat zij binnen dezelfde instelling en desnoods op andere afdelingen 4 uur per week extra gaat werken. De rechtbank zal om die reden ervan uitgaan dat de vrouw door uitbreiding van haar uren met een bedrag van [euro] 240,= netto per maand voor een deel in de aanvullende behoefte kan voorzien.

Hiervan uitgaande kan de door de man aanvullende te leveren bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw op [euro] 442,= netto minus [euro] 240,= netto is [euro] 202,= netto en daarmee op (afgerond) [euro] 350,= bruto per maand worden gesteld.

Het verweer van de man treft hiermee doel, voor zover de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud meer bedraagt dan [euro] 350,= bruto per maand.

Ter berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van het volgende:

De rechtbank gaat uit van de commerciële winst die de man als vennoot uit de vennootschap onder firma heeft gegenereerd over de jaren 2009 tot en met 2011 en voorts worden de 1e halfjaarcijfers van 2012 (zoals deze blijken uit de door de man overgelegde productie 12) geëxtrapoleerd, nu de rechtbank voldoende aannemelijk acht dat het bedrijf van de man als gevolg van de crisis een neerwaartse trend laat zien. De rechtbank gaat er vanuit dat het aandeel van de man in de winst over het jaar 2012 1/3 is, zoals is aangegeven in de door de man als productie 13 overgelegde bijlage van administratiekantoor Van Dolder. De rechtbank houdt rekening met de door de man betaalde pensioenpremie. Geen rekening wordt gehouden met de bijtelling voor privégebruik van de auto, net zo min als dat bij een werknemer gebeurt.

Het gemiddelde aandeel van de man in de winst over 4 jaar komt hiermee op [euro] 59.501.=. De rechtbank zal, evenals in het kader van de voorlopige voorzieningen is gedaan, 17,5[procent] daarop in mindering brengen in verband met reserveringen, zoals al jaren gebruikelijk is in de onderneming. De rechtbank houdt voorts rekening met een rendement van 2[procent] over het nog resterende vermogen van de man van [euro] 35.000,=. Gelet op de omstandigheid dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, acht de rechtbank het aannemelijk dat de man voor het overige zijn oorspronkelijke aandeel van [euro] 175.000,= heeft moeten aanwenden om de vrouw haar aandeel in de onderneming uit te keren. Voorts wordt rekening gehouden met de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling. Geen rekening wordt gehouden met (reserveringen voor) premie inkomensvoorziening, nu de man deze verzekering heeft opgezegd. Rekening houdende met de door de man te betalen belastingen en premies en de voor hem geldende heffingskortingen heeft de man een netto besteedbaar inkomen van [euro] 3.365,= per maand.

De man is alleenstaand. Rekening wordt gehouden met een huur van [euro] 600,= per maand, met de premie zorgverzekering als ook de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De premie voor de oudedagsvoorziening bedraagt (omgerekend naar een maandbedrag) [euro] 183,=. De kosten die de man voor de meerderjarige studerende dochter van partijen, [kind 1], betaalt zijn in ieder geval op [euro] 600,= per maand te stellen. Het draagkrachtloos inkomen van de man komt hiermee op [euro] 2.383,= per maand.

De voor alimentatie beschikbare draagkrachtruimte komt hiermee op [euro] 589,= netto per maand. Hieruit volgt dat de door de rechtbank berekende aanvullende bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw door de man kunnen worden voldaan.

De rechtbank zal ten laste van de man een bijdrage in de kosten van het levensonderhoud vaststellen van [euro] 350,= bruto per maand, met ingang van de datum waarop deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek van de vrouw om deze bijdrage in te laten gaan op een datum die gelegen is voor de ontbinding van het huwelijk, is niet op de wet gebaseerd en zal derhalve worden afgewezen.

Nu uit de wet reeds voortvloeit dat bijdragen jaarlijks worden geïndexeerd, heeft de vrouw geen belang bij haar verzoek de man te veroordelen over de verschuldigde bijdrage de wettelijke indexering te voldoen. Dit verzoek zal eveneens worden afgewezen.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Spreekt tussen partijen, op [datum 1] in de gemeente Opmeer gehuwd, ECHTSCHEIDING uit.

Bepaalt dat de man aan de vrouw een uitkering tot haar levensonderhoud zal betalen van

[euro] 350,= bruto per maand telkens bij vooruitbetaling te voldoen met ingang van de dag van inschrijving van deze beschikking.

Bepaalt dat hetgeen partijen ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgoederen-gemeenschap zijn overeengekomen, zoals vermeld in het aan deze beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte echtscheidingsconvenant, als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

Verklaart deze beschikking, behoudens ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.