Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BY1340

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
27-09-2012
Datum publicatie
26-10-2012
Zaaknummer
AWB 11/2821
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom ter verwijdering van een drijvend werk. Het object is door verweerder terecht als een werk in de zin van de Keur aangemerkt. Er is sprake van een door menselijk toedoen ontstane of gemaakte constructie die in het water is gebracht om daar min of meer permanent ter plaatse te functioneren, onder meer als opslagplaats. De omstandigheid dat het mogelijk is om met het object te varen, maakt niet dat het object niet kan worden aangemerkt als werk is in de zin van de Keur. Nu sprake is van een werk dat zonder vergunning in het waterstaatswerk is geplaatst, is sprake van een met de Keur strijdige situatie waartegen verweerder bevoegd is handhavend op te treden. Geen aanleiding om van handhavend optreden af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2821

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 september 2012 in de zaak tussen

[Naam], te [woonplaats], eiser

en

Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, verweerder

(gemachtigde mr. G.J. Middelburg).

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiser een last onder dwangsom opge-legd ter verwijdering van een drijvend werk.

Bij besluit van 21 september 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak met nummer AWB 11/ 2819 plaatsgevonden op 21 juni 2012. Eiser is verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde en H. Nauta en P. Brouwer.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd. Nadien is de termijn voor het doen van uitspraak verlengd tot 27 september 2012.

Overwegingen

1. Eiser is in het bezit van een keurontheffing voor het plaatsen van een afmeerconstructie ter hoogte van de benedenwoning aan [adres] te [plaats].

Op 8 november 2010 is tijdens een controle geconstateerd dat een drijvend object is vastgemaakt aan de aan eiser vergunde steiger. Het object heeft het uiterlijk van een vlot waaraan een motor kan worden bevestigd.

2. Verweerder heeft aan eiser bij het primaire besluit een last onder dwangsom opgelegd ter verwijdering van het zonder keurontheffing geplaatst drijvend werk uit het oppervlaktewater tegenover het perceel [adres] te [plaats]. Het primaire besluit is bij het bestreden besluit gehandhaafd.

3. Verweerder heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang (meer) heeft omdat hij op 22 februari 2012 zijn woning aan [adres] heeft verkocht en inmiddels is verhuisd naar [adres] in [plaats]. De rechtbank is van oordeel dat de verhuizing losstaat van het belang van eiser bij het bestreden besluit. Niet is gebleken dat de last door eisers verhuizing op een ander is overgegaan en eiser heeft voorts aangegeven dat hij de aan hem vergunde steiger en zijn terrasboot in de toekomst wil blijven gebruiken. Dat is ook mogelijk omdat de steiger bereikbaar is via het naastgelegen perceel dat weliswaar achter het appartementencomplex aan [adres] ligt, maar in eigendom is van de gemeente en openbaar toegankelijk is. Eiser heeft zijn procesbelang bij het beroep tegen de hem opgelegde last onder dwangsom behouden. Zijn beroep is ontvankelijk.

4. In de aanvullende gronden van beroep stelt eiser dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet gehoord wilde worden door de adviescommissie bezwaren.

Gebleken is dat eiser in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord tijdens de zitting bij de Adviescommissie bezwaren. De voorzitter van de Adviescommissie bezwaren heeft er op gewezen dat de hoorzitting openbaar is. Eiser heeft er voor gekozen om de ruimte waarin de hoorzitting zou plaatsvinden te verlaten omdat hij niet met een mede bewoner van het appartementencomplex aan [adres] in één ruimte wilde verblijven. De rechtbank oordeelt dat deze keuze voor risico van eiser komt. Daarbij is van belang dat niet is gebleken van een dermate dringende reden dat de Adviescommissie bezwaren op het verzoek van eiser om in een aparte ruimte te worden gehoord had moeten ingaan. De omstandigheid dat de Adviescommissie bezwaren er in een eerdere – overigens niet nader omschreven – situatie wel voor heeft gekozen een betrokkene apart te horen, doet aan het voorgaande niet af. Van een gebrek in de besluitvorming is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank overweegt verder nog dat niet is gebleken dat eiser door zijn afwezigheid in zijn belangen is geschaad; hij is immers in de gelegenheid geweest zijn bezwaren naar voren te brengen in zowel bezwaar als beroep, en hij heeft ook gebruik van die mogelijkheid gemaakt.

5.1 Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een overtreding omdat er geen sprake is van een werk in de zin van de Keur 2009. Hij stelt dat het object dat hij aan de steiger heeft vastgemaakt een terrasboot is, waarmee hij kan varen.

5.2 Ingevolge artikel 61 van de Waterschapswet in samenhang met artikel 5:32 van de Awb is het hoogheemraadschap bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom.

Ingevolge artikel 4.1, eerste lid, onder a en b - voor zover van belang - van de Keur 2009 (hierna: Keur) is het verboden zonder vergunning van het dagelijks bestuur gebruik te maken van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten of werken te plaatsen of te (be)houden.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder p wordt in deze Keur en de daarop rustende bepalingen, tenzij anders bepaald, onder werk verstaan: alle door menselijk toedoen ontstane of te maken constructies met toebehoren.

5.3 Naar het oordeel van de rechtbank is het onderhavige object door verweerder terecht als een werk in de zin van de Keur aangemerkt. Er is sprake van een door menselijk toedoen ontstane of gemaakte constructie die in het water is gebracht om daar min of meer permanent ter plaatse te functioneren, onder meer als opslagplaats. De omstandigheid dat het mogelijk is om met het object te varen, maakt niet dat het object niet kan worden aangemerkt als werk is in de zin van de Keur. Nu sprake is van een werk dat zonder vergunning in het waterstaatswerk is geplaatst, is sprake van een met de Keur strijdige situatie waartegen verweerder bevoegd is handhavend op te treden.

6. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7. Verweerder weigert aan eiser een vergunning te verlenen als bedoeld in voormeld artikel 4.1, eerste lid, onder a en b van de Keur . Bij de uitoefening van zijn bevoegdheid een dergelijke vergunning te verlenen hanteert verweerder de Beleidsregels Keurontheffingen 2007, waaruit volgt dat het verlenen van een vergunning alleen mogelijk is indien de waterbeheersing niet wordt geschaad en de gebruiksfuncties gegarandeerd blijven. Daarvan is in dit geval volgens verweerder geen sprake nu het drijvend werk zodanig wordt gebruikt dat er sprake is van een permanent gebruik van de waterloop waardoor het onderhoud van oevers en water alsmede het openbaar gebruik van het water ernstig wordt belemmerd. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit standpunt niet onjuist worden geacht, zodat ook niet kan worden gesproken van een situatie waarbij er concreet zicht bestaat op legalisatie.

8. Eiser heeft naar voren gebracht dat de vraag kan worden gesteld met welke frequentie de watergang wordt onderhouden en dat hij bereid is het object dan eenvoudig uit het water te verwijderen. De rechtbank oordeelt dat dat nog niet betekent dat handhavend optreden onevenredig zou zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen. Het onderhoud moet immers in alle omstandigheden, dus ook bij onvoorziene omstandigheden en calamiteiten, kunnen worden uitgevoerd. Bij zijn afweging heeft verweerder voorts gewicht mogen toekennen aan de – ongewenste – precedentwerking die van het niet handhavend optreden tegen het plaatsen van het onderhavige werk (aan de reeds vergunde steiger) zou kunnen uitgaan, waarbij er op is gewezen dat er ter plaatse van het appartementencomplex aan [adres] reeds meerdere steigers zijn vergund en het erop lijkt dat de bewoners een (steeds groter) deel van het water voor zichzelf te claimen.

8. Eiser heeft zich beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Hij heeft er daarbij op gewezen dat een verzoek om handhaving met betrekking tot een object van de heer [naam] uit [plaats] is afgewezen, en dat een bezwaar van de heer [naam] uit [plaats], gericht tegen de bestuursdwangbeschikking waarbij laatstgenoemde was aangeschreven een drijvend werk te verwijderen, gegrond is verklaard. De rechtbank oordeelt dat van gelijke gevallen geen sprake is. Daarbij is van belang dat het hier aangehaalde object van de heer [naam], medebewoner van het appartementencomplex aan [adres], niet van gelijke omvang is als het drijvend werk dat door eiser in het water is geplaatst. Bovendien was de heer [naam] op dat moment enig vergunninghouder van een steiger ter plaatse van het appartementencomplex.

Op het moment dat werd geconstateerd dat door de heer [naam] een drijvend werk was geplaatst in [plaats], en ten tijde van de besluitvorming rond het verzoek om handhaving ter zake van dat drijvend werk, vigeerde niet de thans geldende Keur 2009. Het werk was reeds aanwezig voor 1 januari 2003 en is geplaatst onder een ander keurregime en een ander beleid. Onder deze omstandigheden is van gelijke gevallen geen sprake. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt derhalve.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzitter, mr. A.D. Reiling en

mr. P.H. Lauryssen, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 september 2012.

w.g. Van der Vlugt w.g. Terwiel-Kuneman,

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.