Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX7941

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
30-08-2012
Datum publicatie
20-09-2012
Zaaknummer
AWB 11/110
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser terecht aangewezen als persoon waar de Sanctieregeling terrorisme 2007-II op van toepassing is.

Blijkens de toelichting behorende bij de Sanctieregeling kan tot vaststelling van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling worden overgegaan indien er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene gerekend kan worden tot de kring van personen of organisaties als bedoeld in resolutie 1373 of het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de EU van 27 december 2001.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door te verwijzen naar de vermelding van de Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE) op de EU-terrorismelijst voldoende gemotiveerd dat de LTTE kan worden aangemerkt als een terroristische organisatie in de zin van resolutie 1373.

De rechtbank is met verweerder en anders dan eiser van oordeel dat artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling geen ruimte biedt om bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voldoende aanwijzingen, de plaatsing van de LTTE op de EU-terrorismelijst aan de orde te stellen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder met het ambtsbericht van 14 oktober 2008 en de documentatie inzake de jegens eiser ingestelde strafvervolging ten tijde van het primaire besluit over voldoende aanwijzingen beschikte dat eiser behoorde tot de kring van de LTTE en derhalve tot de kring van personen of organisaties als bedoeld in resolutie 1373. Verweerder was gelet hierop gehouden over te gaan tot het aanwijzingsbesluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/110

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 augustus 2012 in de zaak tussen

[Naam], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. H. Seton),

en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigden: mr. C. de Munck en mr. J.M. Hoogveld).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser aangewezen als persoon waar de Sanctieregeling terrorisme 2007-II (hierna: de Sanctieregeling) op van toepassing is.

Bij op 25 november 2010 verzonden besluit (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2012. De gemachtigde van eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties (hierna: de VN) heeft op 28 september 2001 resolutie 1373 (Tractatenblad 2001, 179) vastgesteld op grondslag van Hoofdstuk VII van het Handvest van de VN. Aanleiding voor deze resolutie vormden de terroristische aanslagen die op 11 september 2001 plaatsvonden in de Verenigde Staten van Amerika.

In artikel 1, aanhef en onder c, van resolutie 1373 is het volgende bepaald:

Decides that all States shall freeze without delay funds and other financial assets or economic resources of persons who commit, or attempt to commit, terrorist acts or participate in or facilitate the commission of terrorist acts; of entities owned or controlled directly or indirectly by such persons; and of persons and entities acting on behalf of, or at the direction of such persons and entities, including funds derived or generated from property owned or controlled directly or indirectly by such persons and associated persons and entities.

In artikel 48, eerste lid, van het Handvest van de VN is bepaald dat het optreden dat nodig is ter uitvoering van de besluiten van de Veiligheidsraad voor de handhaving van de internationale vrede en veiligheid geschiedt door alle Leden van de VN of door sommige daarvan, al naar gelang de Veiligheidsraad bepaalt.

In het tweede lid is bepaald dat die besluiten door de Leden van de VN rechtstreeks worden uitgevoerd of door middel van hun optreden in de daarvoor in aanmerking komende internationale instellingen waarvan zij lid zijn.

In artikel 2, eerste lid, van de Sanctiewet 1977 is bepaald dat ter voldoening aan verdragen, besluiten of aanbevelingen van organen van volkenrechtelijke organisaties, dan wel aan internationale afspraken, met betrekking tot de handhaving of het herstel van de internationale vrede en veiligheid of de bevordering van de internationale rechtsorde dan wel de bestrijding van terrorisme, bij algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde onderwerpen regels kunnen worden vastgesteld.

In het tweede lid, is bepaald dat indien de te stellen regels uitsluitend strekken ter uitvoering van verplichtingen die voortvloeien uit verdragen of bindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties Onze Minister deze kan vaststellen.

In artikel 3, eerste lid, is, voor zover van belang, bepaald dat de in artikel 2 bedoelde regels kunnen betreffen het goederen-, diensten- en financieel verkeer, (…) en al hetgeen overigens is vereist ter voldoening aan de verdragen, besluiten, aanbevelingen dan wel internationale afspraken, bedoeld in artikel 2.

In artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling is bepaald dat indien personen of organisaties naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën behoren tot de kring van personen of organisaties, bedoeld in resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001, de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën ten aanzien van deze personen of organisaties een aanwijzingsbesluit kan vaststellen.

In het tweede lid, is bepaald dat alle middelen die toebehoren aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, worden bevroren.

In artikel 3 van de Sanctieregeling is bepaald dat de Minister van Financiën in overeenstemming met de Minister van Buitenlandse Zaken op verzoek ontheffing kan verlenen van het bepaalde in artikel 2, tweede tot en met vierde lid.

2. Blijkens de toelichting (Staatscourant 21 december 2007, 248) behorende bij de Sanctieregeling kan tot vaststelling van een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling worden overgegaan indien er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene gerekend kan worden tot de kring van personen of organisaties als bedoeld in resolutie 1373 of het Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de EU van 27 december 2001 (2001/930/GBVB).

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser een persoon is die behoort tot de kring van personen of organisaties als bedoeld in resolutie 1373. Verweerder heeft daartoe gesteld dat uit een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van 14 oktober 2008 is gebleken dat eiser als districtsverantwoordelijke in het district Noord-Holland 1 werkzaam is (geweest) voor de Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE). De LTTE staat vanaf mei 2006 genoemd in de bijlage bij het (geactualiseerde) Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad van de EU van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (2001/931/GBVB en 2006/380/GBVB). In de genoemde bijlage (verder aan te duiden als EU-terrorismelijst) worden personen, groepen en entiteiten genoemd die betrokken zijn bij terroristische daden. Voorts heeft verweerder zijn standpunt gebaseerd op de omstandigheid dat tegen eiser strafvervolging is ingesteld wegens verdenking van terroristische misdrijven gerelateerd aan de LTTE. Ter zitting heeft verweerder er op gewezen dat de rechtbank Den Haag op 29 april 2010 een bevel tot bewaring heeft verleend voor eiser en op 11 mei 2010 diens gevangenhouding heeft bevolen voor een termijn van zestig dagen.

4. Eiser betwist dat verweerder ten tijde van het primaire besluit over voldoende aanwijzingen beschikte dat eiser een zodanig prominente en actieve rol vervulde binnen de LTTE dat hij diende te worden aangemerkt als behorende tot de kring van personen of organisaties als bedoeld in resolutie 1373. Daarbij heeft hij aangevoerd dat artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling, gelet op het daarin vermelde woord ‘kan’, ruimte biedt om bij de beoordeling van de vraag of sprake is van voldoende aanwijzingen, indirect de vraag naar de juistheid van de plaatsing van de LLTE op de EU-terrorismelijst te betrekken en dat verweerder daartoe ten onrechte niet is overgegaan.

5.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door te verwijzen naar de vermelding van de LTTE op de EU-terrorismelijst voldoende gemotiveerd dat de LTTE kan worden aangemerkt als een terroristische organisatie in de zin van resolutie 1373. De LTTE is op die lijst aangeduid als een groep of entiteit die betrokken is bij terroristische daden. Blijkens artikel 1, tweede lid, van het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB wordt voor het begrip groep of entiteit die betrokken is bij terroristische daden uitgegaan van dezelfde omschrijving als in artikel 1, aanhef en onder c, van resolutie 1373. De lijst is door de Raad van de EU ook vastgesteld ter uitvoering van resolutie 1373.

De rechtbank is met verweerder en anders dan eiser van oordeel dat artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling geen ruimte biedt om bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van voldoende aanwijzingen, de plaatsing van de LTTE op de EU-terrorismelijst aan de orde te stellen. Of de plaatsing van de LTTE al dan niet terecht is, is niet ter beoordeling van de rechtbank. De juistheid van deze plaatsing kan uitsluitend op Europees niveau worden aangevochten.

5.2 Met betrekking tot de formulering van artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling heeft verweerder ter zitting gesteld dat het woord ‘kan’ er niet op duidt dat hem een discretionaire bevoegdheid toekomt om al dan niet tot het vaststellen van een aanwijzingsbesluit over te gaan. Niet uitgesloten is, aldus verweerder, dat op internationaal niveau op basis van internationale regels al tot bevriezing van de tegoeden van de betrokkene is overgegaan. Het woord ‘kan’ in artikel 2, eerste lid, van de Sanctieregeling strekt er naar de mening van verweerder slechts toe hem uitsluitend onder die omstandigheden de mogelijkheid te bieden van het vaststellen van een aanwijzingsbesluit en daarmee het bevriezen van tegoeden af te zien. Verweerder heeft in het licht van het voorgaande betoogd dat hij, gegeven het imperatieve karakter van artikel 1 van resolutie 1373 (‘(…) all States shall freeze without delay (…)’), gehouden is over te gaan tot het vaststellen van een aanwijzingsbesluit indien sprake is van voldoende aanwijzingen dat de betrokkene tot de kring van personen of organisaties als bedoeld in resolutie 1373 behoort.

De rechtbank ziet geen aanleiding het standpunt van verweerder voor onjuist te houden.

5.3 De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder met het ambtsbericht van 14 oktober 2008 en de documentatie inzake de jegens eiser ingestelde strafvervolging ten tijde van het primaire besluit over voldoende aanwijzingen beschikte dat eiser behoorde tot de kring van de LTTE en derhalve tot de kring van personen of organisaties als bedoeld in resolutie 1373. Door verweerder is onweersproken, onder verwijzing naar voornoemd ambtsbericht, gesteld dat eiser als districtsverantwoordelijke werkzaam is geweest voor de LTTE en dat ook na inzage van de achterliggende stukken behorende bij dit ambtsbericht is gebleken dat het ambtsbericht is gebaseerd op een toereikende feitelijke grondslag. De rechtbank heeft geen aanleiding daaraan te twijfelen.

5.4 De omstandigheid dat verweerder het ambtsbericht eerst in het bestreden besluit heeft genoemd brengt ook, anders dan eiser heeft betoogd, niet met zich dat verweerder het ambtsbericht niet bij de beoordeling heeft mogen betrekken. De rechtbank overweegt hiertoe dat het ambtsbericht informatie bevat die reeds ten tijde van het primaire besluit bekend was.

5.5 Ten aanzien van de ingestelde strafvervolging is de rechtbank anders dan eiser van oordeel dat deze vervolging mede in samenhang met voornoemd ambtsbericht, als een voldoende aanwijzing kan worden gezien op grond waarvan het aanwijzingsbesluit is en kon worden genomen. Een aanwijzingsbesluit is immers een preventieve maatregel gericht op het voorkomen en beperken van terrorisme. Doel en aard van een dergelijke maatregel brengen met zich mee dat deze ook op basis van een enkele verdenking kan worden vastgesteld. Bovendien is ten aanzien van eiser zowel een bevel tot bewaring als een bevel gevangenhouding genomen waarbij de rechtbank het er voor moet houden dat deze bevelen op juiste en voldoende feitelijke gronden zijn genomen.

5.6 Het betoog van eiser dat er onvoldoende aanwijzingen zijn faalt.

6. Eiser heeft verder betoogd dat, kort samengevat, verweerder in het bestreden besluit onvoldoende blijk heeft gegeven van een belangenafweging.

6.1. De rechtbank overweegt dat er voor verweerder, gelet op hetgeen onder 5.2. is overwogen, geen ruimte bestaat om een belangenafweging te maken indien sprake is van voldoende aanwijzingen dat de betrokkene behoort tot de kring van personen of organisaties als bedoeld in resolutie 1373. In dat geval is verweerder gehouden over te gaan tot het vaststellen van een aanwijzingsbesluit en daarmee van het bevriezen van tegoeden. Zo ook in het geval van eiser.

6.2. In dit verband acht de rechtbank het nog van belang te wijzen op de in artikel 3 van de Sanctieregeling aan de Minister van Financiën geboden mogelijkheid om ontheffing te verlenen. Verzoeken tot ontheffing kunnen zien op de verstrekking van en of het gebruik van tegoeden voor primaire levensbehoeften of op het gebruik van tegoeden voor de voldoening van belastingen en nutsvoorzieningen. Daarmee kunnen de essentiële menselijke behoeften van eiser worden gedekt. Aldus is in een hardheidsclausule voorzien.

7. Ook heeft eiser betoogd dat door verweerder de vraag of het aanwijzingsbesluit bijdraagt aan de bestrijding van het terrorisme bij de beoordeling had dienen te betrekken en had moeten motiveren dat het aanwijzingsbesluit aan de bestrijding daarvan bijdraagt.

7.1. Deze grond slaagt, gelet op voorgaande, niet. Verweerder heeft, indien er voldoende aanwijzingen zijn, geen ruimte om van het nemen van een aanwijzingsbesluit af te zien anders dan in de situatie genoemd onder 5.2. Dat het aanwijzingsbesluit bijdraagt aan de bestrijding van het terrorisme is in de regelgeving verondersteld.

8. Ter zitting heeft eiser betoogd dat het bevriezen van zijn tegoeden een ernstige inmenging vormt in zijn recht op bescherming van zijn privéleven en zijn recht op eigendom, zoals beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden en het daarbij behorende artikel 1 van het Eerste Protocol.

8.1. De rechtbank is van oordeel dat waar de gestelde inmenging in eisers privéleven en eigendom is voorzien bij wet en is ingegeven door internationale verplichtingen, het op de weg van eiser lag te onderbouwen dat die inmenging zodanig onevenredig is dat verweerder, ondanks de genoemde ontheffingsmogelijkheid, van het aanwijzingsbesluit had behoren af te zien. Die onderbouwing ontbreekt, zodat ook deze beroepsgrond faalt.

9. Eiser heeft zich voorts beroepen op het gelijkheidsbeginsel.

9.1. Deze grond slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State – zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 april 2009 (LJN: BH9267) – kan een beroep op het gelijkheidbeginsel er namelijk niet toe strekken dat in strijd met de regelgeving wordt gehandeld.

10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiser terecht aangewezen als persoon waarop de Sanctieregeling van toepassing is. Het beroep is ongegrond.

11. Bij deze beslissing is voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. de Feijter, voorzitter, mr. B. Liefting-Voogd en

mr. drs. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.