Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX6788

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
07-09-2012
Zaaknummer
12/825 en 12/826
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeken van eisers om een kapvergunning ten onrechte buiten behandeling gelaten. De bomen bevinden zich op korte afstand van en direct voor de woning van eisers, zodat zij belanghebbende zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2009 (LJN: BK1349 en LJN: BK1371) aan te nemen dat eisers als gevolg van het ontbreken van toestemming van de gemeente (de eigenaar van de bomen) voor de kap van de bomen niet als belanghebbende kunnen wordne aangemerkt. Verweerder diende derhalve inhoudelijk op aanvragen te beslissen. Beroepen zijn gegrond en bestreden besluiten moeten worden vernietigd. Rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, nu verweerder in de bestreden besluiten subsidiair een inhoudelijk standpunt heeft ingenomen en partijen de rechtbank daarom uitdrukkelijk hebben verzocht. De gevraagde kapvergunningen dienen op grond van het bepaalde in artikel 4;11, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV (de waarde voor het dorpsschoon) te worden geweigerd.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.2
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:2
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3098
JOM 2012/914
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/825 en AWB 12/826

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2012 in de zaak tussen

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser, en

[naam eiseres], te [plaatsnaam], eiseres,

tezamen te noemen: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.M. Vriend).

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2011 heeft verweerder het verzoek van eiseres om een omgevingsvergunning ten behoeve van het (doen) vellen van een houtopstand (boom) bij het voorerf van het perceel [adres 1] te [plaatsnaam], zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo), op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder het verzoek van eiser om een omgevingsvergunning ten behoeve van het (doen) vellen van een houtopstand (boom) bij het voorerf van het perceel [adres 2] te [plaatsnaam], zoals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo, op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 8 februari 2012, verzonden op 23 februari 2012, heeft verweerder het besluit van 8 juni 2011 ten aanzien van eiser herroepen en in heroverweging het verzoek op grond van artikel 1:2 en 1:3 van de Awb buiten behandeling gelaten.

Bij besluit van 14 februari 2012, verzonden op 23 februari 2012, heeft verweerder het besluit van 8 juni 2011 ten aanzien van eiseres herroepen en in heroverweging het verzoek op grond van artikel 1:2 en 1:3 van de Awb buiten behandeling gelaten.

Eisers hebben afzonderlijk van elkaar beroep ingesteld bij de rechtbank. Met instemming van partijen heeft de rechtbank de zaken gevoegd behandeld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2012. Eisers zijn in persoon verschenen, in gezelschap van [naam partner], de partner van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo - voor zover hier van belang - geldt, voor zover in een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning is vereist om houtopstand te vellen of doen vellen, die bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

1.2. Ingevolge artikel 4:11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Medemblik (de APV) is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of doen vellen die staan vermeld op de lijst vermeld op bijlage 1 (de Bomenlijst).

1.3. Ingevolge het eerste lid van bijlage 1 is - voor zover hier van belang - geen vergunning vereist voor het vellen van bomen binnen de bebouwde kom met een stamdiameter tot maximaal 20 centimeter mits is voldaan aan de daarin genoemde voorwaarden.

1.4. Ingevolge artikel 4:11, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV kan de vergunning worden geweigerd op grond van de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon.

2.1. Eisers zijn directe buren en hebben afzonderlijk van elkaar een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo (hierna te noemen: kapvergunning) gevraagd voor de zich op de groenstrook bij hun voorerf bevindende twee haagbeuken. De haagbeuk bij het voorerf van eiseres heeft een diameter van circa 33 centimeter en de haagbeuk bij het voorerf van eiser heeft een diameter van ongeveer 29 centimeter. Nu de stamdiameter van deze twee haagbeuken meer bedraagt dan 20 centimeter, is - gelet op de hiervoor weergegeven bepalingen uit de Wabo en de APV - voor het vellen daarvan een kapvergunning vereist.

2.2. Deze kapvergunning is aan eisers niet verleend. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de verzoeken van eisers om verlening van een kapvergunning op grond van het bepaalde in de artikelen 1:2 en 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) buiten behandeling moeten worden gelaten. Verweerder heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat niet eisers, maar de gemeente Medemblik eigenaar is van de groenstrook waarop de haagbeuken zich bevinden. De gemeente zal als eigenaar geen toestemming voor de kap van de haagbeuken geven en vanwege het ontbreken van de noodzakelijke toestemming doet zich volgens verweerder de situatie voor dat de kap nimmer zal kunnen worden verwezenlijkt. Om die reden is verweerder van mening dat eisers niet als belanghebbende bij een beslissing op hun verzoek om een kapvergunning kunnen worden aangemerkt, waartoe verweerder heeft verwezen naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 28 oktober 2009 (LJN: BK1349 en LJN: BK1371).

3. De rechtbank stelt voorop dat zij er in de onderhavige procedure vanuit gaat dat de gemeente Medemblik, en derhalve niet eisers, eigenaar is van de in geding zijnde haagbeuken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de groenstrook waarop deze haagbeuken zich bevinden in het kadaster als eigendom van de gemeente Medemblik staat geregistreerd. Eisers hebben dat niet weersproken. In deze bestuursrechtelijke procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de registratie in het kadaster, tenzij de onjuistheid daarvan als zijnde evident kan worden vastgesteld. In hetgeen eisers gedurende de besluitvorming en in rechte hebben aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat die uitzondering zich voordoet. Indien eisers van mening zijn dat zij door verkrijgende verjaring eigenaar zijn geworden van de groenstrook en de zich daarop bevindende haagbeuken, ligt het op hun weg zich tot de burgerlijke rechter te wenden teneinde een daartoe strekkend vonnis te verkrijgen. Het is niet aan de bestuursrechter om daarover in de onderhavige procedure een oordeel te geven.

4.1. Het vorenstaande leidt de rechtbank evenwel niet tot het oordeel dat verweerder de verzoeken van eisers buiten behandeling mocht laten.

4.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Deze eis is door de wetgever gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid dan ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit, in dit geval een besluit tot het al dan niet verlenen van een kapvergunning.

4.3. Volgens vaste jurisprudentie (waaronder de uitspraken van de Afdeling van 24 maart 2010, LJN: BL8699, 23 februari 2011, LJN: BP5476, en 11 januari 2012, LJN: BV0559) kan bij dergelijke besluiten slechts als belanghebbende worden aangemerkt degene die op geringe afstand van de boom woont, of vanuit zijn woning daarop zicht heeft. Aan deze voorwaarden is in dit geval voldaan. De haagbeuken bevinden zich ieder immers op zeer korte afstand van en direct voor de woningen van eisers. Eisers moeten daarom als belanghebbende worden aangemerkt en hun verzoeken om verlening van een kapvergunning dienen dan ook als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb te worden beschouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat bij de uitleg van het begrip belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb in de wet noch de jurisprudentie onderscheid wordt gemaakt tussen de belanghebbende die in rechte tegen een besluit mag opkomen en de belanghebbende die een aanvraag mag indienen.

4.4. De door verweerder aangehaalde uitspraken van de Afdeling maken dat niet anders. De rechtbank ziet geen aanleiding om op grond van deze uitspraken aan te nemen dat eisers als gevolg van het ontbreken van toestemming van de gemeente voor de kap van de haagbeuken niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt. Daartoe acht de rechtbank in de eerste plaats van belang dat de door verweerder aangehaalde uitspraken betrekking hebben op bouwvergunningen en niet op kapvergunningen, terwijl vergelijkbare jurisprudentie over kapvergunningen ontbreekt. Derhalve staat niet vast dat deze uitspraken zonder meer toepasbaar zijn in een situatie als de onderhavige. Daarnaast leidt de rechtbank uit de aangehaalde uitspraken af dat over het algemeen niet snel sprake zal zijn van de situatie waarin op voorhand reeds duidelijk is dat nimmer uitvoering kan worden gegeven aan de verleende vergunning. In de bedoelde uitspraken heeft de Afdeling immers de omstandigheid dat de betrokkene geen of slechts gedeeltelijk eigenaar was van de gronden waarop het bouwplan betrekking had, en in één van de uitspraken zelfs toestemming van de eigenaar ontbrak, niet voldoende geacht om aan te nemen dat het bouwplan nimmer zou kunnen worden verwezenlijkt en de betrokkene daarom geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb was. De rechtbank acht het niet op voorhand uitgesloten dat in dit geval op enig moment toch van de kapvergunning gebruik zal kunnen worden gemaakt en de haagbeuken mogen worden gekapt doordat er alsnog toestemming van de zijde van de gemeente wordt verleend. Daartoe acht de rechtbank onder meer van belang dat de gemeente op een eerder moment, namelijk in 2009, wél toestemming heeft gegeven om een flink aantal bomen in de straat en nabije woonomgeving van eisers te kappen en voor eisers bovendien nog de gang naar de civiele rechter open staat teneinde vastgesteld te krijgen dat zij door verkrijgende verjaring het eigendom van de grondstrook waarop de bomen staan hebben verkregen.

4.5. Nu uit het voorgaande volgt dat eisers belanghebbenden zijn en hun verzoeken om een kapvergunning als aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb moeten worden aangemerkt, kon verweerder deze aanvragen niet buiten behandeling laten en diende verweerder inhoudelijk op deze aanvragen te beslissen. De bestreden besluiten komen dan ook wegens strijd met de artikelen 1:2 en 1:3 van de Awb voor vernietiging in aanmerking en de beroepen zijn gegrond.

5.1. De rechtbank ziet aanleiding om te bezien of het geschil tussen partijen in dit geval finaal kan worden beslecht door met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Daarvoor is niet vereist dat nog slechts één beslissing mogelijk, zoals ook blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van onder meer 9 februari 2011 (LJN: BP3670) en 21 maart 2012 (LJN: BV9463). Zelf in de zaak voorzien is evenwel niet mogelijk, indien dat de rechter noopt tot een oordeel over een aangelegenheid waarover partijen zich in de procedure niet of onvoldoende hebben uitgelaten of indien sprake is van een bevoegdheid van het bestuursorgaan, waarbij nog een nadere belangenafweging moet plaatsvinden. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Verweerder heeft in het bestreden besluit immers subsidiair een inhoudelijk standpunt ingenomen met betrekking tot de vraag of eisers de gevraagde kapvergunningen moeten worden verleend en heeft dat standpunt ter zitting nader toegelicht. Daarbij heeft verweerder medegedeeld dat in het geval verweerder nieuwe besluiten op bezwaar zou moeten nemen en de aanvragen alsnog inhoudelijk zou moeten beoordelen, de uitkomst geen andere zou zijn en de vergunningen zouden worden geweigerd. Eisers hebben reeds gedurende de besluitvorming hun belang bij de gevraagde kapvergunningen naar voren gebracht en hebben ter zitting inhoudelijk gereageerd op verweerders subsidiaire standpunt. Bovendien hebben partijen de rechtbank ter zitting uitdrukkelijk verzocht om een inhoudelijk oordeel te geven over de vraag of verweerder subsidiair het standpunt kon innemen dat de gevraagde kapvergunningen moeten worden geweigerd, zodat het geschil tussen hen spoedig kan worden beëindigd. Gelet hierop, ziet de rechtbank aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

5.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde kapvergunningen moeten worden geweigerd op grond van artikel 4:11, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV, omdat het behoud van de bomen volgens verweerder van belang is met het oog op de waarde daarvan voor het dorpsschoon.

5.3. De rechtbank stelt vast dat het verlenen van een kapvergunning een bevoegdheid betreft van verweerder. Bij de uitoefening van die bevoegdheid komt verweerder een ruime mate van beleidsvrijheid toe, zodat er slechts plaats is voor een terughoudende toetsing door de rechter. Daarbij is de toetsing beperkt tot de vraag of verweerder bij afweging van belangen in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat de gevraagde kapvergunningen moeten worden geweigerd.

5.4. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de bomen in de [straatnaam] onderdeel uitmaken van een doorlopende groenstructuur met straatbomen die de wijk een bepaalde uitstraling geeft. Deze groenstructuur is indertijd specifiek in het ontwerp van de openbare ruimte vormgegeven. Naar aanleiding van meerdere klachten zijn circa twee jaar geleden de bomen uitgedund door deze zoveel mogelijk om en om te kappen om meer licht te geven. De bomen die zijn blijven staan, zijn destijds flink opgesnoeid. Het behoud van de resterende bomen, waaronder de in geding zijnde haagbeuken, acht verweerder van belang met het oog op de waarde van de houtopstand van het dorpsschoon, zoals destijds beoogd bij de inrichting van de wijk. De kap van de haagbeuken zal de bestaande groenstructuur op onaanvaardbare wijze onderbreken dan wel aantasten. Bovendien vreest verweerder dat de verlening van de gevraagde kapvergunningen precedentwerking zal hebben en dat meer bewoners van de wijk zullen vragen om kap van de bomen nabij hun woning, wat een verdere aantasting van de groenstructuur zal betekenen. In hetgeen eisers hier tegenover hebben gesteld ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt kon innemen dat de gevraagde vergunningen dienen te worden geweigerd. Dat verweerder in 2009 mogelijk abusievelijk de in geding zijnde haagbeuken niet heeft gekapt, maakt niet dat verweerder gehouden was om thans de aanvragen van eisers om kapvergunningen in te willigen, gezien het door verweerder gestelde belang bij het behoud van de haagbeuken, gelegen in de waarde daarvan voor het dorpsschoon. Verweerder heeft dat belang zwaarder kunnen laten wegen dan de individuele belangen van eisers bij de kap van de haagbeuken, gelegen in de zonlichttoetreding, bladeruitval en overlast door vogelpoep. Dat eisers een andere uitkomst van deze afweging hadden willen zien, maakt op zichzelf niet dat de afweging van verweerder geen stand kan houden.

6. Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien in die zin dat de gevraagde kapvergunningen op grond van het bepaalde in artikel 4:11, tweede lid, aanhef en onder c, van de APV worden geweigerd.

7. Bij deze beslissing is er aanleiding te bepalen dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat gevraagde omgevingsvergunningen in de zin van artikel 2.2., eerste lid,

aanhef en onder g, van de Wabo worden geweigerd en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 312,00 (tweemaal € 156,00) aan

eisers te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.H. Affourtit-Kramer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012 te Alkmaar.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.