Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX6693

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
06-09-2012
Zaaknummer
11/1326
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eisers subsidieaanvraag voor de restauratie van de Nederlands Hervormde Martinuskerk te Schellinkhout mogen afwijzen.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder het door eiser uit eigen beweging bij de aanvraag gevoegde ontwikkelingsplan mocht betrekken bij zijn behandeling van die aanvraag. Dat in de Restauratieregeling niet expliciet staat vermeld dat de subsidieaanvraag vergezeld dient te gaan van zo’n plan en dat eiser dus niet verplicht was het te verstrekken, zoals eiser heeft betoogd, brengt hierin geen verandering.

Verweerder heeft zich vervolgens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het ontwikkelingsplan voldoende concreet moet zijn om tot het verstrekken van subsidie te kunnen overgaan. Verstrekking van subsidie is immers mogelijk voor de restauratie van een monument dat een nieuwe functie krijgt. Het eerst concreet uitwerken van een herbestemmingsplan na subsidieverlening past hierbij niet.

Gezien het ontwikkelingsplan, waarin wordt gesproken van een “geïllustreerde gedachte”, en de toelichting bij de Restauratieregeling is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende zekerheid bestaat over de daadwerkelijke uitvoering van het ontwikkelingsplan. Eiser heeft ter zitting ook erkend dat van een uitgewerkt plan geen sprake is. En al wat eiser verder heeft aangevoerd kan geen verandering brengen in het ontbreken van een voldoende concreet herbestemmingsplan. Verweerder concludeert dan ook terecht dat geen sprake is van herbestemming van de kerk in de zin van de Restauratieregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1326

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juni 2012 in de zaak tussen

het college van kerkrentmeesters van de protestantse gemeente Zuiderkogge, te Venhuizen, eiser

(gemachtigde: B.P. Hoogendorp),

en

de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. K. El Addouti).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2011 heeft verweerder eisers subsidieaanvraag van 30 september 2010 voor de restauratie van de [naam kerk] te [plaatsnaam] (hierna: de kerk) afgewezen.

Bij besluit van 19 april 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2012. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 (Mw) kan verweerder ten behoeve van de instandhouding van beschermde monumenten subsidie verstrekken. Onder instandhouding wordt verstaan de onderhoudswerkzaamheden aan een beschermd monument alsmede werkzaamheden die het normale onderhoud te boven gaan en die voor het herstel van het monument noodzakelijk zijn.

Ingevolge artikel 34, derde lid, van de Mw worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie, bedoeld in het eerste lid. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op:

a. de criteria op grond waarvan subsidie kan worden verstrekt;

(…)

d. de aanvraag van een subsidie;

e. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend;

(…).

Ingevolge artikel 43, tweede lid, van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten (Brim; vanaf 1 januari 2011 artikel 35, tweede lid, van het Besluit rijkssubsidiëring instandhouding monumenten 2011; Brim 2011), voor zover hier van belang, kan verweerder subsidie verstrekken in de kosten ten behoeve van de restauratie van een beschermd monument.

Ingevolge artikel 43, vijfde lid, van het Brim (vanaf 1 januari 2011 artikel 35, vierde lid, van het Brim 2011) kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verstrekken van subsidie op grond van dit artikel.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Restauratieregeling monumenten 2010 en 2011 (hierna: de Restauratieregeling), zoals deze gold met ingang van 1 oktober 2010, kan verweerder op aanvraag aan de eigenaar van een beschermd monument subsidie verstrekken ten behoeve van de restauratie van dat monument dat een nieuwe functie krijgt of waarvan de functie na leegstand wordt hersteld, en waarvan de subsidiabele kosten ten minste € 500.000 bedragen.

2. In geschil is of verweerder de subsidieaanvraag op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Restauratieregeling mocht afwijzen.

3. Verweerder stelt dat met het plan van eiser geen sprake is van herbestemming in de zin van de Restauratieregeling, zodat het plan niet in aanmerking komt voor verstrekking van subsidie. Volgens verweerder bestaat er onvoldoende zekerheid over de daadwerkelijke uitvoering van het plan. Herbestemmingsplannen dienen volgens verweerder niet eerst na het verkrijgen van subsidie te worden uitgewerkt, maar al ontwikkelde en uitvoerbare plannen kunnen worden gesteund door middel van verstrekking van subsidie ten behoeve van de casco-restauratie van een monument. Anders bestaat het risico dat het monument na restauratie leeg komt te staan dan wel leeg blijft staan. Leegstand na restauratie is volgens verweerder niet in overeenstemming met de achterliggende gedachte van herbestemming van de Restauratieregeling.

4.1. In de algemene toelichting behorende bij de Restauratieregeling (Staatscourant 2010, nummer 9948, 29 juni 2010) staat onder meer: “Herbestemmen van (monumentale) gebouwen is actueel en vormt een van de drie pijlers van de modernisering van de monumentenzorg. Onze leefomgeving transformeert voortdurend. Het komt voor dat gebouwen hun functie verliezen, verwaarloosd raken en vervolgens worden gesloopt. Hierdoor gaat te vaak waardevol cultureel erfgoed verloren. Sloop gaat bovendien in tegen het streven naar duurzaamheid. Investeren in zorgvuldige herbestemming kan uitkomst bieden: zoeken naar nieuwe functies, zodat een gebouw, complex of terrein van nut kan zijn voor zijn gebruikers en het cultureel erfgoed behouden kan blijven.

Eigenaren kunnen voor restauratieprojecten een beroep doen op deze regeling ingeval de restauratie gepaard gaat met herbestemming. Hiervan is sprake als het beschermd monument een nieuwe functie krijgt of als de functie van het beschermd monument na een periode van leegstand wordt hersteld.”

In de toelichting bij artikel 4 van de Restauratieregeling staat onder meer: “Met herbestemming wordt bedoeld het geven van een nieuwe functie aan een beschermd monument en/of het herstellen van de functie die het beschermd monument had voor een periode van leegstand. Het doel van herbestemming is het tegengaan van leegstand door het monument blijvend van een functie te voorzien. In geval van leegstand kan het verval immers toeslaan, waardoor belangrijke monumentale waarden verloren kunnen gaan.”

Anders dan eiser leest de rechtbank in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Restauratieregeling een adequate vertaling van de achterliggende ‘herbestemmingsgedachte’ die verweerder bij de monumentenzorg voorstaat.

4.2. De rechtbank stelt vast dat eiser bij zijn subsidieaanvraag het document ‘[naam document] (het ontwikkelingsplan) van 16 november 2009 heeft overgelegd. Hierin staat onder meer: “Het hierna volgend plan heeft niet de pretentie een kant en klare oplossing te zijn. Het is een geïllustreerde gedachte om de kerk de functie van dorpscentrum te geven. Het dorpscentrum zou een ruimte moeten zijn voor trouwen, rouwen, cultuur en partijen. Hier zou ook het informatiecentrum van de Westfriese Omringdijk in kunnen worden gevestigd.

Naast het dorpscentrum zou in de voorkerk een restaurant gesitueerd kunnen worden met een groot terras. Later kan daar een serre uitbouw buiten de huidige kerk aan toegevoegd worden.”

Eiser heeft ter zitting verklaard dat nog geen sprake is van een definitief herbestemmingsplan. Er wordt thans onderzoek verricht naar een drietal functies. Daarnaast is niet uitgesloten dat de kerk, indien er geen andere bestemming voor wordt gevonden, zal worden gesloten. De plannen ten behoeve van de nieuwe functie kunnen, aldus eiser, eerst concreet vorm krijgen nadat subsidie is verstrekt.

4.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het door eiser uit eigen beweging bij de aanvraag gevoegde ontwikkelingsplan mocht betrekken bij zijn behandeling van die aanvraag. Dat in de Restauratieregeling niet expliciet staat vermeld dat de subsidieaanvraag vergezeld dient te gaan van zo’n plan en dat eiser dus niet verplicht was het te verstrekken, zoals eiser heeft betoogd, brengt hierin geen verandering.

Verweerder heeft zich vervolgens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het ontwikkelingsplan voldoende concreet moet zijn om tot het verstrekken van subsidie te kunnen overgaan. Verstrekking van subsidie is immers mogelijk voor de restauratie van een monument dat een nieuwe functie krijgt. Het eerst concreet uitwerken van een herbestemmingsplan na subsidieverlening past hierbij niet.

Gezien het ontwikkelingsplan, waarin wordt gesproken van een “geïllustreerde gedachte”, en de toelichting bij de Restauratieregeling is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onvoldoende zekerheid bestaat over de daadwerkelijke uitvoering van het ontwikkelingsplan. Eiser heeft ter zitting ook erkend dat van een uitgewerkt plan geen sprake is. En al wat eiser verder heeft aangevoerd kan geen verandering brengen in het ontbreken van een voldoende concreet herbestemmingsplan. Verweerder concludeert dan ook terecht dat geen sprake is van herbestemming van de kerk in de zin van de Restauratieregeling.

5. Voor zover eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft willen doen door te stellen dat zijn aanvraag niet wezenlijk verschilt van andere subsidieaanvragen waarop wel positief is beslist, slaagt dat beroep niet. Eiser heeft geen concrete, gelijke gevallen genoemd waarin wel subsidie is verstrekt.

6. De rechtbank concludeert dat verweerder eisers subsidieaanvraag op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Restauratieregeling mocht afwijzen. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzitter, mr. P.H. Lauryssen en

mr. drs. M.M. Kaajan, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2012.

de griffier is door afwezigheid

niet in staat deze uitspraak

te ondertekenen

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.