Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX6352

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
27-06-2012
Datum publicatie
03-09-2012
Zaaknummer
388816 \ CV EXPL 11-6821
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert schadevergoeding van de producent/leverancier primair op grond van productaansprakelijkheid, subsidiair op grond van onrechtmatige daad. In het midden kan blijven welke grondslag aan de vordering ten grondslag dient te liggen, nu er sprake is van verjaring.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 191
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 388816 \ CV EXPL 11-6821 (rvk)

Uitspraakdatum: 27 juni 2012

Vonnis in de zaak van:

[naam], wonende te [plaats]

eisende partij

verder ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. J.W.H. Vader, advocaat te Alkmaar

tegen

de besloten vennootschap Norvold International B.V., statutair gevestigd te Hilversum en kantoorhoudende te Soesterberg

gedaagde partij

verder ook te noemen: Norvold

gemachtigde: mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht.

Het procesverloop

[eiser] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 8 november 2011.

[eiser] heeft producties overgelegd.

Norvold heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 8 mei 2012, in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden.

Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.[eiser] heeft in 2001 een natuurstenen vloer Crema Marfil 40 x 40 bij Tegelhal Bakkum & Krook B.V.(verder: Bakkum & Krook) besteld. Op haar beurt heeft Bakkum & Krook de vloer ingekocht bij Norvold.

2.Nadat de vloer in augustus 2001 is gelegd, heeft [eiser] bij Bakkum & Krook geklaagd over de slechte kwaliteit daarvan.

3.In 2006 is [eiser] een gerechtelijke procedure gestart jegens Bakkum & Krook teneinde de door hem gestelde schade te verhalen. In deze zaak is het niet tot een eindoordeel gekomen vanwege het faillissement van Bakkum & Krook op 28 juli 2009.

4.Norvold is een groothandel in natuursteen. Norvold levert onder meer natuurstenen vloer- en wandtegels, en grafstenen aan onder meer bouwmaterialenhandelaren. Norvold levert niet aan de eindconsument.

Het geschil

5.[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

PRIMAIR:

I.Norvold te veroordelen om tegen behoorlijke kwijting aan [eiser] een schadevergoeding te betalen van € 15.476,37; althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 e.v. BW vanaf 8 december 2009, althans vanaf de dag der eerste aanschrijving, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan het moment van algehele voldoening;

SUBSIDIAIR:

II.Norvold te veroordelen om binnen 1 maand na betekening van het in deze te wijzen vonnis zodanige maatregelen te treffen, dat het herstel of vervanging van de natuurstenen vloer bij [eiser] wordt bewerkstelligd, zonder (het risico van) gaten en aders of anderszins. Zulks op last van een dwangsom ad € 5.000,- per dag dat Norvold met deze veroordeling in gebreke blijft;

III.En voorts daarbij te bepalen dat [eiser] gerechtigd is, indien Norvold niettegenstaande een veroordeling zoals hiervoor onder sub II omschreven binnen 1 maand na het wijzen van het vonnis geen uitvoering geeft aan het vonnis (onverminderd de aanspraak van [eiser] op de te verbeuren dwangsommen), om uitvoering te geven aan de maatregelen, zoals omschreven in sub II, zulks echter op kosten en voor rekening van Norvold zelf (via een professionele partij);

PRIMAIR EN SUBSIDIAIR:

IV.Norvold te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting ter zake van de immateriële schade en de schade aan de overige zaken aan [eiser] te betalen een bedrag van € 3.095,31, en in het geval van een nieuw te realiseren natuurstenen vloer bij [eiser] dan wel in het geval van herstelwerkzaamheden van de huidige vloer bij [eiser], zoals omschreven in sub II, Norvold te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen alle hiervoor te maken (on)kosten van [eiser], althans subsidiair een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 e.v. BW vanaf 8 december 2009, althans vanaf de dag der eerste aanschrijving, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan het moment van algehele voldoening;

V.Norvold te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting ter zake van buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] te betalen een bedrag ad € 904 (excl. BTW) althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 e.v. BW vanaf de dag der eerste aanschrijving althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan het moment van algehele voldoening;

VI.Norvold te veroordelen in de kosten van deze procedure, daaronder begrepen alle kosten welke op de tenuitvoerlegging vallen, te vermeerderen met de nakosten ten belope van € 131,- een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, welk bedrag — voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt en het vonnis om die reden aan Norvold zal worden betekend — wordt verhoogd met een bedrag van € 73,45,- (excl. BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf de datum waarop het in deze te wijzen vonnis aan Norvold zal worden betekend.

6.[eiser] stelt hiertoe, zakelijk samengevat, het volgende.

De natuurstenen vloer vertoont ernstige en grote gebreken. Als gevolg hiervan lijdt [eiser] schade. Deze schade bestaat uit de kosten van herstel/vervanging van de vloer. Dit wordt begroot op een bedrag van € 15.476,37. Voorts heeft [eiser] immateriële schade geleden omdat hij gedurende langere tijd met een gebrekkige vloer heeft moeten leven. Tevens is er schade aan andere zaken opgetreden. Deze twee schadeposten worden begroot op € 3.095,31. [eiser] acht Norvold als producent/leverancier van de natuurstenen vloer aansprakelijk voor de schade, primair op grond van de regeling productaansprakelijkheid (art. 6:183 e.v. BW). De gebreken leveren namelijk onveilige situaties op met het risico op letsel en schade aan omringende zaken. Subsidiair is Norvold aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW). Norvold heeft producten in het verkeer gebracht die schade hebben veroorzaakt, hiermee is de onrechtmatigheid gegeven.

7.De raadsman van [eiser] heeft werkzaamheden verricht ter verkrijging van voldoening van de vordering buiten rechte. Deze kosten worden begroot op € 904,- excl. btw.

8.Norvold heeft verweer gevoerd, op welk verweer – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil wordt ingegaan.

De beoordeling

9.Het meest verstrekkende verweer van Norvold is dat [eiser] niet-ontvankelijk is omdat de vordering inmiddels verjaard/vervallen is. Op welke grond [eiser] zijn vordering ook baseert, productaansprakelijkheid of onrechtmatige daad, in beide gevallen, zo stelt Norvold, is de verjaringstermijn verstreken. Dit verweer zal hieronder besproken worden.

10.Indien de vordering gebaseerd is op de regeling productaansprakelijkheid, is de termijn uit art. 6:191 BW van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een vordering tot schadevergoeding van de benadeelde tegen de producent verjaart door verloop van drie jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde met de schade, het gebrek en de identiteit van de producent bekend is geworden of had moeten worden. Het recht op schadevergoeding vervalt door verloop van tien jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de producent het product in het verkeer heeft gebracht. Hierbij wordt overwogen dat een vordering op grond van de regeling productaansprakelijkheid slechts doel kan treffen indien een producent een product in het verkeer heeft gebracht dat schade veroorzaakt.

11.Indien de vordering gebaseerd is op een onrechtmatige daad, is de termijn uit art. 3:310 BW van toepassing. Dit artikel bepaalt – voor zover van belang – dat een rechtsvordering tot voldoening van schade verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

12.Vaststaat dat de vloer in augustus 2001 gelegd is. Gelet op de aard van de gestelde schade (loslaten van stopsels bij het drogen van de vloer) gaat de kantonrechter er van uit dat [eiser] sinds september 2001 bekend moet zijn geweest met de schade. Vervolgens wordt overwogen dat [eiser] weliswaar stelt dat hij diverse aansprakelijkstellingen aan Norvold heeft verstuurd, doch dat Norvold betwist dat zij eerder dan 8 december 2009 door [eiser] aangesproken is. Omdat [eiser] zijn stelling dat hij Norvold éérder dan 8 december 2009 heeft aangesproken, niet onderbouwt met stukken, zal deze stelling in het licht van de betwisting door Norvold als onvoldoende onderbouwd, verworpen worden.

13.[eiser] kan vanaf medio 2002 geacht worden bekend te zijn met de leverancier/producent van de stenen.

14.Vervolgens is aan de orde of [eiser] de verjaring al dan niet gestuit heeft. De omstandigheid dat Norvold door Bakkum & Krook in vrijwaring is opgeroepen is niet aan te merken als een stuiting van de verjaring. Voorts levert het feit dat [eiser] bij Bakkum & Krook heeft geklaagd, evenmin een stuiting van de verjaring op. Bakkum & Krook kan als contractspartij van [eiser] op dit punt niet gelijk gesteld worden met Norvold als producent. De klacht aan Bakkum & Krook (als dat al als een stuitingshandeling is aan te merken) kan niet zonder meer gelijk gesteld worden aan een klacht aan de producent.

15.Weliswaar is Norvold in 2002 bij [eiser] thuis geweest om de vloer te inspecteren, maar ook dit leidt niet tot een stuiting van de verjaring. Immers Norvold hoefde er geen rekening mee te houden dat zij als producent aangesproken zou worden omdat [eiser] op dat moment bij Bakkum & Krook als verkoper klaagde over de kwaliteit van de stenen. Norvold heeft onbetwist aangevoerd dat zij bij de zaak betrokken werd in haar hoedanigheid van producent/ contractspartij van Bakkum & Krook.

16.In het midden kan blijven welke grondslag aan de vordering ten grondslag dient te liggen, omdat de periode van 3 jaar na aanvang van de bekendheid van [eiser] met zowel de schade als de ‘producent’ van de stenen, alsook de termijn van vijf jaren ex art 3:310 BW ruimschoots verstreken is op het moment dat Norvold voor het eerst door [eiser] wordt aangesproken en er evenmin sprake is van een stuiting van de verjaring. Het beroep van Norvold slaagt, hetgeen betekent dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.

17.[eiser] dient als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld, met dien verstande dat de door Norvold gevorderde bedragen aan nakosten worden afgewezen, daar thans niet duidelijk is of deze kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt en zo ja tot welk bedrag. Bovendien heeft de wet hierover in artikel 237 lid 4 Rv een afzonderlijke rechtsgang voorgeschreven.

De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die tot heden voor Norvold worden vastgesteld op een bedrag van € 600,- voor salaris van de gemachtigde van Norvold, waarover [eiser] geen btw verschuldigd is.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van der Heijden, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 27 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter