Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX6175

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
135736-KG ZA 12-71
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering wijzigen hoofdverblijfplaats jongste kind in afwachting van de uitkomst van de bodemprocedure toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

CVZ/EJM

KG nummer: 135736/KG ZA 12-71

datum: 29 maart 2012

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van:

toevoeging aangevraagd

[NAAM EISER],

wonende te Birmingham (Groot-Brittannië),

EISER IN VERZET IN KORT GEDING,

advocaat mr. C.C.B. Boshouwers te Amsterdam,

tegen:

[NAAM GEDAAGDE],

wonende te Hoorn,

GEDAAGDE IN VERZET IN KORT GEDING,

advocaat mr. S.D. Bhagwandin te Hoorn.

Partijen zullen verder worden genoemd "de man" respectievelijk "de vrouw".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 19 maart 2012 zijn verschenen mr. Boshouwers voornoemd namens de man, alsmede de vrouw, bijgestaan door een tolk in de Arabische taal, de heer K. Saatchi en vergezeld van mr. Bhagwandin voornoemd.

De man heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte verzetdagvaarding.

De vrouw heeft de vordering bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van de man de originele verzetdagvaarding en van de zijde van de vrouw een pleitnotitie, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

2.1 Partijen zijn gehuwd geweest. Het huwelijk is op [datum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

2.2 Uit het huwelijk van partijen zijn vier zoons geboren, te weten:

* [kind 1], geboren op [geboortedatum 1] te Sanaa (Jemen),

* [kind 2], geboren op [geboortedatum 2] te Sanaa (Jemen),

* [kind 3], geboren op [geboortedatum 3] te Geleen,

* [kind 4], geboren op [geboortedatum 4] te Hoorn,

van wie de jongste drie nog minderjarig zijn.

2.3 Partijen hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen.

2.4 Na het feitelijk uiteengaan van partijen, in september 2010, hebben de kinderen eerst hun gewone verblijfplaats bij de vrouw gehad.

2.5 In maart 2011 is de vrouw vertrokken naar haar familie in Saoudi Arabië, om te bekijken of zij daar een nieuw leven kon opbouwen. De kinderen heeft zij achtergelaten bij de man.

2.6 De vrouw is eind november 2011 teruggekeerd in Nederland. De vrouw wilde dat de kinderen, maar in ieder geval [kind 4], weer bij haar hun gewone verblijfplaats zouden hebben. Zij heeft op 24 januari 2012 een verzoekschrift ingediend strekkende tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen. Dit verzoek is voor de eerste maal op zitting behandeld op 16 februari 2012. De stukken zijn vervolgens in handen van de Raad voor de Kinderbescherming gesteld teneinde advies uit te brengen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en over de verdeling van zorg- en opvoedingstaken welke het meest in het belang van [kind 4] is. In afwachting van de uitkomst van dat onderzoek is de verdere behandeling van de zaak pro forma aangehouden tot 6 juni 2012.

2.7 De vrouw heeft van haar oudste kinderen vernomen dat de man voornemens was naar Engeland te verhuizen en (in ieder geval) [kind 4] met zich mee te nemen. De advocaat van de vrouw heeft de man aangeschreven dat de vrouw geen toestemming verleende om [kind 4] mee te nemen naar Engeland. De vrouw heeft voorts met spoed een kort geding aangevraagd, teneinde te voorkomen dat de man met [kind 4] zou verhuizen naar Engeland. De mondelinge behandeling van dat kort geding heeft plaatsgevonden op 2 februari 2012.

2.8 De man heeft zichzelf en [kind 4] op 30 januari 2012 laten uitschrijven uit de Gemeentelijke Basisadministratie van de gemeente Hoorn.

2.9 De deurwaarder heeft de dagvaarding voor het kort geding op 31 januari 2012 te 16.43 uur achtergelaten bij de woning aan het [adresgegevens]. Uit de inhoud van een proces-verbaal van politie blijkt dat de politie de man eveneens op 31 januari 2012 rond 20.00 uur nog heeft gesproken en hem heeft meegedeeld dat hij Nederland niet mocht verlaten met [kind 4] voordat het kort geding op 2 februari 2012 zou hebben plaatsgevonden.

2.10 Tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding op 2 februari 2012 is de man niet verschenen. De voorzieningenrechter heeft op 2 februari 2012 mondeling uitspraak gedaan en de beslissing nadien schriftelijk vastgelegd in een vonnis. Dit vonnis houdt als beslissing het volgende in:

"3.1 verbiedt De man de minderjarige [kind 4], geboren op 21 mei 2006 te Hoorn, te doen verhuizen van het adres [adresgegevens];

3.2 gebiedt De man het paspoort en de overige reisdocumenten van [kind 4] af te geven aan [de man];

3.3 gebiedt De man ten behoeve van [kind 4] zijn medewerking te verlenen aan voortzetting van het onderwijs aan de [school] te Hoorn;

3.4 bepaalt dat De man 24 uur na betekening van dit vonnis een dwangsom verbeurt van [euro] 500,-- per dag of dagdeel dat hij in gebreke blijft aan de veroordelingen onder 3.1, 3.2 en 3.2 te voldoen, met een maximum van [euro] 25.000,--;

3.5 verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.6 compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.7 wijst af het meer of anders gevorderde."

2.11 Op 4 februari 2012 heeft de vrouw bij de politie te Hoorn aangifte gedaan van onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijk gezag. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de man tussen 31 januari 2012 te 21.00 uur en 1 februari 2012 te 17.00 uur de woning tezamen met [kind 4] heeft verlaten en naar Engeland is vertrokken. Hij heeft de huur van zijn woning in Hoorn met ingang van 23 februari 2012 opgezegd.

2.12 De vrouw heeft een verzoek ingesteld bij de Centrale Autoriteit om de teruggeleiding van [kind 4] te bewerkstelligen. Op 17 februari 2012 heeft de Centrale Autoriteit schriftelijk de ontvangst van dat verzoek bevestigd.

2.13 Tevens heeft de vrouw op 31 januari 2012 een verzoek tot (voorlopige) ondertoezichtstelling alsmede uithuisplaatsing met betrekking tot [kind 4] ingediend. De mondelinge behandeling van dit verzoek heeft plaatsgevonden op 16 februari 2012, gelijk met de mondelinge behandeling van de hiervoor onder 2.6 genoemde bodemprocedure. Bij die gelegenheid is de man niet in persoon verschenen, maar uitsluitend in de persoon van zijn advocaat. De kinderrechter heeft de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot uithuisplaatsing en het verzoek tot ondertoezichtstelling dan wel voorlopige ondertoezichtstelling afgewezen.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 De man vordert in verzet dat hij zal worden ontheven van de veroordelingen tegen hem uitgesproken in het vonnis van de voorzieningenrechter van 2 februari 2010 (de voorzieningenrechter begrijpt: 2 februari 2012) tussen de vrouw als eiseres en de man als gedaagde gewezen en uitgesproken onder zaaknummer 135023/KG ZA 12-39 en dat de vrouw alsnog niet-ontvankelijk verklaard zal worden in haar vorderingen dan wel dat de vorderingen haar worden ontzegd, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit verzet..

3.2 De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat aan hem ten onrechte een verhuisverbod is opgelegd omdat hij op de datum van de zitting reeds was verhuisd naar Birmingham. Voorts stelt hij dat het goed gaat met [kind 4] in Engeland en het niet in zijn belang geacht kan worden om nu weer teruggestuurd te worden naar Nederland. De man stelt dat om hij om die reden geen gevolg wenst te geven aan de vordering van de vrouw strekkende tot voortzetting van het onderwijs ten behoeve van [kind 4] op de [school] te Hoorn. Daarnaast stelt hij dat de vrouw ten onrechte aangifte tegen hem heeft gedaan ter zake van kinderontvoering en dat het daardoor voor hem niet mogelijk is, al dan niet met [kind 4], terug te keren naar Nederland omdat hij dan het risico loopt dat hij wordt aangehouden door de politie. Hierdoor kan hij op dit moment niet zijn medewerking verlenen aan omgang van [kind 4] met de vrouw en zijn broers.

3.3 De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de gevorderde vernietiging van het vonnis op de gronden zoals in de dagvaarding verwoord. Zij heeft aangegeven haar vorderingen te willen handhaven, met dien verstande dat, nu duidelijk is dat de man reeds verhuisd was ten tijde van de terechtzitting en nog steeds met [kind 4] in Engeland verblijft, zij haar primair ingestelde vorderingen niet langer wenst te handhaven. Zij benadrukt dat zij haar subsidiaire vorderingen, strekkende tot het bepalen van de verblijfplaats van [kind 4] bij haar en de veroordeling van de man om zijn medewerking zal verlenen aan voortzetting van het onderwijs van [kind 4] op de [school], een ander op straffe van een dwangsom en met machtiging van eiseres om de veroordeling zonodig met behulp van de sterke arm ten uitvoer te doen leggen, wel wenst te handhaven.

3.4 Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna inhoudelijk op de verschillende standpunten worden ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

4.1 De verzetdagvaarding is betekend aan de vrouw op 2 maart 2012. Nu de man ter zitting van 2 februari 2012 niet was verschenen en het verstekvonnis derhalve op een later tijdstip aan hem moet zijn betekend of anderszins bekend geworden moet zijn, kan hieruit worden afgeleid dat de man tijdig (namelijk binnen vier weken na betekening van of het bekend worden met het verstekvonnis) verzet heeft aangetekend tegen het vonnis van 2 februari 2012. De man kan derhalve in zijn verzet worden ontvangen.

4.2 Aangezien de vrouw heeft verklaard haar primaire vorderingen niet langer te willen handhaven, behoeven deze geen nadere bespreking. Aangezien in het verstekvonnis een veroordeling is uitgesproken op basis van deze primaire vorderingen, zal het verstekvonnis worden vernietigd en zal opnieuw recht gedaan worden op basis van de subsidiaire vorderingen. Hieruit volgt dat de vordering van de man om ontheven te worden van de tegen hem uitgesproken veroordelingen kan worden toegewezen.

4.3 Het gaat hier om een geschil tussen voormalig echtelieden over de verblijfplaats van hun jongste zoon, [kind 4]. In het convenant dat partijen hebben opgesteld in het kader van hun echtscheiding, is bepaald dat de hoofdverblijfplaats van [kind 4] bij de man zal zijn. Ook staat vast dat de vrouw in maart 2011 Nederland heeft verlaten en naar Saoudi Arabië is vertrokken, met achterlating van [kind 4] en zijn oudere broers bij de man. Zij wilde in Saoudi Arabië met de hulp van haar familie een nieuw leven opbouwen. Ter zitting heeft zij verklaard dat het haar bedoeling was om, als dat zou zijn gelukt, de kinderen eveneens naar Saoudi Arabië te laten komen, maar dat zij dit niet met de man heeft besproken. De vrouw is echter eind november 2011 naar Nederland teruggekeerd, deels omdat haar familie in Saoudi Arabië niet de middelen had om haar verder te helpen en deels omdat zij haar kinderen miste. Vanaf dat moment heeft de vrouw aangegeven dat zij graag wilde dat de kinderen bij haar zouden komen wonen.

4.4 Van de oudere kinderen heeft de vrouw vernomen dat de man zijn plan om met het gezin naar Engeland te verhuizen (welk plan hij ook reeds had toen partijen nog gehuwd waren) nog niet had laten varen en voorbereidingen trof om dit nu door te zetten. De vrouw heeft vervolgens aan de man kenbaar gemaakt dat zij niet wilde dat hij met de kinderen zou vertrekken en heeft zich tot haar advocaat gewend, die voor haar de bodemprocedure strekkende tot wijziging van de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij deze rechtbank aanhangig heeft gemaakt. In die procedure zijn, na een eerste mondelinge behandeling, de stukken in handen gesteld van de Raad voor de Kinderbescherming om advies uit te brengen over de beste regeling voor de kinderen. De eindbeschikking in die bodemprocedure zal- gelet op het lopende onderzoek en de eventuele verdere behandeling - niet eerder dan over enige maanden te verwachten zijn. Om het verdere verloop van die procedure niet bij voorbaat kansloos te maken (omdat [kind 4] dan mogelijk al teveel gewend zal zijn geraakt in Engeland) is de voorzieningenrechter van oordeel dat het op dit moment het meest in het belang van [kind 4] geacht moet worden dat alle mogelijkheden voor hem open gehouden worden en hij - hangende de bodemprocedure - teruggebracht wordt naar Nederland, temeer nu de andere gezaghebbende ouder het met de verhuizing naar Engeland niet eens is.

4.5 [kind 4] is nog jong (5 jaar) en verblijft nu nog maar kort in Engeland, zodat de terugkeer naar Nederland voor hem op dit moment nog zonder al te veel problemen kan verlopen, terwijl indien de rechtbank zal oordelen dat het in het belang van [kind 4] geacht wordt dat hij zijn verblijfplaats bij de man zal hebben, hij dan alsnog aan de gewenningsprocedure in Engeland zal kunnen beginnen. Vervolgens dient aan de orde te komen waar [kind 4] dan (hangende de bodemprocedure) in Nederland verblijf moet hebben. Door de vrouw is gevorderd dat bepaald zal worden dat [kind 4] bij haar zijn verblijfplaats zal hebben. In dat verband heeft zij onder meer aangevoerd dat ook de broers van [kind 4] nu bij haar verblijven en het in het belang van [kind 4] geacht moet worden de band met zijn broers wordt hersteld en zij heeft er op gewezen dat zij inmiddels beschikt over geschikte woonruimte voor haarzelf en de kinderen. Gelet op het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [kind 4] er op dit moment het meest bij gebaat is dat hij zijn verblijfplaats voorlopig bij de vrouw zal hebben zodat de vordering van de vrouw om de verblijfplaats van [kind 4] voorlopig bij haar te bepalen, kan worden toegewezen, op de wijze als hierna te vermelden.

4.6 Ook de vordering om de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan voortzetting van het onderwijs van [kind 4] op de [school] te Hoorn kan worden toegewezen, op de wijze als hierna te vermelden.

4.7 Nu de man zonder toestemming van de vrouw met [kind 4] is verhuisd naar Engeland, ziet de voorzieningenrechter aanleiding ook de gevorderde dwangsommen toe te wijzen, zij het dat deze telkens zullen worden gematigd en er een maximum verbonden zal worden aan de te verbeuren dwangsommen. Nu de dwangsommen als prikkel tot nakoming worden toegewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding op dit moment tevens een machtiging te verlenen aan de vrouw om het vonnis zo nodig met behulp van de sterke arm ten uitvoer te doen leggen.

4.8 Aangezien partijen voormalige echtelieden zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt, zowel in de verstekzaak als in deze verzetprocedure.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- verklaart het verzet gegrond;

- vernietigt het bij verstek gewezen vonnis van 2 februari 2012 onder zaak- en rolnummer 135023/KG ZA 12-39;

- bepaalt dat de verblijfplaats van [kind 4], geboren op [geboortedatum 4], voorlopig, totdat hieromtrent in de reeds aanhangige bodemprocedure zal zijn beslist, bij de vrouw zal zijn en dat [kind 4] binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw zal worden afgegeven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van [euro] 500,-- per dag dat de man na ommekomst van deze termijn in gebreke blijft hieraan te voldoen, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van [euro] 25.000,--;

- veroordeelt de man zijn medewerking te verlenen aan voortzetting van het onderwijs van [kind 4] aan de [school] te Hoorn, door zijn toestemming daarvoor aan de school kenbaar te maken binnen 24 uur nadat de vrouw hem hierom heeft verzocht, op straffe van verbeurte van een dwangsom van [euro] 250,-- per dag dat de man na betekening van dit vonnis hieraan niet zijn medewerking verleent, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van [euro] 5.000,--;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. E.J. van der Molen, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 maart 2012 in tegenwoordigheid van C. Vis-van Zanden, griffier.