Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX6173

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-06-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
131310 - ES RK 11-988
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In een echtscheidingsprocedure verzoekt de vrouw als nevenvoorziening te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de beide minderjarige kinderen van partijen bij haar zal zijn, ook als zij naar de Verenigde Staten van Amerika verhuist. Daarnaast vraagt de vrouw in de echtscheidingsprocedure als nevenvoorziening vervangende toestemming om met de minderjarigen te verhuizen naar de VS. Beide verzoeken worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

BB

zaak- en rekestnummer: 131310 / ES RK 11-988

datum: 21 juni 2012

Beschikking van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[NAAM VERZOEKSTER], blijkens de inlichtingen basisadministratie persoonsgegevens van 13 juli 2011 van de gemeente Schermer aldaar ingeschreven als [NAAM VERZOEKSTER],

wonende te Schermerhorn, gemeente Schermer,

verzoekende tevens verwerende partij,

advocaat mr. M.A. Stammes,

tegen:

[NAAM GEREKWESTREERDE],

wonende te Schermerhorn, gemeente Schermer,

gerekwestreerde, tevens verzoekende partij,

advocaat mr. M. Strijbis-van der Raaij.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de vrouw en de man.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 17 augustus 2011 het inleidende verzoekschrift van de vrouw ingekomen waarin wordt verzocht tussen partijen echtscheiding uit te spreken.

Voorts is hierbij verzocht nevenvoorzieningen als bedoeld in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te treffen.

De man heeft bij verweerschrift, tevens verzoekschrift, verweer gevoerd tegen alle door de vrouw verzochte nevenvoorzieningen, en zich ten aanzien van de echtscheiding gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voorts heeft de man zijnerzijds de rechtbank verzocht echtscheiding uit te spreken, alsmede nevenvoorzieningen als bedoeld in artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering te treffen.

De man heeft bij bericht van 10 november 2011 een rechtskeuze gedaan voor toepassing van het Nederlandse recht op het verzoek tot echtscheiding.

Op 9 december 2011 is ter griffie ingekomen een verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw.

Naar aanleiding van een schriftelijk verzoek van de rechtbank van 27 januari 2012 heeft de man zich bij bericht van 16 februari 2012 uitgelaten over het door de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar (verder: de Raad) uitgebrachte rapport en advies. De vrouw heeft zich hieromtrent uitgelaten bij brief van 29 februari 2012.

Bij de stukken bevindt zich een nader rapport en advies van de Raad gedateerd 16 april 2012.

De vrouw heeft bij brieven van 3 mei 2012 en 9 mei 2012 nog nadere (financiële) stukken overgelegd en de man heeft bij brieven van 4 mei 2012 en 8 mei 2012 nog nadere stukken overgelegd.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 mei 2012, alwaar zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Stammes, de man, bijgestaan door mr. Koppenberg namens mr. Strijbis-van der Raaij, alsmede mevrouw [naam 1] namens de Raad. Voorts is verschenen mevrouw S. Palliser die ten behoeve van de vrouw is opgetreden als tolk in de Engelse taal.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

Het ingediende verzoekschrift met overgelegde bescheiden voldoet aan de in artikel 815 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering vermelde voorschriften.

De rechtbank heeft de in deze beschikking vermelde voornamen en geslachtsnamen van partijen en de datum en plaats van de huwelijksvoltrekking, alsmede voornamen, geboortedatum en -plaats van hun minderjarige kinderen overgenomen uit de desbetreffende bescheiden.

Door de omstandigheid dat partijen beiden Amerikaans burger zijn, terwijl de man daarnaast de Nederlandse nationaliteit bezit, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter zodat eerst de vraag dient te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt.

Deze vraag kan ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding in bevestigende zin worden beantwoord, nu uit de overgelegde stukken is gebleken dat partijen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.

Met betrekking tot de nevenvoorziening ten aanzien van de echtelijke woning komt de rechtbank rechtsmacht toe omdat de woning in Nederland is gelegen.

Met betrekking tot de overige nevenvoorzieningen komt de rechtbank rechtsmacht toe op grond van de woonplaats van partijen en de gewone verblijfplaats van de minderjarigen.

Vervolgens komt aan de orde welk rechtsstelsel op het verzoek tot echtscheiding en de nevenvoorzieningen van toepassing is.

Op het verzoek tot echtscheiding is het Nederlandse rechtsstelsel van toepassing, aangezien de man een daartoe strekkende rechtskeuze heeft gedaan en de vrouw deze keuze niet heeft weersproken.

De nevenvoorziening tot toekenning van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw ten laste van de man wordt beheerst door het Nederlandse rechtsstelsel nu de alimentatiegerechtigde haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

Op de nevenvoorziening tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning is het Nederlandse rechtsstelsel van toepassing, aangezien die woning in Nederland is gelegen.

Op de (neven)voorziening met betrekking tot het gezag (c.a.) is het Nederlandse rechtsstelsel van toepassing, nu gebleken is dat de minderjarigen in Nederland hun gewone verblijfplaats hebben.

Het gestelde omtrent de huwelijkssluiting, de minderjarigen en de nationaliteit van partijen staat als erkend en gedeeltelijk gestaafd door de overgelegde bescheiden vast.

De over en weer verzochte echtscheiding kan, gelet op het toepasselijke recht, nu de gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is komen vast te staan, worden toegewezen.

De ouders blijven ingevolge artikel 251 lid 2 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gezamenlijk belast met het gezag over de minderjarigen:

[kind 1], geboren te Pomona, New Jersey, Verenigde Staten van Amerika op 26 januari 2001, en

[kind 2], geboren te Vineland, New Jersey, Verenigde Staten van Amerika op 19 september 2007.

Noch door de vrouw noch door de man is een gemeenschappelijk dan wel een eenzijdig opgesteld ouderschapsplan overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam gebleken dat van partijen overlegging van een door hen beiden ondertekend ouderschapsplan niet kan worden gevergd.

Tussen partijen is in geschil de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen, de door de vrouw verzochte vervangende toestemming tot verhuizing naar de Verenigde Staten van Amerika, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw en het voortgezet gebruik van de echtelijke woning.

Bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen/ de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, alsmede het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering in haar levensonderhoud afwijzen, nu uit de door de man overgelegde draagkrachtberekening met onderliggende bewijsstukken voldoende is komen vast te staan dat bij de man de draagkracht ontbreekt om enige bijdrage te betalen. Beoordeling van de hoogte van de behoefte van de minderjarigen, alsmede de behoefte van de vrouw kan op grond hiervan onbesproken blijven.

Hoofdverblijfplaats van de minderjarigen

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij haar hebben. De vrouw heeft aangegeven dat zij altijd de verzorgende ouder van de kinderen is geweest. Het zwaartepunt van de verzorging en opvoeding van de kinderen ligt bij haar. Aan het gezinsverband met de vrouw dient dan ook een groot gewicht te worden toegekend.

De man heeft naar voren gebracht dat de vrouw voornemens is om met de kinderen naar de Verenigde Staten af te reizen en dat hij bang is zijn kinderen daardoor nooit meer te zien. De man wenst daarom dat beide kinderen hun hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben.

De Raad heeft geadviseerd om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] bij de vrouw te bepalen, ook indien zij zou terugkeren naar de Verenigde Staten. De Raad heeft daartoe aangevoerd dat de ouders verschillende opvoedingsstijlen hebben. Met name [kind 1] heeft behoefte aan structuur en begrenzing, hetgeen de vrouw de kinderen meer kan bieden dan de man. Tevens lijkt de vrouw beter in te kunnen schatten wat voor impact de scheiding op de kinderen heeft en heeft zij ten opzichte van de Raad duidelijk aangegeven er alles aan te zullen doen om de kinderen contact met de man te laten behouden. Zij heeft zich flexibel getoond door in te stemmen met een ruimere omgangsregeling dan de rechtbank had bepaald.

Wat betreft de man is gebleken dat deze [kind 1] betrekt in de strijd die hij met de vrouw heeft. De Raad maakt zich zorgen over de inzet van de man om de kinderen te stimuleren in het contact met de vrouw. De man heeft aangegeven veel stress en woede in zich te hebben, hetgeen de communicatie met de vrouw lijkt te belemmeren. De man heeft moeite om deze woede en stress bij de kinderen vandaan te houden.

De Raad is van mening dat ook in het geval de vrouw terugkeert naar de Verenigde Staten de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw dienen te hebben, ook al betekent dit tevens een verliessituatie voor in de eerste plaats de minderjarigen, maar ook voor de man.

Bij de beantwoording van de vraag bij wie van de ouders de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen dient te worden bepaald staan de belangen van de minderjarigen voorop. De rechtbank heeft de Raad verzocht hiernaar onderzoek te verrichten en hierover advies uit te brengen. Uit het rapport van de Raad van 23 januari 2012 en de mondelinge toelichting ter terechtzitting blijkt dat de Raad, alle omstandigheden tegen elkaar afwegende, adviseert om de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen te bepalen bij de vrouw. Er is de rechtbank niet gebleken van redenen om af te wijken van dit advies en daarom sluit zij zich hierbij aan.

De rechtbank overweegt in het bijzonder dat de vrouw de hoofdopvoeder is en dat zij zich, zo blijkt ook uit het raadsrapport, volwassen en op constructieve wijze opstelt, dan wel tracht op te stellen, in de gerezen conflicten tussen de ouders. Zij stimuleert de kinderen in het contact met de man en zij probeert hen buiten de echtscheidingsstrijd te houden. De man heeft daarentegen dermate veel woede in zich dat de behandelend maatschappelijk werker hem met klem heeft geadviseerd om hier hulp voor te zoeken. De maatschappelijk werker heeft hierbij naar de man toe benadrukt dat de woede van de man jegens de vrouw tevens schadelijk is voor de kinderen. De man heeft zich vervolgens tot een andere maatschappelijk werker gewend. De man heeft aan de Raad aangegeven niets meer met de vrouw te maken te willen hebben. De man lijkt alleen te zijn gericht op zijn terugkeer naar de echtelijke woning met de kinderen. Hij lijkt niet te handelen vanuit het belang van de minderjarigen.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de belangen van de minderjarigen het meest gediend zijn als zij hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw op dit onderdeel derhalve toewijzen, onder gelijktijdige afwijzing van het verzoek van de man.

Vervangende toestemming voor verhuizing naar de Verenigde Staten van Amerika

Over de verhuizing heeft de vrouw het volgende aangevoerd. De vrouw heeft de Amerikaanse nationaliteit en zij heeft tot 2009 altijd in de Verenigde Staten gewoond. Zij is in 2009 met het oog op het gezinsverband met de man, op zijn verzoek, naar Nederland verhuisd. Kort hierna heeft de man de relatie tussen partijen verbroken.

De vrouw leidt in Nederland, onvrijwillig, een geïsoleerd bestaan. Haar familie en haar gehele sociale netwerk bevinden zich in de Verenigde Staten. De vrouw heeft in de Verenigde Staten een goede opleiding genoten waardoor zij aldaar goede vooruitzichten heeft op een baan. In Nederland kan zij, met name vanwege het feit dat zij de Nederlandse taal niet voldoende beheerst, niet profiteren van de door haar genoten opleiding. Haar kansen op de arbeidsmarkt zijn zeer beperkt gebleken. Zij leeft noodgedwongen van een bijstandsuitkering. De vrouw heeft zowel emotioneel als financieel grote moeite om zich in Nederland staande te houden.

De vrouw heeft voorts aangevoerd dat de man in de Verenigde Staten eveneens veel familie heeft, daar 20 jaar gewoond heeft en altijd een goede baan heeft gehad als automonteur. Op een dergelijke betrekking heeft hij ook thans weer goede vooruitzichten. Het is daarom voor de man relatief eenvoudig om zich opnieuw te vestigen in de Verenigde Staten.

De vrouw heeft ter zitting verder nog aangegeven dat niet duidelijk is of de IND haar na de echtscheiding een verblijfsvergunning voor Nederland zal toekennen.

De man is van mening dat het in het belang van de kinderen is om in Nederland te kunnen opgroeien. Hij acht de woon- en schoolomgeving in de Verenigde Staten niet veilig. De man voert daartoe aan dat in New Jersey in de buurt waar de vrouw met de kinderen wil gaan wonen, veel jeugdbendes actief zijn. De man betwist verder dat de vrouw in New Jersey over een woning kan beschikken omdat haar woning is verhuurd aan familieleden en hij stelt dat van de directe familieleden van de vrouw alleen een halfzus in New Jersey woonachtig is. Gelet hierop zal er zijns inziens sprake zijn van een onveilige en onstabiele opgroeisituatie van de minderjarigen in de Verenigde Staten.

De man heeft verder naar voren gebracht dat hij meer binding heeft met Nederland dan met de Verenigde Staten. Hij heeft in Nederland inmiddels werk en ook heeft hij een woning gekocht. Bovendien is zijn directe familie in Nederland woonachtig. De man is derhalve niet bereid om terug te verhuizen naar de Verenigde Staten.

Zoals reeds vermeld heeft de Raad in haar rapportage van 23 januari 2012 geadviseerd om de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw te laten hebben. In een aanvullende rapportage van de Raad van 16 april 2012 heeft de Raad herhaald dat de minderjarigen hun hoofdverblijf het beste bij de vrouw kunnen hebben, ook bij terugkeer van de vrouw naar de Verenigde Staten. De Raad heeft hiertoe aangehaald dat de vrouw het beste lijkt in te schatten wat voor impact de scheiding op de kinderen heeft en de vrouw het beste in staat lijkt om de kinderen het contact met de andere ouder te laten onderhouden.

De Raad heeft voorts aangegeven dat de kinderen in de Verenigde Staten zijn geboren en zij daar tot 2009 hebben gewoond. Een terugkeer naar de Verenigde Staten betekent voor hen een terugkeer naar hun oude, vertrouwde, woonomgeving en schoolsituatie. De kinderen hebben, evenals met Nederland, een binding met de Verenigde Staten. Ze hebben daar ook familie en vrienden. De kinderen zijn bij de verhuizing naar Nederland flexibel gebleken en de Raad verwacht dat de minderjarigen zich ook in de Verenigde Staten weer gemakkelijk zullen kunnen aanpassen. In gesprekken met [kind 1] is gebleken dat [kind 1] trots is op zijn geboorteland, Amerika.

Uit het ten behoeve van de aanvullende rapportage van 16 april 2012 gevoerde tweede gesprek van de Raad met [kind 1] is echter ook een aantal zorgelijke signalen naar voren gekomen.

Op basis van dit laatste is de Raad van mening dat het op dit moment niet in het belang van de minderjarigen is om, met de vrouw, naar de Verenigde Staten te remigreren. Teneinde de remigratie soepeler te laten verlopen acht de Raad het noodzakelijk dat eerst de onderlinge communicatie tussen de ouders verbetert en dat [kind 1] hulp krijgt voor het loyaliteitsconflict waarmee hij kampt. De man verzet zich tegen terugkeer van de kinderen naar de Verenigde Staten, welke weerstand zijn weerslag zal hebben op [kind 1]. [kind 1] heeft inmiddels te kennen gegeven in Nederland te willen blijven en zich tegen een terugkeer naar de Verenigde Staten te zullen verzetten. De Raad acht de kans groot dat als de vrouw nu met de kinderen naar de Verenigde Staten zou terugkeren [kind 1] haar dit (blijvend) kwalijk zal nemen, waardoor de band tussen haar en [kind 1] in gevaar komt.

Voorts merkt de Raad op dat, voorafgaand aan een eventueel vertrek, de band tussen de man en [kind 2] kan worden verstevigd.

Desgevraagd heeft de Raad ter terechtzitting aangegeven dat indien de vrouw toch reeds thans naar de Verenigde Staten zou vertrekken, de Raad, ondanks voornoemde bezwaren, van mening is dat de minderjarigen bij de vrouw het beste af zijn.

De rechtbank is van oordeel dat het onderhavige verzoek van de vrouw voldoende samenhang vertoont met het echtscheidingsverzoek en derhalve (naast een verzoek als bedoeld in artikel 253a van boek 1 Burgerlijk Wetboek) is te beschouwen als een in artikel 827 lid 1 onder f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering genoemde nevenvoorziening.

Bij de beoordeling van het verzoek dienen de belangen van alle betrokkenen tegen elkaar te worden afgewogen. Hierbij vormen de belangen van de kinderen een eerste overweging. Daarnaast dient de rechtbank hierbij te betrekken het belang van de vrouw om met de minderjarigen naar de Verenigde Staten te vertrekken en het belang van de man om in de huidige vorm omgang met de minderjarigen te hebben en zijn vaderrol te vervullen.

Gelet op hetgeen in de stukken en ter terechtzitting naar voren is gebracht overweegt de rechtbank hieromtrent als volgt.

Zoals in het voorgaande overwogen acht de rechtbank het in het belang van de minderjarigen dat zij hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw. In beginsel is het de ouder bij wie de kinderen hun gewone verblijfplaats hebben, toegestaan om met de kinderen te verhuizen. In geval van emigratie kan dit vanwege de ingrijpende gevolgen die dit kan hebben voor het contact tussen de kinderen en de andere ouder anders liggen. Uitgangspunt is immers tevens dat de kinderen recht hebben op een gelijkwaardige opvoeding door beide ouders, en daarnaast recht en belang hebben bij omgang met beide ouders. De rechtbank verwijst terzake naar de uitspraak van het gerechtshof te Amsterdam van 3 november 2009, LJN: BK2832. De vraag is of in dit geval het belang van de vrouw om terug te keren naar de Verenigde Staten en zich daar weer te vestigen zo zwaarwegend is dat de belangen van de minderjarigen en de man bij voortzetting van contact en omgang tussen hen, met de huidige frequentie, daarvoor moet wijken.

De volgende feiten en omstandigheden acht de rechtbank van belang.

De vrouw is op uitdrukkelijk verzoek van de man en met de intentie samen met hem en de

kinderen een nieuw bestaan op te bouwen vanuit de Verenigde Staten naar Nederland gekomen. Met de echtscheiding is voor haar de reden voor haar vertrek uit de Verenigde Staten komen te vervallen. De vrouw is geboren en getogen in de Verenigde Staten. Zij heeft daar haar familie en vrienden, een eigen woning en veel meer kans op een baan op haar niveau. In Nederland leidt zij een geïsoleerd bestaan, zeker afgezet tegen haar bestaan in de Verenigde Staten, en is het haar nog niet gelukt om werk te vinden waardoor zij is aangewezen op een bijstandsuitkering. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van de vrouw dat zij geestelijk en emotioneel lijdt onder het gemis van haar familie en het ontbreken van een baan, en dat dit ongewild zijn weerslag heeft op de kinderen. Dit wordt ook bevestigd door de maatschappelijk werkster, mevrouw [naam 2]

Voorts weegt de rechtbank mee dat niet is gebleken dat de man op enigerlei wijze heeft geprobeerd de integratie van de vrouw in de Nederlandse samenleving te vergemakkelijken.

De rechtbank acht op basis van de verklaring van de vrouw ter terechtzitting en de rapportages van de Raad aannemelijk dat een negatieve beslissing met betrekking tot de verhuizing de vrouw dusdanig uit balans zal brengen dat dit de minderjarigen zal schaden. De belangen van de minderjarigen hangen op dit punt derhalve direct samen met de belangen van de vrouw.

De rechtbank betrekt bij haar beoordeling bovendien het gegeven dat beide minderjarigen geboren zijn in de Verenigde Staten en zij, totdat zij in 2009 naar Nederland kwamen, daar altijd hebben gewoond. Een terugkeer naar de Verenigde Staten betekent voor hen een terugkeer naar hun oude woonomgeving en schoolsituatie. De minderjarigen hebben in de Verenigde Staten familie en vrienden met wie zij gedurende hun verblijf in Nederland contact gehouden hebben. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat er geen wezenlijke beperkingen zijn om het leven aldaar weer op te pakken. Daartoe heeft zij informatie over haar woning en de voormalige school van de kinderen overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw de door haar gewenste verhuizing naar de Verenigde Staten goed voorbereid en doordacht. Met de door de man overgelegde algemene informatie acht de rechtbank niet aannemelijk geworden dat er bij terugkeer naar de Verenigde Staten sprake zou zijn van een onveilige en instabiele opvoedingssituatie.

Vast staat voorts dat door terugkeer van de vrouw en de kinderen naar de Verenigde Staten het contact en de omgang tussen de man en de minderjarigen, nu de man niet wenst terug te gaan, drastisch wordt teruggebracht, en zijn mogelijkheid tot het vervullen van zijn vaderrol sterk wordt beperkt. Gelet op de reisafstand tussen Nederland en de Verenigde Staten en de daarmee gepaard gaande reiskosten zal omgang tussen de man en de minderjarigen alleen in vakanties kunnen plaatsvinden. Wel zal veelvuldig contact mogelijk zijn via internet door middel van skypen, het plaatsen van foto's en e-mail en dergelijke.

De rechtbank betrekt bij haar afwegingen tevens dat de vrouw heeft duidelijk gemaakt er alles aan te zullen doen om de omgang en het contact tussen de man en de kinderen zo goed mogelijk vorm te geven en zij hiertoe ook concrete voorstellen heeft gedaan. Zij heeft haar inzet eerder getoond door in te stemmen met een ruimere omgangsregeling dan door de rechtbank is bepaald.

De Raad adviseert om de vervangende toestemming voor het vertrek van de vrouw naar de Verenigde Staten vooralsnog niet te verlenen zodat eerst de communicatie tussen partijen kan worden verbeterd. De rechtbank stelt voorop dat zij de wenselijkheid van het verbeteren van de communicatie tussen partijen onderschrijft. Het is de rechtbank op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting evenwel in het geheel niet gebleken dat er enig aanknopingspunt is voor conflictoplossing of communicatieverbetering. De man heeft aangegeven niets meer met de vrouw te maken te willen hebben en geen geloof te hechten aan mediation. Gelet op de onderlinge verhoudingen is ook niet te verwachten dat hier binnen afzienbare termijn verandering in komt. Ook de Raad heeft ter terechtzitting, desgevraagd, aangegeven niet te weten op welke wijze een verbetering van de communicatie tussen partijen gerealiseerd kan worden. Overigens, gezien genoemd advies, wekt evenmin vertrouwen het gegeven dat de man ook belang heeft bij het in stand laten van het huidige gebrek aan communicatie.

Daar komt bij dat de rechtbank met partijen het zowel emotioneel als praktisch gezien in het belang van de minderjarigen acht dat er op korte termijn duidelijkheid komt over hun woonplek.

De tweede reden voor de Raad om remigratie thans nog uit te willen stellen is het loyaliteitsconflict waar [kind 1] mee kampt. De Raad heeft daarover aangegeven dat er zorgen bestaan over de opstelling van de man, nu er bij [kind 1] in een paar maanden tijd een loyaliteitsconflict is onstaan dat mede is ingegeven door de zichtbare weerstand bij de man tegen de vrouw en haar eventuele vertrek samen met de minderjarigen naar de Verenigde Staten. De man heeft de minderjarigen hierdoor -bewust of onbewust- midden in de strijd geplaatst. De Raad is van mening dat [kind 1] bij dit loyaliteitsconflict dient te worden geholpen. De rechtbank deelt ook op dit punt de zorgen van de Raad maar heeft, gezien alle genoemde omstandigheden en de verdere inhoud van de raadsrapporten, de verwachting dat uitstel van de verhuizing er eerder toe zal leiden dat dit loyaliteitsconflict wordt verhevigd dan dat dit wordt verminderd. De rechtbank baseert deze inschatting op het feit dat blijkens de raadsrapportages de visie van [kind 1] over de vrouw in slechts drie maanden tijd in opvallend negatieve zin is veranderd en [kind 1], aldus de Raad, op een verwijdering met de vrouw lijkt af te stevenen. [kind 1] laat zich, in tegenstelling tot in het eerste gesprek met de Raad, thans ook negatief uit over Amerika. De rechtbank wijdt de veranderde houding van [kind 1] met name aan de opstelling van de man.

De rechtbank is van oordeel, evenals de vrouw, dat hulp aan [kind 1] ook in de Verenigde Staten kan plaatsvinden. De vrouw heeft ter zitting verklaard hier zorg voor te zullen dragen. Nu zij zich tot op heden constructief en meewerkend heeft opgesteld heeft de rechtbank geen aanleiding om aan deze toezegging van de vrouw te twijfelen.

Tot slot heeft de Raad in haar rapport van 16 april 2012 gewezen op de wenselijkheid om vóór vertrek de band tussen de man en [kind 2] te verstevigen. De rechtbank begrijpt dit standpunt van de Raad aldus dat in de visie van de Raad versteviging van deze band op zichzelf niet tot uitstel van de verhuizing behoeft te leiden. Nu de Raad evenwel op andere gronden vindt dat nog gewacht moet worden met verhuizing naar de Verenigde Staten, is de Raad van mening dat de gelegenheid moet worden benut om ook hieraan te werken. De rechtbank onderschrijft deze visie.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat, alles afwegende reeds thans aan de vrouw toestemming moet worden verleend om met de minderjarigen naar de Verenigde Staten te verhuizen.

Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat het bovenstaande betekent dat van de man verwacht mag worden dat indien hij de paspoorten van [kind 2] en [kind 1] nog in zijn bezit heeft, hij deze zo spoedig mogelijk aan de vrouw overhandigt.

Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor een achterblijvende ouder moeilijk is om de kinderen te laten gaan, benadrukt de rechtbank het belang dat de minderjarigen, in het bijzonder [kind 1], ondersteund worden en zij alsnog de emotionele toestemming van hun vader krijgen voor vertrek met de vrouw naar de Verenigde Staten.

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

De man heeft aan de rechtbank een tweetal verzoeken tot vaststelling van een omgangsregeling voorgelegd. Het ene verzoek heeft betrekking op omgang tussen hem en zijn kinderen indien de vrouw in Nederland woonachtig blijft, het andere verzoek gaat uit van de situatie dat de vrouw met de kinderen toestemming krijgt om terug te keren naar de Verenigde Staten. De man heeft in dit verband nog aangevoerd dat in het laatste geval, gelet op de grote afstand tussen Nederland en de Verenigde Staten en de financiële situatie van partijen, er in de praktijk geen sprake zal kunnen zijn van fysiek contact tussen de man en de minderjarigen.

De vrouw acht het in het belang van de minderjarigen dat de omgang tussen de man en hen zo goed mogelijk wordt gewaarborgd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Herhaald zij dat de rechtbank zal bepalen dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben en dat het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming tot verhuizing naar de Verenigde Staten zal worden toegewezen. De vrouw heeft aangegeven, ongeacht de beslissing van de rechtbank, in ieder geval het grootste deel van de zomervakantie van 6 weken met de kinderen in Nederland te zullen verblijven. Gegeven die situatie is de rechtbank van oordeel dat, zowel voor de periode dat de vrouw nog in Nederland verblijft als voor de situatie na vertrek van de vrouw en de minderjarigen naar de Verenigde Staten, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken dient te worden vastgesteld. De rechtbank zal voor de periode dat de vrouw nog met de minderjarigen in Nederland woont, aansluiten bij de regeling zoals die door partijen al langere tijd wordt uitgevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierin wijziging aan te brengen.

De rechtbank acht termen aanwezig om vanaf het moment dat zij in de Verenigde Staten wonen de minderjarigen gedurende iedere zomervakantie bij de man te laten verblijven, waarbij zij minimaal een week voor aanvang van het schooljaar weer thuis bij de vrouw zullen zijn. Voorts zal de rechtbank bepalen dat de minderjarigen, jaarlijks wisselend, de kerstvakantie of de voorjaarsvakantie bij de man zullen doorbrengen.

De rechtbank gaat er van uit dat, zoals de vrouw reeds heeft voorgesteld, partijen in onderling overleg een regeling zullen treffen om de kosten te dragen die verband houden met na te melden verdeling van de zorg- en opvoedingstaken na vertrek van de vrouw en de minderjarigen naar de Verenigde Staten.

Voortgezet gebruik van de echtelijke woning

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat zij gerechtigd is tot het voorgezet gebruik van de echtelijke woning, omdat de minderjarigen bij haar verblijven.

De man heeft verzocht te bepalen dat hij gerechtigd is tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning, omdat hij geen andere woonruimte heeft en thans her en der bij vrienden verblijft. Daarnaast heeft de man gesteld dat de vrouw de woning verwaarloost en de man niet toestaat dat hij onderhoud aan de woning verricht, alsmede dat hij, hoewel hij daartoe eigenlijk niet in staat is omdat hij ook zijn eigen woonlasten heeft, momenteel de volledige woonlasten voor de echtelijke woning betaalt en de vrouw weigert om in die kosten bij te dragen.

Tenslotte heeft de man subsidiair verzocht dat partijen elkaar afwisselen ten aanzien van het gebruiksrecht van de woning in die zin dat de minderjarigen altijd in de woning verblijven en de ouder die op het betreffende moment de zorg heeft voor de minderjarigen, gebruik kan maken van de echtelijke woning.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw op dit onderdeel toewijzen onder gelijktijdige afwijzing van de verzoeken van de man dienaangaande. De rechtbank is van oordeel dat op grond van het feit dat de minderjarigen in hoofdzaak bij de vrouw verblijven, haar belang bij het voortgezet gebruik van de echtelijke woning dient te prevaleren boven het belang van de man. Gelet op de verstoorde relatie tussen partijen zal de uitvoering van het subsidiair verzochte door de man naar inschatting van de rechtbank op ernstige problemen stuiten en onrust veroorzaken, hetgeen niet in het belang van de kinderen is.

Informatie en consultatieregeling

De man heeft de rechtbank verzocht een informatie- en consultatieregeling vast te stellen met betrekking tot gewichtige aangelegenheden betreffende de kinderen.

De vrouw heeft zich gerefereerd voor wat betreft de door de man voorgestelde informatie en consultatieregeling. Zij heeft benadrukt dat zij op elke mogelijke manier wil bijdragen aan het in stand houden van het contact tussen de man en de minderjarigen ook indien zij in de Verenigde Staten wonen.

De rechtbank zal de door de man verzochte informatie- en consultatieregeling, nu de vrouw zich dienaangaande heeft gerefereerd, als in het belang van de minderjarigen toewijzen.

Voornoemde verplichting vloeit overigens ook rechtstreeks voort uit de wet.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Spreekt tussen partijen, op 29 januari 2009 te Vineland, New Jersey, Verenigde Staten van Amerika gehuwd, ECHTSCHEIDING uit.

Bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw zullen hebben.

Verleent de vrouw vervangende toestemming om met de minderjarigen naar de Verenigde Staten te verhuizen.

Bepaalt dat de zorg- en opvoedingstaken als na te melden worden verdeeld:

Gedurende de periode dat de vrouw nog met de minderjarigen in Nederland woont:

- de minderjarigen verblijven per vier weken drie weekenden achtereen van vrijdagmiddag vanaf het moment dat de man klaar is met zijn werk tot zondag 17.00 uur bij de man. Het vierde weekend blijven de minderjarigen bij de vrouw;

- de minderjarigen zullen iedere week van woensdagmiddag uit school tot donderdagmorgen 8.30 uur bij de man verblijven;

- de zomervakantie 2012 wordt in onderling overleg bij helfte verdeeld;

Vanaf het moment dat de vrouw met de minderjarigen in de Verenigde Staten woont:

- de minderjarigen verblijven gedurende iedere zomervakantie bij de man, in die zin dat zij minimaal een week vóór de aanvang van het schooljaar weer bij de vrouw terug zullen zijn;

- de minderjarigen zullen het ene jaar gedurende de kerstvakantie ("winterbreak") en het andere jaar gedurende de voorjaarsvakantie ("springbreak") bij de man verblijven.

Bepaalt dat de volgende informatie- en consultatieregeling zal gelden:

- partijen zullen elkaar over en weer op de hoogte stellen omtrent gewichtige aangelegenheden, waaronder in ieder geval moet worden verstaan de school, opleiding, en medische aangelegenheden, met betrekking tot de persoon en het vermogen van de minderjarigen en elkaar daarover adequaat en tijdig raadplegen, zo nodig door tussenkomst van derden, over daaromtrent te nemen beslissingen;

- partijen zullen telkenmale wanneer zij een schoolrapport van een van de minderjarigen ontvangen, deze per omgaande in kopie aan de andere ouder doen toekomen.

Bepaalt dat de vrouw indien deze op het ogenblik van de inschrijving van deze beschikking de echtelijke woning aan de [adresgegevens] te Schermerhorn, gemeente Schermer bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken voort te zetten gedurende zes maanden na voormelde inschrijving.

Verklaart deze beschikking, behoudens ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

coll.:

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.L. Roubos, voorzitter, tevens kinderrechter, J.A.C.R.W. VerLoren van Themaat-van der Hoeven en N. Cuvelier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van DONDERDAG 21 juni 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.