Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX6160

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
13-06-2012
Datum publicatie
30-08-2012
Zaaknummer
134364 - FA RK 11-1180
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing van de moeder van het gezag. Moeder stemt er mee in dat zij wordt ontheven van het gezag. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 1:268 BW genoemde voorwaarden voor gedwongen ontheffing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

BB

zaak- en rekestnummer: 134364 / FA RK 11-1180

datum: 13 juni 2012

Beschikking van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,

gevestigd te Alkmaar,

verzoekende partij,

tegen:

[NAAM GEREKWESTREERDE]

verblijvende op een geheim adres,

gerekwestreerde.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de Raad en de moeder.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 30 december 2011 het verzoekschrift van de Raad ingekomen, waarin wordt verzocht de moeder te ontheffen subsidiair gedwongen te ontheffen van het gezag over de minderjarigen:

- [kind 1], geboren in de gemeente Den Helder op [geboortedatum 1] (verder: kind 1]), en

- [kind 2], geboren in de gemeente Amsterdam op [geboortedatum 2] (verder: [kind 2]).

Bij de stukken bevindt zich een rapport van de Raad gedateerd 28 december 2011, een brief van de Raad van 27 december 2011 als aanvulling op het bijzonderhedenformulier, alsmede een tweetal bereidverklaringen van het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering (verder: LJ&R).

Bij brief van 18 januari 2012 heeft de Raad nog aanvullende schriftelijke informatie verstrekt.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 mei 2012, alwaar zijn verschenen mevrouw [naam 1] namens de Raad, de moeder vergezeld van haar begeleidster mevrouw [naam 2], alsmede mevrouw [naam 3] en mevrouw [naam 4] namens LJ&R.

De vader van [kind 1] en [kind 2], [naam 5], de voormalig pleegouders van [kind 2], de heer [naam 6] en mevrouw [naam 7] en de pleegouders van [kind 1] en [kind 2], de heer [naam 8] en mevrouw [naam 9], zijn, hoewel op de bij de wet voorgeschreven wijze te zijn opgeroepen, niet verschenen.

Ten aanzien van de vader heeft de rechtbank in een afzonderlijke beschikking bepaald dat de vader niet kan worden beschouwd als belanghebbende in de onderhavige procedure.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

[kind 1] en [kind 2] zijn geboren uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de vader. De vader heeft alleen [kind 1] erkend. De moeder is van rechtswege belast met het eenhoofdig gezag over [kind 1] en [kind 2].

Bij beschikking van 16 april 2010 van de kinderrechter in deze rechtbank is [kind 1] voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden met benoeming van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland (verder: BJZ) tot gezinsvoogdijinstelling. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 22 april 2010 [kind 1] onder toezicht gesteld tot 16 april 2011, welke ondertoezichtstelling telkens is verlengd en afloopt op 16 april 2013. [kind 1] is krachtens een beschikking tot machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter in deze rechtbank geplaatst bij pleegouders. De machtiging is geldig tot 16 april 2013.

Bij beschikking van 3 maart 2011 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam is (de toen nog niet geboren) [kind 2] onder toezicht gesteld met ingang van 3 maart 2011 voor een jaar met benoeming van LJ&R namens BJZ tot gezinsvoogdijinstelling, welke ondertoezichtstelling is verlengd en thans afloopt op 3 maart 2013. [kind 2] is krachtens een beschikking tot machtiging uithuisplaatsing van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam geplaatst bij pleegouders. De machtiging is geldig tot 3 maart 2013.

De Raad voert ter onderbouwing van het verzoek aan dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] te vervullen, omdat na een ondertoezichtstelling van tenminste zes maanden is gebleken, of omdat na een uithuisplaatsing van een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat de maatregel van ondertoezichtstelling onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 254 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek af te wenden. Als redenen hiervoor heeft de Raad het volgende aangevoerd.

[kind 1] verblijft vanaf het moment dat hij drie maanden oud is in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin. Hij is gehecht aan zijn pleegouders. [kind 2] is na de geboorte uit huis geplaatst en woont sinds het voorjaar 2012 in hetzelfde pleeggezin als [kind 1] zodat [kind 1] en [kind 2] samen kunnen opgroeien. De moeder is bekend met een belaste voorgeschiedenis, onder andere door persoonlijke problemen en problemen in het gezin van herkomst. Ze is op haar veertiende jaar gaan zwerven en heeft toen de vader van [kind 1] en [kind 2] leren kennen. De relatie tussen de moeder en de vader kan omschreven worden als onstabiel, moeizaam, gewelddadig en problematisch. Beide ouders zijn bekend met verslavingsproblematiek. De moeder verblijft thans in een therapeutische behandelsetting en is sindsdien gestopt met het gebruiken van drugs. Vanwege de persoonlijke problemen van de moeder is zij in het verleden onvoldoende in staat geweest om keuzes te maken die in het belang van de kinderen waren. De moeder is niet in staat om de opvoeding van [kind 1] en [kind 2] op zich te nemen en om hen te bieden wat zij nodig hebben.

Het is de wens van de moeder dat [kind 1] en [kind 2] samen opgroeien in het pleeggezin waarin zij thans verblijven. De moeder is vrijwillig akkoord met een ontheffing. De Raad is van mening dat de moeder hiermee haar eigen belangen opzij zet en toestaat dat [kind 1] en [kind 2] mogen opgroeien in een pleeggezin. Met behulp van de therapeutische behandelsetting en door middel van nazorg (en ondersteuning van de voogd) acht de Raad het aannemelijk dat de moeder na de behandeling een eigen leven kan gaan opbouwen.

Het belang van [kind 1] en [kind 2] verzet zich niet tegen een ontheffing, omdat het in hun belang is dat de gehechtheidsrelatie gecontinueerd wordt.

Gelet op de verklaring van de moeder kan tot (vrijwillige) ontheffing worden overgegaan. Daarnaast acht de Raad ook gronden aanwezig voor een gedwongen ontheffing.

Indien de rechtbank tot ontheffing van het gezag van de moeder overgaat, meent de Raad dat een voogdijvoorziening het meest in het belang is van [kind 1] en [kind 2]. De Raad heeft daartoe aangevoerd dat de verblijfsadressen van [kind 1] en [kind 2] uit veiligheidsoverwegingen vooralsnog geheim zijn voor beide ouders. De verblijfplaats van moeder is geheim voor de vader en de pleegouders. Daarbij zijn de contacten tussen de moeder en de kinderen kwetsbaar en pril te noemen. Het is van belang dat de contacten tussen de moeder en de kinderen gewaarborgd blijven door een neutraal en objectief orgaan als een voogdijinstelling. Een voogd kan in deze context de belangen en veiligheid van [kind 1] en [kind 2] waarborgen en behartigen. Tevens kan in de nabije toekomst onderzocht worden in hoeverre contact tussen de vader en de kinderen in hun belang is en, zo ja, hoe dit contact vorm dient te krijgen. [kind 2] is begin 2012 overgeplaatst naar het pleeggezin van [kind 1]. Het is van belang dat [kind 2] de tijd krijgt om in te groeien in het pleeggezin en zich veilig te hechten in het nieuwe pleeggezin. De voogd kan beide pleegouders hierin ondersteunen en de specifieke belangen van [kind 2] om in te groeien en zich te hechten, behartigen. Tot slot is het vooralsnog onzeker in hoeverre de moeder de behandeling positief zal afronden en hoe het vervolgtraject zal verlopen. De voogd kan hierop toezien en de moeder waar nodig ondersteunen.

Ter zitting heeft de Raad aangegeven dat, gelet op het feit dat de moeder heeft aangegeven in te stemmen met de ontheffing, de Raad een gedwongen ontheffing niet langer nodig acht.

De Raad is voorts van mening dat het belangrijk is dat er contact is tussen de moeder en de kinderen en dat dit verder dient te worden uitgebreid.

De moeder heeft ter zitting bevestigd dat zij instemt met het verzoek tot ontheffing, omdat dit op dit moment het beste is voor [kind 1] en [kind 2]. Zij heeft aangeven dat het nu goed met haar gaat maar dat, hoewel zij het liefst zelf voor [kind 1] en [kind 2] zou willen zorgen, zij van mening is dat het belang van de kinderen meer gediend is met verblijf in het pleeggezin.

De moeder is blij met het goede contact dat zij heeft met de pleegouders en ze is hen dankbaar voor alles wat ze voor de kinderen doen. De moeder heeft met de gezinsvoogd afgesproken dat gekeken zal worden naar uitbreiding van de contacten tussen de moeder en de kinderen.

De gezinsvoogd, mevrouw [naam 4], heeft verklaard dat ze trots is op de moeder omdat ze zich zo goed heeft ontwikkeld en dat zij er veel respect voor heeft dat de moeder haar eigen belangen opzij zet en, in het belang van [kind 1] en [kind 2], instemt met het verzoek tot ontheffing.

De rechtbank overweegt als volgt.

De maatregel van ondertoezichtstelling is er op gericht de met het gezag belaste ouder zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van zijn of haar kind te doen behouden en dient gericht te zijn op een terugplaatsing van het kind bij die ouder.

In geval een ouder ongeschikt dan wel onmachtig is de plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, kan op grond van het bepaalde in artikel 1:266 BW de maatregel van ontheffing van het gezag worden verzocht, mits het belang van het kind zich daar niet tegen verzet.

Op grond van het verhandelde ter zitting en de zich bij de stukken bevindende rapportage van de Raad is de rechtbank van oordeel dat de mogelijkheid ontbreekt dat de moeder binnen afzienbare termijn zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] weer op zich zal nemen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat [kind 1], nagenoeg vanaf zijn geboorte, en [kind 2] zelfs voordat zij geboren is, onder toezicht zijn gesteld en zij beiden kort na hun geboorte uit huis zijn geplaatst bij pleegouders. Er was destijds sprake van een onstabiele, moeizame, gewelddadige relatie tussen de ouders en bij beide ouders was sprake van verslavingsproblematiek. Vanwege de persoonlijke problematiek van de moeder is zij in het verleden onvoldoende in staat gebleken om keuzes in het belang van [kind 1] en [kind 2] te maken en hen een veilige opvoedsituatie te bieden.

Uit de stukken en de verklaringen ter zitting blijkt dat de moeder zich heeft laten opnemen in een therapeutische behandelsetting en dat zij het laatste jaar een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. De moeder geeft evenwel zelf ook aan dat zij er nog niet is en dat zij op dit moment de kinderen geen stabiele basis kan bieden.

Daarmee wordt de moeder op dit moment ongeschikt dan wel onmachtig geacht om haar plicht tot verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] naar behoren te vervullen. Bovendien is onder deze omstandigheden toewerken naar een thuisplaatsing van de kinderen niet langer zinvol.

Bij die overwegingen staat ingevolge artikel 3 lid 1 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) het belang van het kind voorop. [kind 1] en [kind 2] hebben, gelet op artikel 6 lid 2 en artikel 20 van het IVRK, het recht zich op een gezonde en evenwichtige manier te ontwikkelen tot een volwaardige volwassene, waarbij de continuïteit in hun opvoeding zoveel mogelijk dient te worden gewaarborgd.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van ontheffing van de moeder van het gezag is aangewezen. In verband met de omstandigheid dat de moeder er mee instemt dat zij wordt ontheven van het gezag, is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:266 BW. Daarmee komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 1:268 BW genoemde voorwaarden voor gedwongen ontheffing.

De rechtbank is vervolgens van oordeel dat in het belang van de kinderen het LJ&R de voogdij zou moeten uitvoeren zodat het contact tussen de moeder en de kinderen gewaarborgd blijft. De ontheffing van het gezag ten gunste van de voogd betekent voorts dat deze het opvoedingsklimaat kan blijven ondersteunen en bewaken en ook de moeder, voor zover noodzakelijk, kan begeleiden in haar contact met [kind 1] en [kind 2] en bij de communicatie met de pleegouders.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Ontheft de moeder, [NAAM GEREKWESTREERDE], van het ouderlijk gezag over de minderjarigen:

- [kind 1], geboren in de gemeente Den Helder op [geboortedatum 1] en

- [kind 2], geboren in de gemeente Amsterdam op [geboortedatum 2].

Benoemt tot voogd: Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, locatie Alkmaar, afdeling Jeugdbescherming, Postbus 1146, 1810 KC Alkmaar, die de uitvoering hiervan zal opdragen aan het Leger des Heils Jeugdzorg en Reclassering, Bannewaard 164, 1824 EG Alkmaar.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. N. Cuvelier, voorzitter, tevens kinderrechter, J.A.C.R.W. VerLoren van Themaat-van der Hoeven en J.L. Roubos, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juni 2012, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier.