Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX6074

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
09-08-2012
Datum publicatie
29-08-2012
Zaaknummer
138875 - KG ZA 12-238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"Kort geding. Non-conform paard? Verkeerde partij gedagvaard, geen spoedeisend belang en niet komen vast te staan dat paard non-conform was/mededelingsplicht is geschonden".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

DJHB/JB

zaaknummer / rolnummer: 138875 / KG ZA 12-238

Vonnis in kort geding van 9 augustus 2012

in de zaak van

1.[NAAM EISER 1],

2.[NAAM EISER 2],

beiden wonende te Egmond a/d Hoef,

eisers,

advocaat mr. J. Sluijter te Amsterdam,

tegen

1.[NAAM GEDAAGDE 1],

wonende te Heerhugowaard,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[NAAM GEDAAGDE 2],

gevestigd te Obdam,

gedaagden,

advocaat mr. M.J.A. Weda te Kamerik.

Partijen zullen hierna ook afzonderlijk "[eiser 1]" en "[eiser 2]" respectievelijk "[gedaagde 1]" en "[gedaagde 2]" genoemd worden. Eisers zijn in persoon verschenen, vergezeld van mr. Sluijter. [gedaagde 1] is in persoon verschenen en [gedaagde 2] is vertegenwoordigd door haar bestuurder / aandeelhouder mevrouw [naam 1], beide vergezeld van mr. Weda.

1. De procedure

1.1. Ter terechtzitting van 31 juli 2012 hebben eisers gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding.

1.2. Gedaagden hebben de vordering bestreden.

1.3. Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van eisers de originele dagvaarding en van beide zijden een pleitnota, overgelegd en vonnis gevraagd.

1.4. De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. De feiten

2.1. In januari 2011 heeft [eiser 2] gereageerd op een advertentie van

"[gedaagde 2]" voor het paard "[naam paard]" (hierna: het paard).

2.2. [eiser 2] is daarop door "[gedaagde 2]" doorverwezen naar [gedaagde 1]. Op 13 januari 2011 heeft [eiser 2] het paard bezichtigd bij [gedaagde 1]. Op 19 januari 2011 heeft een tweede bezichtiging plaatsgevonden, waarbij zowel [eiser 2] als [eiser 1] aanwezig waren.

2.3. Het paard is op 19 januari 2011 gekeurd door [dierenarts 1] (hierna: [dierenarts 1]) van dierenartspraktijk [dierenartspraktijk 1] (hierna: [dierenartspraktijk 1]). [dierenarts 1] heeft bij deze keuring geconcludeerd dat het paard "klinisch en röntgenologisch gezond" is.

2.4. Op 26 januari 2011 hebben eisers [euro] 5.000,00 contant aan [gedaagde 1] voldaan. Op 7 februari 2011 heeft [eiser 2] een bedrag van [euro] 10.000,00 overgemaakt op de rekening van "[gedaagde 2]".

2.5. Op 1 april 2011 is het paard aan eisers geleverd. Op 27 juni 2011 is het paard onderzocht door dierenarts [dierenarts 2] (hierna: [dierenarts 2]). Die heeft onder andere bij het rechterachterbeen een "bloeduitstorting op de binnenste gewrichts(collateraal)band" geconstateerd. Hiervoor heeft [dierenarts 2] een gel voorgeschreven. Op 27 juli 2011 heeft [dierenarts 2] het paard opnieuw onderzocht. Daarbij heeft hij als anamnese gesteld dat de bult op het rechterachterbeen kleiner is geworden.

2.6. Op 22 december 2011 is het paard onderzocht door dierenarts [dierenarts 3]. Hij heeft het volgende aangegeven: "Echo verdikking mediaal van de knie rechtsachter: beoordeling in overleg met collega [dierenarts 2] en na vergelijking met beelden gemaakt eerder dit jaar. Verdikking zit niet in de mediale collateraalband van de knie. Geen blessure zichtbaar. Verdikking past bij trauma, echter de duur van de aanwezigheid maakt de eerder verwachte oorzaak (bloeding) zeer onwaarschijnlijk. (Wanneer men precies wil weten wat het is zou men een biopt moeten nemen, op dit moment lijkt de bult echter niet klinisch relevant)".

2.7. Op 3 januari 2012 is het paard onderzocht door [dierenarts 4] van [dierenartspraktijk 2]. In de anamnese heeft [dierenarts 4] het volgende gemeld: "Het paard is op 11 mei 2010 door mij gekeurd in het kader van een aankoopkeuring. Klinisch was er forse zwelling aan de binnenzijde van de rechter knie te zien. Op de echo bleek dit een forse blessure van de mediale collateraalband van de knie te zijn. Aangezien hier sprake was van een verhoogd risico op problemen tijdens sportcarrière heb ik een negatief aankoopadvies gegeven. Het paard is aangekocht door huidige eigenaar en had al vanaf het begin problemen op de rechterhand". [dierenarts 4] heeft het volgende geconcludeerd: "Uitgebreid bandletsel van de mediale collateraalband van de knie. Dit maakt dat het paard (evenals in 2010) een verhoogd risico op kreupelheid heeft. De gevonden afwijkingen zouden de klinische klachten dan ook zeker kunnen verklaren maar een sluitend bewijs daarvoor zou verder onderzoek vergen. Duidelijk is wel dat de gevonden afwijking op moment van aankoop aanwezig was".

2.8. Bij brief van 18 januari 2012 heeft [eiser 1] aan [gedaagde 1] meegedeeld dat op 3 januari 2012 een ernstig gebrek aan de knie van het paard is geconstateerd en dat dit gebrek ten tijde van de verkoop reeds aanwezig was.

2.9. Bij brief van 29 januari 2012 aan [gedaagde 1] heeft [eiser 1] de koopovereenkomst met betrekking tot het paard buitengerechtelijk ontbonden.

2.10. Op 25 april 2012 heeft dierenarts [dierenarts 5] (hierna: [dierenarts 5]) een verklaring op schrift gesteld en geconcludeerd, na bestudering van de echobeelden van mei 2010 en januari 2012, dat het niet vast staat dat in deze casus sprake is van een verborgen gebrek.

2.11. Op 18 juni 2012 is het paard onderzocht door [dierenarts 6] (hierna: [dierenarts 6]) van Dierenartspraktijk [dierenartspraktijk 3] Bij het klinisch onderzoek heeft [dierenarts 6] aangegeven dat het paard - zowel op de volte op harde bodem als op de volte op zachte bodem - rechtsom gering kreupel is rechtsachter. [dierenarts 6] heeft geconcludeerd dat het paard uitgebreid letsel van de mediale collateraalband van het kniegewricht aan het rechterachterbeen heeft en dat uit de echobevindingen kan worden geconcludeerd dat dit probleem reeds langere tijd aanwezig was. Volgens [dierenarts 6] zou hij, indien bij de keuring was gebleken dat het paard mediale collateraalbandschade in het kniegewricht had, ook bij een klinisch niet kreupel paard een verhoogd risico zijn vermeld en dientengevolge een negatief koopadvies hebben afgegeven. Ten slotte heeft [dierenarts 6] aangegeven dat om praktische redenen geen verder onderzoek is gedaan om vast te stellen of de collateraalbandschade past bij de klinische klachten.

2.12. Op 25 juli 2012 heeft dierenarts [dierenarts 7] (hierna: [dierenarts 7]), verbonden aan het [dierenartspraktijk 1], verklaard dat uit keuringen van het paard op 14 januri 2010, 1 oktober 2010 en 19 januari 2011 is gebleken dat het paard klinisch gezond was, er geen relevante afwijkingen werden gevonden en destijds een positief verkoopadvies is gegeven. De zwelling ter hoogte van de mediale collaterale band van de rechterknie zijn naar zijn mening voornamelijk buiten de band gelokaliseerd. Hij sluit zijn verklaring als volgt af: "De afwezigheid van de zwelling tijdens de tussenliggende keuringen en onderzoeken door diverse klinieken en (keurings-)dierenartsen voor paarden ondersteunen de theorie dat de afwijking die in mei 2010 is geconstateerd, tijdens de levering genezen was. Ook de onderzoeken van [dierenarts 2] DVM van Paardenkliniek "[paardenkliniek 1]"te Wassenaar bevestigen dit."

2.13. Op 30 juli 2012 heeft [dierenarts 4] schriftelijk een aantal vragen beantwoord. Hij heeft onder andere het volgende aangegeven: "Uit de stukken lijkt het niet duidelijk of de gevonden afwijking (knieband letsel) de oorzaak van de kreupelheid is. Het paard was bij de keuring alhier in 2010 ook niet kreupel. De afwijking was m.i. wel zo duidelijk dat hiervoor met een koper overleg gepleegd had moeten worden. De afwijking is heel duidelijk met de aanbieder gecommuniceerd. Uiteraard is het zo dat echografische bevindingen heel lastig te antedateren zijn maar hier is er duidelijk sprake van een afwijking die voor de koop aanwezig was. De interpretatie of iets een verhoogd risico dan wel acceptabel is kan per dierenarts verschillen maar moet wel vermeld worden op het rapport waarbij de koper de beslissing neemt dit wel of niet te accepteren".

3. Het geschil

3.1. Eisers vorderen - samengevat - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagden hoofdelijk te veroordelen het paard bij eisers af te (laten) halen binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Voorts vorderen eisers gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot restitutiebetaling van de koopprijs van [euro] 15.000,00 en daarnaast tot betaling van een bedrag van [euro] 12.980,53 bij wijze van voorschot op de door eisers geleden en nog te lijden schade, binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis. Ten slotte vorderen eisers gedaagden te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2. Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tekort zijn geschoten in de nakoming van de overeenkomst door een paard te leveren dat niet aan de verwachtingen voldoet die [eiser 1] en [eiser 2] op grond van de overeenkomst mochten verwachten. Het paard heeft een ernstige blessure,, inhoudende uitgebreid letsel aan de mediale collateraalband van de rechterachterknie, waardoor er sprake is van verhoogd risico op kreupelheid. Volgens eisers had het paard deze blessure reeds ten tijde van de verkoop en ook ten tijde van de levering. Het paard is door het bestaan van de afwijkingen ongeschikt voor het gebruiksdoel, te weten privégebruik en de dressuursport en voldoet daardoor volgens eisers niet aan de overeenkomst in de zin van artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Eisers wijzen erop dat het paard vanwege dezelfde afwijkingen in 2010 door [dierenarts 4] is afgekeurd. Volgens eisers heeft [gedaagde 1] zijn mededelingsplicht geschonden, omdat hij op de hoogte was van de afkeuring in 2010 en dit niet aan eisers heeft meegedeeld ten tijde van de verkoop. Subsidiair doen eisers een beroep op vernietiging wegens bedrog en/of dwaling. Eisers stellen dat zij ten gevolge hiervan schade hebben geleden en nog zullen lijden, waaronder stallingkosten, medische behandelingen, zadel en beugels en verzekeringskosten.

3.3. Gedaagden hebben verweer gevoerd. Volgens gedaagden dient [eiser 1] niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vorderingen, omdat niet hij maar [eiser 2] als eigenaar van het paard is aan te merken. Eisers hebben volgens gedaagden in ieder geval geen vordering op [gedaagde 2], omdat laatstgenoemde eerst op 8 maart 2012 is opgericht. Volgens gedaagden zijn [gedaagde 1] en de eenmanszaak [gedaagde 2] gezamenlijk verkoper van het paard en is [gedaagde 2] daarom ten onrechte in deze procedure betrokken. Nu onduidelijk is wie de verkopende en kopende partij zijn, leent deze procedure zich volgens gedaagden niet voor behandeling in kort geding. Gedaagden menen voorts dat eisers geen spoedeisend belang hebben. Daarbij hebben zij erop gewezen dat zij aan eisers hebben aangeboden voor het paard te zorgen, zodat de kosten daarvan niet verder oplopen. Volgens gedaagden hebben eisers in strijd met artikel 7:23 van het BW te laat geklaagd, te weten eerst in januari 2012. Gedaagden menen dat de klaagtermijn is ingegaan twee maanden na 27 juni 2011, zijnde de datum waarop onderzoek werd gedaan naar het rechterachterbeen. Volgens [gedaagde 1] was hij er niet van op de hoogte dat het paard in 2010 was afgekeurd. Volgens gedaagden hebben eisers noch bewezen dat het paard op de datum van levering een gebrek had, noch dat, indien wel sprake was van een gebrek, dit gebrek leidt tot ongeschiktheid van het paard. Van vergoeding van schade kan daarom volgens gedaagden geen sprake zijn. Daarnaast ontbreekt volgens gedaagden het causale verband tussen de door eisers gemaakte kosten en de gedragingen van gedaagden. Volgens gedaagden bestaat er een zeer groot restitutiegevaar. Ten slotte hebben gedaagden de hoogte van de door eisers gevorderde schadevergoeding betwist.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1. De voorzieningenrechter zal zich allereerst buigen over de vraag of eisers als kopers van het paard moeten worden aangemerkt en zo nee, of zij om die reden niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen. Bij de stukken ontbreekt een tenaamstelling of eigendomsakte van het paard. Niet in geschil is dat [eiser 2] (mede-)eigenaar en koopster van het paard is. Ten aanzien van [eiser 1] wordt overwogen dat hij aanwezig is geweest bij een bezichtiging van het paard, dat hij (mede) de onderhandelingen over de koopprijs van het paard heeft gevoerd en dat hij een deel van de koopprijs (contant) heeft voldaan. Voorts bevindt zich bij de stukken een kwitantie, waarbij [eiser 1] als koper staat vermeld. Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat zowel [eiser 2] als [eiser 1] als kopers van het paard zijn aan te merken en in zoverre beiden ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

4.2. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat eisers geen vorderingen hebben op [gedaagde 2] Gedaagden hebben gesteld dat [gedaagde 1] en de eenmanszaak [gedaagde 2] als verkopers zijn aan te merken. Op de hiervoor onder 4.1. genoemde kwitantie staat als verkoper "[naam 1] ([gedaagde 2])" vermeld. Mevrouw [naam 1], handelende onder de naam [gedaagde 2] is echter niet in deze procedure gedagvaard. Blijkens het door gedaagden overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel is [gedaagde 2] eerst op 8 maart 2012 opgericht. Hieruit volgt dat [gedaagde 2] nog niet bestond ten tijde van de verkoop van het paard begin 2011. Zij kan dan ook niet als partij bij de verkoop worden aangemerkt. Reeds hierom komen de vorderingen van eisers op [gedaagde 2] niet voor toewijzing in aanmerking. Hierna zullen de standpunten en het verweer van gedaagden daarom worden vermeld als zijnde de standpunten en het verweer van [gedaagde 1].

Spoedeisend belang

4.3. Ten aanzien van de vorderingen van eisers op [gedaagde 1], overweegt de voorzieningenrechter het volgende. [gedaagde 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers geen spoedeisend belang hebben bij de vordering tot terugname van het paard. Eisers hebben in dit verband gesteld dat de kosten steeds hoger oplopen en dat zij nog steeds de risico's dragen die samenhangen met het bezit van een paard. [gedaagde 1] heeft er echter op gewezen dat hij aan eisers heeft aangeboden het paard te zullen verzorgen. Eisers hebben hierop aangegeven dat zij teveel risico lopen door het paard aan [gedaagde 1] af te geven zonder dat ook de eigendom wordt overgedragen, omdat er dan iets met het paard kan gebeuren waarvoor eisers als eigenaren verantwoordelijk voor zijn. De voorzieningenrechter oordeelt echter dat eisers, indien zij geen gebruik maken van het aanbod van [gedaagde 1], hetgeen wel van hen gevergd kon worden nu er over het door hen gestelde probleem nadere afspraken gemaakt kunnen worden en niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde 1] daartoe niet bereid was, niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de dan voor hun rekening komende kosten niet kunnen dragen en daardoor in ernstige financiële problemen dreigen te komen. Aldus ontbreekt het vereiste spoedeisend belang om tot toewijzing van het de gevorderde te komen. Eisers hebben in dit verband betoogd dat zij op dit moment geen tweede paard kunnen betalen en daarom belang hebben bij restitutie van de koopsom. Wat daarvan zij, deze stelling is niet nader onderbouwd, die omstandigheid brengt niet mee dat er een zodanig spoedeisend belang ontstaat dat de uitkomst van een bodemprocedure niet afgewacht kan worden.

4.4. Ook overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat de vorderingen in dit geding niet voor toewijzing in aanmerking komen. Daartoe wordt nog het volgende overwogen.

klachttermijn

4.5. [gedaagde 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet aannemelijk zijn. In dit verband heeft hij allereerst betoogd dat eisers in strijd met artikel 7:23 van het BW te laat hebben geklaagd. De voorzieningenrechter oordeelt dat eisers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij eerst in januari 2012, naar aanleiding van het onderzoek door [dierenarts 4], hebben ontdekt dat het paard - in hun visie - niet aan de overeenkomst beantwoordt. Voor zover [gedaagde 1] heeft bedoeld te betogen dat eisers het (door hen vermeende) gebrek reeds in juni 2011 hebben ontdekt of redelijkerwijs hadden behoren te ontdekken, volgt de voorzieningenrechter dit niet. Op basis van de bevindingen door [dierenarts 2] bij het onderzoek in juni 2011 ("bloeduitstorting op de binnenste gewrichts(collateraal)band") en de controle in juli 2011 ("bult op het rechterachterbeen is kleiner geworden"), kan niet worden gesteld dat eisers reeds toen op de hoogte zijn geraakt dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordt, noch dat zij dit redelijkerwijs hadden behoren te ontdekken.

verplichtingen uit de overeenkomst

4.6. Ten aanzien van de door eisers gestelde non-conformiteit, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Eisers baseren hun stelling dat er sprake is van een paard dat niet geschikt is voor het doel waarvoor het paard is aangeschaft (privégebruik en dressuursport) op rapporten van de dierenartsen [dierenarts 4] en [dierenarts 6] (productie 8 en 12 bij de inleidende dagvaarding). Volgens eisers blijkt uit die rapporten dat het paard ten tijde van koop in januari 2011 al een uitgebreid bandletsel aan de mediale collateraalband van de rechterachterknie had, waardoor er sprake was van een verhoogd risico op kreupelheid. Aangezien [gedaagde 1] ervan op de hoogte was dat het paard vanwege dat letsel aan de rechterachterknie reeds in mei 2010 was afgekeurd en om die reden [dierenarts 4] aan de toenmalig koopster van het paard een negatief verkoopadvies had gegeven waardoor die koop is teruggedraaid, had [gedaagde 1] dat bij de verkoop moeten mededelen aan eisers. Nu hij dat niet heeft gedaan heeft hij zijn mededelingsplicht geschonden en hebben eisers bij de aankoop van het paard gedwaald.

4.7. [gedaagde 1] heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. Hij heeft er allereerst op gewezen dat het paard bij de aankoop twee keer door [eiser 2] en een keer door [eiser 1] is bezichtigd en voor aankoop is goedgekeurd door dierenarts [dierenarts 1] met gebruikmaking van een second opion door een collega van [dierenarts 4]. Bij die aankoopkeuring zijn er geen gebreken geconstateerd. In dat verband heeft [gedaagde 1] aangevoerd dat hij in mei 2010 er enkel van op de hoogte was dat de aankoopkeuring door de toenmalige koopster van het paard is gestaakt wegens een op een scan zichtbare structuurverandering, mogelijk door overbelasting. Hij verwijst daarvoor naar een verklaring van [naam 2]. [gedaagde 1] heeft toen samen met mevrouw [naam 1] het paard aangekocht voor een redelijke prijs van [euro] 6.950,00. Mevrouw [naam 1] kende het paard al geruime tijd en volgens haar dierenarts die het paard vlak daarvoor had onderzocht, was het een prima paard. Volgens [gedaagde 1] was de zwelling in mei 2010 het gevolg van overbelasting met het oog op de veiling van het paard. Verder wijst [gedaagde 1] op een tweetal verklaringen van de dierenartsen [dierenarts 5] en [dierenarts 7] waaruit enerzijds blijkt dat er door het [dierenartspraktijk 1] begin 2010 geen afwijkingen aan het paard zijn gevonden en geconcludeerd wordt dat de zwelling van mei 2010 bij de levering van het paard was genezen en anderzijds dat uit de echobeelden van mei 2010 en januari 2012 niet valt te concluderen dat er afwijkingen zijn te zien die per definitie het gebruik van het paard in de weg staan. Tot slot wijst [gedaagde 1] er nog op dat ook dierenarts [dierenarts 2] in juni 2011 (een paar maanden na de levering) geen klinische afwijkingen heeft geconstateerd aan de rechterachterknie. Op grond van het voorgaande betwist [gedaagde 1] dan ook dat het paard een gebrek had tijdens de levering en dat hij daarvan heeft geweten en eisers daarover had moeten inlichten.

4.8. De voorzieningenrechter wijst erop dat, gezien de niet eensluidende verklaringen van de geraadpleegde dierenartsen het in dit geding niet valt vast te stellen of het paard ten tijde van de koop niet die eigenschappen bezat die noodzakelijk zijn voor het beoogde gebruik. Er zijn zowel aanwijzingen dat het letsel dat het paard nu heeft verband houdt met de zwelling die het had in mei 2010, als aanwijzingen dat het paard slechts overbelast is geweest in mei 2010 en daarna tot aan de verkoop niks mankeerde. Op dat laatste wijst met name de aankoopkeuring van 19 januari 2011. Ook indien het letsel zich ten tijde van de verkoop wel voordeed, is niet komen vast te staan dat het paard hierdoor niet geschikt was voor het beoogde gebruik, mede gelet op de verklaringen van [dierenarts 5] ("naar mijn mening laten deze echobeelden geen afwijking zien, die per definitie het gebruik van het paard in de weg staan") en [dierenarts 4] ("de interpretatie of iets een verhoogd risico dan wel acceptabel is kan per dierenarts verschillen"). Hiervoor is naar het oordeel van de voorzieningenrechter nader deskundigenonderzoek nodig. Voor dat onderzoek is in dit geding, gezien de aard ervan, geen plaats. Bovendien is niet komen vast te staan, zoals hiervoor overwogen, dat de geconstateerde aandoening zich voordeed ten tijde van de verkoop. Het betoog van eisers dat het verband tussen de klinische klachten en de eerdere afkeuring niet van belang is en dat het letsel op zich zelf gemeld had dienen te worden, omdat de geconstateerde aandoening het paard al ongeschikt maakt voor de dressuursport, slaagt dus voorshands niet.

4.9. Nu in dit geding nog niet vaststaat of het paard ongeschikt was waarvoor het te koop is aangeboden valt op dit moment ook niet vast te stellen of [gedaagde 1] in dat kader een mededelingsplicht heeft geschonden die ertoe moet leiden dat eisers bij de aankoop van het paard hebben gedwaald. [gedaagde 1] heeft immers ook gemotiveerd betwist dat hij wetenschap heeft gehad dat het paard in mei 2010 is afgekeurd, maar enkel ervan op de hoogte was dat het paard een zwelling had wegens overbelasting. Vooralsnog is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het licht van hetgeen [gedaagde 1] - onweersproken - heeft aangevoerd zoals weergegeven onder 4.7 over zijn eigen aankoop van het paard (redelijke prijs en prima paard zonder gebreken) hij geen mededelingsplicht heeft geschonden door tegenover eisers geen melding te maken van de zwelling wegens overbelasting in mei 2010, nu gezien de stukken waarover de voorzieningenrechter beschikt, het in mei 2010 een incidentele zwelling lijkt te zijn geweest als gevolg van de preparatie voor de veiling, die naderhand is weggegaan. Daarbij neemt de voorzieningenrechter nog in aanmerking dat er geen afkeuringsrapport is opgemaakt in 2010, dat [gedaagde 1] zou kunnen hebben verzwegen en er in januari 2011 bij de aankoopkeuring geen gebreken geconstateerd. Onder voormelde omstandigheden kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden geoordeeld dat [gedaagde 1] onjuiste mededelingen heeft gedaan aan eisers of relevante informatie heeft verzwegen.

4.10. Gezien het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat (ook) het bestaan van de vordering in dit geding niet voldoende aannemelijk is geworden en daarvoor nader onderzoek nodig in een eventuele bodemprocedure. De overige standpunten van partijen met betrekking tot de (hoogte van de) gevorderde schadevergoeding behoeven daarom geen nadere bespreking.

4.11. Al het voorgaande brengt mee dat de gevraagde voorzieningen worden geweigerd en dat eisers als de in het ongelijk gestelde partij zullen worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen;

5.2. veroordeelt eisers in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van gedaagden begroot op [euro] 575,00 aan verschotten en op [euro] 816,00 aan salaris advocaat;

5.3. verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Gewezen door mr. drs. J. Blokland, voorzieningenrechter in de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2012 in tegenwoordigheid van mr. D.J.H. Best, griffier.