Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX5768

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
11-06-2012
Datum publicatie
27-08-2012
Zaaknummer
390264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bedrog bij verkoop van caravan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Hoorn

Zaaknr/rolnr.: 390264

Uitspraakdatum: 11 juni 2012

Vonnis in de zaak van:

[naam],

wonende te [plaats],

eisende partij,

verder ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. J.M.A.H. van der Ploeg, werkzaam ten kantore van D.A.S. Nederlandse Rechtbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam

tegen

1.Vennootschap onder firma [naam], gevestigd en kantoorhoudende te [adres];

2.[x], vennoot van gedaagde sub 1, wonende te [adres];

3.[x], vennoot van gedaagde sub 1, wonende te [adres];

gedaagde partijen,

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagden sub 2 en 3 procederende in persoon, mede namens gedaagde sub 1.

Het procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de kantonrechter naar de volgende stukken:

-de dagvaarding van 21 december 2011 met producties;

-de conclusie van antwoord, aangevuld door een mondeling antwoord, met producties;

-het tussenvonnis van de kantonrechter van 27 februari 2012;

-de met het oog op de terechtzitting overgelegde stukken.

-de aantekeningen van hetgeen is besproken tijdens de terechtzitting op 24 april 2012, -

de ter terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen aan de zijde van [eiser];

Vervolgens is op vandaag uitspraak bepaald.

De feiten

1.De kantonrechter neemt de volgende feiten als vaststaand aan, omdat deze door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij niet of niet voldoende zijn betwist.

a.[eiser] heeft samen met haar echtgenoot in 2006 bij [gedaagde] een caravan gekocht. Na het overlijden van haar echtgenoot heeft [eiser] eind 2008-begin 2009 contact met [gedaagde] gehad met de vraag of [gedaagde] zou kunnen helpen bij de verkoop van de caravan.

b.Op 25 februari 2010 heeft [gedaagde] de caravan opgehaald en meegenomen naar haar bedrijf. [gedaagde] heeft de caravan daar te koop gezet.

c.Op 4 mei 2010 heeft de dochter van [eiser] bij [gedaagde] geïnformeerd of de caravan al was verkocht. [gedaagde] deelde daarop mee dat dit niet het geval was. In januari 2011 heeft [eiser] contact met [gedaagde] gezocht, hetgeen in eerste instantie niet lukte. Op 7 februari 2011 belde mevrouw [x] (gedaagde sub 3) naar [eiser] met de mededeling dat de caravan van [eiser] nog steeds niet was verkocht. Vanaf het moment dat de caravan door [gedaagde] te koop was aangeboden, stond de caravan ook op de website van [gedaagde] vermeld, met daarbij de mededeling “wordt verwacht”. Eind mei 2011 heeft een buurman van [eiser] zich bij [gedaagde] voorgedaan als potentiële koper van de caravan. Daarbij werd door [gedaagde] aan de buurman meegedeeld dat de caravan na Pinksteren werd verwacht.

d.Op 10 juni 2011 heeft [eiser] onverwacht een bezoek gebracht aan de bedrijfsruimte van [gedaagde]. Daar deelde [gedaagde] (uiteindelijk) mee dat de caravan was verkocht. [gedaagde] deelde mee dat de caravan was verkocht voor € 8.000,00. [gedaagde] heeft daarop € 4.500,00 contant aan [eiser] betaald. [gedaagde] deelde daarbij mee dat dit een aanbetaling was en dat het restant van € 2.500,00 uiterlijk in oktober 2011 aan [eiser] zou worden betaald. De caravan zou dan aan de koper worden afgeleverd. [gedaagde] heeft de afspraken met [eiser] vastgelegd in een creditfactuur waarbij [gedaagde] een bedrag van € 1.000,00 in mindering heeft gebracht op de verkoopprijs wegens “provisie”. [eiser] heeft de creditfactuur voor akkoord ondertekend.

e.Omdat [eiser] zich achteraf realiseerde dat de mededelingen van [gedaagde] niet klopte, heeft zij nader onderzoek gedaan. Daaruit bleek dat de caravan al op 25 mei 2010 is verkocht en geleverd aan de familie [z] voor een bedrag van € 9.800,00.

f.Bij brief d.d. 20 juli 2011 heeft de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] gesommeerd om uiterlijk 31 juli 2011 over te gaan tot betaling van een bedrag van € 5.658,16

g.Op 4 augustus 2011 heeft [gedaagde] nog een bedrag van € 3.000,00 aan [eiser] voldaan.

Het geschil

2.[eiser] vordert hoofdelijk, betaling van een bedrag van € 2.658,16 wegens restant hoofdsom, € 362,58 wegens rente over de hoofdsom van € 9.800,00 vanaf 26 mei 2010 tot 4 augustus 2011, wettelijke rente over deze bedragen vanaf 4 augustus 2011, de buitengerechtelijke kosten van € 750,00 en de proceskosten.

3.Daartoe stelt [eiser]– kort weergegeven – dat [gedaagde] haar door de hiervoor onder de feiten weergegeven gang van zaken heeft opgelicht en bedrogen. Afgesproken was dat [eiser] voor de bemiddeling door [gedaagde] geen bemiddelingskosten of opslagkosten hoefde te betalen. De overeenkomst/afrekening zoals neergelegd in de creditfactuur van 10 juni 2011 is vernietigbaar wegens het bedrog door [gedaagde].

4.[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Daartoe stelt [gedaagde] – samengevat – dat van oplichting of bedrog geen sprake is. [eiser] heeft [gedaagde] benaderd om de caravan te verkopen. Daarbij is afgesproken dat [gedaagde] 10 procent provisie en bemiddelingskosten in rekening zou brengen. Bovendien zou [gedaagde] eventuele gebreken aan de caravan eerst herstellen. [eiser] wilde niet weten wat daarvan de kosten waren. Zij was alleen geïnteresseerd in hoeveel zij uiteindelijk zou ontvangen. Er waren de nodige gebreken aan de caravan. [gedaagde] heeft daarom eerst voor € 1.800,00 aan werkzaamheden verricht. De caravan is verkocht voor € 9.800,00. Daarop mocht [gedaagde] in mindering brengen de € 1.800,00 reparatiekosten en, vervolgens, de tien procent bemiddelingskosten en stallingkosten. Zodoende moest [gedaagde] € 7.000,00 aan [eiser] betalen. Eerst heeft [gedaagde] € 4.500,00 betaald. Daarna nog eens € 3.000,00. Daarmee heeft [gedaagde] € 8.500,00 betaald. Die € 500,00 is bedoeld als extra vergoeding omdat [gedaagde] te laat betaalde. Dat kwam door de ziekte van de heer [x] (gedaagde sub 2). Daardoor is er bij mevrouw [x] een misverstand ontstaan over welke caravan van [eiser] was en welke caravan nu precies verkocht was. Partijen hebben op 10 juni 2011 een afrekening opgesteld en [eiser] heeft die voor akkoord ondertekend en die afspraak is rechtsgeldig. [gedaagde] heeft aan al haar verplichtingen voldaan.

5.Bij de beoordeling zal zo nodig nog nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

6.In de eerste plaats is aan de orde de vraag of partijen een definitieve afrekening voor de verkoop van de caravan hebben gemaakt. Volgens [gedaagde] is dat het geval doordat partijen de afspraken van 10 juni 2011 hebben gemaakt. [eiser] heeft de vernietigbaarheid van die afspraak ingeroepen wegens bedrog. Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep (artikel 3:44 Burgerlijk Wetboek). Daarvan is hier sprake. Vast staat dat [gedaagde] op 10 juni 2011 aan [eiser] heeft voorgespiegeld dat de caravan (recent) was verkocht, nog niet was geleverd en dat de verkoopopbrengst € 8.000,00 bedroeg. Dat was onjuist. De caravan was immers al in mei 2010 verkocht en geleverd en de verkoopprijs bedroeg € 9.800,00. Gelet op de aard van de mededeling en de daarvoor aan [eiser], aan haar dochter en aan haar buurman gedane mededelingen (zie hiervoor onder 1), kan niet anders worden aangenomen dan dat [gedaagde] [eiser] opzettelijk onjuist heeft geïnformeerd. Hetgeen [gedaagde] daartegen heeft ingebracht, maakt dat niet anders. De conclusie is dat [eiser] terecht de vernietigbaarheid van de afrekening van 10 juni 2011 heeft ingeroepen en zij daaraan niet langer is gebonden.

7.Dat maakt dat nu alsnog tot een afrekening moet worden gekomen. Vast staat dat de caravan is verkocht voor € 9.800,00. De eerste vraag is of [gedaagde] daarop een bedrag van € 1.800,00 in mindering mag brengen wegens reparatiekosten. Die vraag beantwoordt de kantonrechter negatief. Onvoldoende onderbouwd heeft [gedaagde] haar stelling dat zij van [eiser] opdracht had om de caravan zo nodig te repareren, dat de kosten daarbij niet uitmaakten, dat de gestelde gebreken daadwerkelijk aanwezig waren en dat [gedaagde] de door haar gestelde kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. Van [gedaagde] als professioneel handelaar in caravans, mocht bovendien worden verwacht dat, indien een dergelijk vergaande afspraak zou worden gemaakt, die schriftelijk aan [eiser] zou worden bevestigd. Nu dit niet is gebeurd, en [eiser] die afspraak betwist, dient de onduidelijkheid daarover voor rekening en risico van [gedaagde] te blijven.

8.Dan de bemiddelingskosten. Uitgangspunt is dat een professioneel bemiddelaar als [gedaagde] voor haar werkzaamheden een redelijk loon in rekening mag brengen. Dat is anders indien partijen daar concrete afspraken over hebben gemaakt. Volgens [eiser] hebben partijen afgesproken dat [gedaagde] geen loon zou berekenen. Bovendien vindt zij het onredelijk als [gedaagde] nu alsnog loon in rekening brengt. [gedaagde] betwist dat. De kantonrechter is hierover het volgende van oordeel. Vast staat dat [gedaagde] [eiser] opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt over de datum van verkoop van de caravan, over de verkoopprijs en over het tijdstip waarop [gedaagde] de koopsom heeft ontvangen. Slechts doordat [eiser] hierover zelfstandig bij derden navraag en onderzoek heeft gedaan, is zij van de waarheid op de hoogte geraakt. Het is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde] als professioneel handelaar in caravans onder die omstandigheden alsnog aanspraak maakt op loon/provisie. Dat partijen in eerste instantie mogelijk hadden afgesproken dat loon verschuldigd was, maakt dat niet anders.

9.De kantonrechter ziet evenmin redenen om stallingkosten in rekening te brengen. Onvoldoende onderbouwd heeft [gedaagde] welk bedrag daarmee is gemoeid, nu het slechts een beperkte periode betreft. Immers, [gedaagde] heeft de caravan op 25 februari 2010 opgehaald en al op 25 mei 2010 verkocht. Bovendien heeft [eiser] onbetwist aangevoerd dat ook de koper van de caravan stallingkosten heeft betaald.

10.In verband met de verkoop van de caravan had [eiser] derhalve recht op een bedrag van € 9.800,00. Met de betaling daarvan is [gedaagde] vanaf 25 mei 2010 in verzuim. Zij is daarom ook de wettelijke rente over de uitstaande hoofdsom en buitengerechtelijke kosten verschuldigd.

11.De hoofdsom is thans nog € 2.300,00. Rekening houdend met de betalingen van € 4.500,00 op 10 juni 2011 en € 3.000,00 op 4 augustus 2011 bedraagt de tot 4 augustus 2011 verschenen rente € 331,65. De buitengerechtelijke kosten zijn eveneens toewijsbaar.

12.Als de in het ongelijk gestelde partij dient [gedaagde] de proceskosten te dragen

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagde] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 3.381,65, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.300,00 vanaf 4 augustus 2011 tot de dag van betaling.

Veroordeelt [gedaagde], hoofdelijk zoals hiervoor vermeld, in de proceskosten, die tot heden voor [eiser] worden vastgesteld op een bedrag van € 720,43 (€ 113,43 aan dagvaardingskosten, € 207,00 aan griffierecht en een bedrag van € 400,00 voor salaris van de gemachtigde van [eiser]).

Verklaart de veroordeling(en) in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 11 juni 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter