Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX4424

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
02-08-2012
Datum publicatie
13-08-2012
Zaaknummer
11/1741
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat op 21 augustus 2009 geen duurzame band van persoonlijke aard bestond tussen de overledene en Nederland. Gelet op alle feiten en omstandigheden moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de overledene op die datum ingezetene was en derhalve verzekerd was voor de Anw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1741

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 augustus 2012 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A. van Deuzen),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), gevestigd te Amstelveen, verweerder

(gemachtigde: J.Y. van den Berg).

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw) afgewezen.

Bij besluit van 22 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en haar stiefzoon [naam1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om – conform verweerders ter zitting gedane verzoek - de uitspraak in deze zaak aan te houden, nu gebleken is dat de Centrale Raad van Beroep reeds op 4 mei 2012 (LJN: BW5323, LJN: BW5802 en LJN: BW 5741) uitspraak heeft gedaan in een aantal zaken over het begrip ingezetenschap en de uitleg van het woonplaatsbegrip.

2. De rechtbank dient in deze zaak te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om de aanvraag van eiseres om een nabestaandenuitkering af te wijzen.

3. Op grond van artikel 1, aanhef en onder d, van de Anw wordt verstaan onder nabestaande: de echtgenoot van degene, die op de dag van overlijden verzekerd is op grond van deze wet.

Op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Anw is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene die ingezetene is.

Op grond van artikel 6 van de Anw is ingezetene in de zin van deze wet degene die in Nederland woont.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Anw wordt naar de omstandigheden beoordeeld waar iemand woont.

4. De rechtbank stelt vast dat eiseres en haar echtgenoot, de heer [naam2], tot 1997 in Nederland hebben gewoond. In 1997 hebben zij zich uitgeschreven uit de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) en zijn in Zuid-Afrika gaan wonen en werken. In maart 2009 zijn eiseres en haar echtgenoot naar Nederland teruggekeerd en hebben zich weer laten inschrijven in de GBA. Op 21 augustus 2009 is de echtgenoot van eiseres in Nederland overleden. Eiseres heeft op 3 november 2009 een aanvraag bij verweerder ingediend om in aanmerking te komen voor een nabestaandenuitkering. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de overleden echtgenoot van eiseres (hierna te noemen: de overledene) op de datum van zijn overlijden geen ingezetene was van Nederland en derhalve niet verzekerd was voor de Anw.

5. In het bestreden besluit heeft verweerder aan dit standpunt ten grondslag gelegd dat een juridische band tussen de overledene en Nederland aanwezig is aangezien de overledene de Nederlandse nationaliteit heeft. Deze juridische band is volgens verweerder echter niet voldoende om alleen op grond daarvan te kunnen concluderen dat de overledene ten tijde van zijn overlijden in Nederland woonde. Door de zwakke economische en sociale binding met Nederland lag het middelpunt van het maatschappelijk leven van de overledene volgens verweerder (nog) niet in Nederland.

6. De rechtbank stelt vast, zoals verweerder in het verweerschrift en ter zitting ook heeft toegelicht, dat aan deze motivering in het bestreden besluit inmiddels achterhaald beleid met betrekking tot het begrip ingezetenschap ten grondslag ligt. Dit beleid was gebaseerd op de destijds geldende vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), inhoudende dat voor het antwoord op de vraag of iemand zijn woonplaats in Nederland heeft in het bijzonder van belang is in welke mate een juridische, economische en sociale binding van de betrokken persoon met Nederland aanwezig is. Op het moment dat aan de hand van deze criteria kan worden vastgesteld dat het middelpunt van het maatschappelijk leven in Nederland ligt of is komen te liggen, mag worden aangenomen dat de betrokken persoon zijn woonplaats in Nederland heeft.

7. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 21 januari 2011 en 4 maart 2011 (LJN: BP1466 respectievelijk BP6285) echter geoordeeld dat de wetgever met het woonplaatsbegrip in de volksverzekeringswetten heeft beoogd aan te sluiten bij het fiscale woonplaatsbegrip. De vraag waar iemand woont, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle in aanmerking komende omstandigheden van het geval. Het komt er daarbij op aan of deze omstandigheden van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijk leven zich in Nederland bevindt. Uit de parlementaire geschiedenis van het fiscale woonplaatsbegrip volgt dat de wetgever geen bijzondere betekenis wilde toekennen aan bepaalde (categorieën) omstandigheden, zoals iemands sociale, juridische of economische binding met een land. Niet alleen omstandigheden die kunnen worden gerubriceerd als factoren die een juridische, economische of sociale binding opleveren met Nederland kunnen een rol spelen, aldus de Hoge Raad.

8. Gelet op deze arresten van de Hoge Raad is de vaste jurisprudentie van de CRvB en het daarop gebaseerde beleid achterhaald. Dit betekent dat verweerder het bestreden besluit niet heeft voorzien van een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

9. Naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad heeft verweerder besloten zijn beleid met betrekking tot het begrip ingezetenschap te wijzigen. In een brief van 10 augustus 2011 gericht aan de president van de CRvB heeft verweerder de thans gehanteerde uitgangspunten bij de beoordeling van ingezetenschap meegedeeld en nader toegelicht. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat deze uitgangspunten binnenkort in de Beleidsregels Svb nader kenbaar gemaakt zullen worden. Eén van de uitgangspunten betreft de aanname dat een betrokkene slechts in één land tegelijk woonachtig kan zijn. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat vanuit een fiscaal perspectief een dubbele woonplaats geen onoverkomelijk probleem is. In het kader van de sociale zekerheid is het echter in beginsel onwenselijk dat een persoon in twee landen verzekerd is; enerzijds om dubbele premiebetaling te voorkomen; anderzijds om problemen te voorkomen die zich kunnen voordoen bij de toekenning van uitkeringen. Daarnaast geldt dat verdragen inzake sociale zekerheid ter voorkoming van dubbele verzekering in de regel juist het ingezetenschap als criterium hanteren. Op basis van deze overwegingen heeft verweerder ervoor gekozen aan te haken bij de systematiek van het OESO Modelverdrag die er, anders dan het door de Hoge Raad gegeven beoordelingskader, toe leidt dat een persoon slechts van één land ingezetene kan zijn.

10. Naar aanleiding van de arresten van de Hoge Raad van 21 januari 2011 en 4 maart 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres opnieuw beoordeeld. Deze herbeoordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van de hiervoor onder 9 aangehaalde uitgangspunten, zoals neergelegd in de brief van verweerder aan de president van de CRvB. Verweerder is op basis van deze uitgangspunten van mening dat niet ondubbelzinnig kan worden geconcludeerd dat de overledene op de dag van zijn overlijden een persoonlijke band van duurzame aard met Nederland had. Het enkele feit dat de overledene heeft aangegeven zich definitief in Nederland te willen vestigen is onvoldoende om als ingezetene te worden aangemerkt. De intentie moet uit objectieve feiten en omstandigheden kunnen worden vastgesteld en moet kunnen worden verwezenlijkt. Aan deze voorwaarde is in dit geval volgens verweerder niet voldaan.

11. Eiseres is van mening dat uit het geheel van de feiten en omstandigheden wel degelijk volgt dat haar overleden echtgenoot op de dag van zijn overlijden als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt.

12. Uit de onder 7 weergegeven overwegingen van de Hoge Raad leidt de rechtbank af dat de Hoge Raad geen ruimte ziet voor een andere uitleg van het woonplaatsbegrip bij de uitvoering van de sociale verzekeringswetten dan onder de belastingwetgeving. De rechtbank kan verweerder dan ook niet volgen in het uitgangspunt dat binnen de sociale zekerheid voor een andere invulling van dit begrip moet worden gekozen, waarbij een dubbele woonplaats is uitgesloten. In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 4 mei 2012 (LJN: BW5323). De rechtbank zal dan ook aan de hand van de door de Hoge Raad in de arresten van 21 januari 2011 en 4 maart 2011 gegeven criteria beoordelen of de overleden echtgenoot van eiseres ten tijde van zijn overlijden in Nederland woonde.

13. De rechtbank stelt vast dat verweerder niet heeft weersproken dat de overledene en eiseres de intentie hadden om zich blijvend in Nederland te vestigen om hier samen hun oude dag door te brengen. De rechtbank is op grond van de volgende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat deze intentie zich ook feitelijk heeft geopenbaard.

- De overledene heeft de Nederlandse nationaliteit.

- De overledene stond ingeschreven in de Nederlandse GBA.

- Tijdens eerdere vakanties hebben de overledene en eiseres in Nederland rondgekeken voor een woning. Zij kwamen echter niet in aanmerking voor een sociale huurwoning. Tijdens hun verblijf in Nederland hadden de overledene en eiseres voor onbepaalde tijd een zomerwoning van vrienden in Leersum tot hun beschikking, waarbij afspraken waren gemaakt over de vergoeding van kosten van gas, licht en water. Zij waren op zoek naar een koopwoning.

- De persoonlijke bezittingen van de overledene bevonden zich in Nederland. Alleen de inboedel van hem en eiseres was nog in Zuid-Afrika.

- De familieleden van de overledene, waaronder zijn zoon, wonen in Nederland.

- De vrienden en kennissen van de overledene wonen in Nederland.

- De overledene beschikte sinds 3 maart 2009 over een ziektekostenverzekering in Nederland.

- De overledene beschikte sinds 13 mei 2009 over een WA-verzekering in Nederland.

- De overledene had een huisarts in Nederland.

- Op grond van een chronische aandoening ontvingen de overledene en eiseres een tegemoetkoming van het CAK.

- De overledene beschikte over een vliegticket enkele reis.

14. Een mogelijke contra-indicatie voor het aannemen van ingezetenschap is het feit dat de overledene en eiseres nog over een woning in Zuid-Afrika beschikten. Ter zitting heeft [naam1] toegelicht dat de woning in Zuid Afrika te koop stond op het moment van vertrek van de overledene en eiseres naar Nederland. Het vertrek uit Zuid Afrika heeft door de verslechterde gezondheid van de overledene gehaast plaatsgevonden, zodat de woning toen nog niet was verkocht. Gelet op deze motivering acht de rechtbank verklaarbaar dat de overledene en eisers nog over een woning in Zuid-Afrika beschikten. Het gegeven dat de woning van de overledene en eiseres te koop stond bij hun vertrek uit Zuid-Afrika bevestigt juist hun intentie om zich blijvend in Nederland te vestigen. De rechtbank acht dit feit dan ook niet doorslaggevend.

In de omstandigheid dat de overledene geen werk had tijdens zijn verblijf in Nederland ziet de rechtbank evenmin grond voor een ander oordeel, gelet op zijn slechte gezondheidssituatie op dat moment en het feit dat hij bijna de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt.

15. Acht slaand op alle in aanmerking komende feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat op 21 augustus 2009 geen duurzame band van persoonlijke aard bestond tussen de overledene en Nederland. Op grond van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangenomen dat de overledene op die datum ingezetene was en derhalve verzekerd was voor de Anw.

16. Ter zitting is met partijen besproken dat wanneer de rechtbank tot dit oordeel zou komen nader onderzoek door verweerder noodzakelijk is naar de in artikel 14, eerste lid, van de Anw neergelegde voorwaarden voor toekenning van een nabestaandenuitkering. Gelet hierop zal de rechtbank aan verweerder opdragen opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

17. Bij deze beslissing is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres voor de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechtbank de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,00. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres neemt met

inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,00 aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,00, te betalen

aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, mr. M. Kraefft en mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van mr. S.C. Horio, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 augustus 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.