Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX2809

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-07-2012
Datum publicatie
26-07-2012
Zaaknummer
14.810045-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

overval op casino medeplegen van afpersing bewezenverklaard

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer : 14/810045-12 (P)

Datum uitspraak : 26 juli 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [plaats] ([land]) op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, Huis van bewaring Haarlem te Haarlem

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 april 2012 en van 12 juli 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. E. Boskma, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

primair

hij op of omstreeks 09 augustus 2011 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan casino [naam casino] (gelegen aan de [adres],

aldaar), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) casino [naam casino] is/zijn binnengegaan en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "Geef me het geld, geef me het geld, snel snel, geef me het geld", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking;

subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 09 augustus 2011 in de gemeente Den Helder, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan casino [naam casino] (gelegen aan de [adres], aldaar), in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die [medeverdachte] en/of zijn mededader(s) casino [naam casino] is/zijn binnengegaan en/of een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gericht en/of gericht gehouden en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd "Geef me het geld, geef me het geld, snel snel, geef me het geld", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 09 augustus 2011 in de gemeente Den Helder

en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door toen en daar op de uitkijk te staan.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 9 augustus 2011, tussen 00.23 uur en 00.45 uur, is er een gewapende overval gepleegd op een casino in Den Helder. De aangever heeft verklaard dat een lichtgetinte en een negroïde man als klant het casino zijn binnengekomen. Omstreeks 00.41 uur zag de aangever de negroïde man naar buiten gaan. Op hetzelfde moment zag de aangever dat de getinte man een pistool pakte en op hem en zijn collega richtte. De aangever is gevlucht. De collega van de aangever heeft onder bedreiging van een pistool geld uit de kassa aan de getinte man afgegeven.

Door de aangever zijn de videobeelden van de aanwezige beveiligingscamera’s ter beschikking van de politie gesteld. Uit het politieonderzoek is uiteindelijk gebleken dat de getinte man de medeverdachte [medeverdachte] is en de negroïde man verdachte. Verdachte is op 20 januari 2012 en [medeverdachte] op 28 februari 2012 aangehouden. Zowel verdachte als zijn mededader hebben bij de politie en op de terechtzitting van 19 april 2012 verklaard betrokken te zijn bij de overval op het casino.

Verdachte heeft verklaard dat hij gedwongen is geweest de overval te plegen.

Bij de beraming van de overval zou ook nog een derde betrokken zijn geweest, namelijk [naam], die tevens het plan heeft bedacht. [medeverdachte], [naam] en verdachte hebben elkaar in een café ontmoet. Vervolgens hebben [naam] en [medeverdachte] tegen verdachte gezegd dat hij de overval moest plegen. Buiten het café is verdachte met een vuurwapen bedreigd. [naam] is meegelopen naar het casino en heeft buiten staan wachten. Verdachte kon niet weg omdat er een wapen op hem gericht was.

Op de terechtzitting van 19 april 2012 is de zaak, en tevens de zaak van de medeverdachte [medeverdachte], verwezen naar de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, na een verzoek van de officier van justitie om [naam] over zijn vermeende betrokkenheid bij de overval te horen. Op 2 juli 2012 is [naam] door de rechter-commissaris voornoemd gehoord, waarbij [naam] iedere betrokkenheid heeft ontkend. [medeverdachte] heeft verklaard dat alleen hij en verdachte bij de overval betrokken zijn geweest.

De rechtbank dient te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van afpersing dan wel slechts medeplichtig is geweest. Voorst dient de rechtbank te beoordelen of aannemelijk is geworden of verdachte hiertoe is gedwongen, wat van belang kan zijn voor de strafbaarheid van verdachte.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de overval. De officier van justitie heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte en zijn mededader samen het casino zijn binnengegaan. Verdachte heeft het wapen aan zijn mededader gegeven, wetende dat daarmee de overval gepleegd zou worden. Gelet op alle omstandigheden heeft verdachte een substantiële bijdrage geleverd aan het misdrijf. De betrokkenheid van verdachte is verder gegaan dan alleen op de uitkijk staan.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft verklaard dat de verdachte wel betrokken is geweest bij de overval, maar dat zijn rol duidelijk van een andere aard is van die van zijn mededader. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van het teruggeven van het wapen aan de mededader en het verlaten van het casino door verdachte ook geconcludeerd zou kunnen worden dat verdachte zich op het laatste moment heeft willen distantiëren.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Op 9 augustus 2011, tussen 00.23 uur en 00.45 is het casino [naam casino] aan [adres] in Den Helder overvallen. [slachtoffer 2], één van de overvallen medewerkers van het casino, heeft als volgt verklaard. Tussen 22.45 uur en 23.00 uur kwamen er twee mannen het casino binnenlopen. De ene man had een donkere huidskleur, de ander was lichtgetint. De mannen hebben vervolgens achter een gokkast plaatsgenomen. Enige tijd later bevonden [slachtoffer 2] en zijn collega [slachtoffer 1] zich achter de bar. [slachtoffer 2] zag [slachtoffer 1] wegrennen naar een ruimte vlakbij de bar. Op hetzelfde moment zag [slachtoffer 2] dat de lichtgetinte man ter hoogte van de kassa stond. De man kwam op [slachtoffer 2] afgelopen terwijl hij een vuurwapen op hem gericht hield. Hij hoorde dat de man zei: “Geef mij het geld, geef mij het geld, snel snel, geef mij het geld.” De man gaf [slachtoffer 2] een zwart tasje, waaruit hij begreep dat hij daar het geld in moest doen. De man stond toen op 1 meter afstand van [slachtoffer 2] en hield het wapen nog steeds op hem gericht. [slachtoffer 2] heeft geld uit de kassa gepakt en in het tasje gedaan. Vervolgens heeft hij het tasje teruggegeven aan de man. Toen schoot een bezoeker van het casino te hulp en is met een kruk in zijn handen richting de overvaller gelopen. Vervolgens is de overvaller richting de uitgang gelopen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij de donkere man heeft gezien voor de overval en dat hij hem na de overval het pand heeft zien uit lopen. De donkere man had toen zijn capuchon op zijn hoofd gedaan. Tijdens de overval heeft hij de donkere man niet gezien. Aangever [slachtoffer 1] heeft gezien dat de man met de donkere huidskleur voor de overval naar buiten liep en aan de buitenzijde van het casino voor de glazen deuren bleef staan. Toen zag hij dat de lichtgetinte man een wapen uit zijn tas haalde en op hem, [slachtoffer 1], richtte. Hierop is [slachtoffer 1] weggevlucht door een deur achter hem.

Ook de te hulp geschoten casinobezoeker, [getuige], heeft verklaard dat hij de overvaller heeft zien wegrennen samen met een tweede jongen met een capuchon op.

In het dossier bevinden zich prints van de beelden van de bewakingscamera’s van het pand [adres] in Den Helder. Het zijn beelden van zes cameraopstellingen die gezamenlijk een compleet overzicht geven van het casino. Deze beelden zijn uitgekeken en hiervan is proces-verbaal opgemaakt. De beelden zijn tevens door de officier van justitie vertoond op de terechtzitting van 12 juli 2012. Op de beelden is het volgende te zien. Omstreeks 23.40 uur zijn verdachte en [medeverdachte] de centrale hal van het pand binnengekomen. [medeverdachte] droeg een rugtas op zijn rug. Verdachte en [medeverdachte] hebben het casino betreden. [medeverdachte] had nog steeds de tas in zijn handen. Even later is op de beelden te zien dat verdachte de tas in zijn handen hield. Verdachte is vervolgens met de tas naar het toilet gegaan en weer teruggekomen. Vervolgens is verdachte naar de uitgang gelopen. [medeverdachte] is met de tas in zijn handen naar de bar gelopen. Vervolgens heeft de overval plaatsgevonden, waarbij op de beelden waarneembaar is dat verdachte nog steeds bij de toegangsdeur van het casino stond. Toen heeft de interventie van de bezoeker van het casino met de barkruk plaatsgevonden. Verdachte heeft de capuchon van zijn jas opgezet en is het casino weer binnengekomen. [medeverdachte] is vervolgens het casino uitgerend gevolgd door verdachte. Buiten gekomen zijn beide mannen in dezelfde richting weggerend.

[medeverdachte] heeft verklaard samen met verdachte de overval te hebben gepleegd. Ze zijn samen naar het casino zijn gegaan met het plan een overval te plegen. In het casino heeft verdachte de tas met het wapen aan [medeverdachte] gegeven. [medeverdachte] heeft het casinopersoneel met het wapen bedreigd en geld geëist. [medeverdachte] heeft glas horen breken en is er een kruk naar hem gegooid. [medeverdachte] heeft de tas gepakt en is naar buiten gevlucht. Daar trof hij verdachte weer. [medeverdachte] en verdachte zijn samen op de fiets gevlucht.

Verdachte heeft op de terechtzitting van 19 april 2012 verklaard dat hij met [medeverdachte] tevoren over het plegen van een overval op het casino heeft gesproken. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij wist dat er zich in de tas, die zij meenamen naar het casino, een wapen bevond, dat hij de tas in het casino enige tijd onder zich heeft gehad en dat hij de tas later weer heeft teruggegeven aan [medeverdachte]. Voorts heeft verdachte voor het casino gewacht en is op enig moment weer het casino binnengegaan, waarna verdachte en [medeverdachte] zijn gevlucht.

Medeplegen of medeplichtigheid

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing dan wel medeplichtig is geweest.

Medeplegen is een vorm van daderschap waarbij het delict samen en in vereniging met een ander of anderen wordt gepleegd. De medepleger staat gelijk aan de feitelijke dader als het gaat om de vraag of hij strafbaar heeft gehandeld. Voor medeplegen is vereist dat er sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking en een gezamenlijke uitvoering. Die samenwerking is aanwezig indien de medeplegers willens en wetens samenwerken tot het plegen van een strafbaar feit. Van medeplichtigheid kan sprake zijn indien men behulpzaam is bij het plegen van een misdrijf dan wel daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft.

Uit het dossier en het verhandelde op de terechtzitting is gebleken dat verdachte bij de voorbereiding van de overval betrokken is geweest. Verdachte en zijn mededader hebben vooraf afgesproken de overval te gaan plegen. Verdachte wist dat er een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zou worden gebruikt bij de overval. Vervolgens is verdachte met zijn mededader meegegaan naar het casino. Verdachte heeft in het casino de tas met daarin het wapen in handen gehad en heeft deze tas teruggegeven aan zijn mededader wetende dat het wapen zou worden gebruikt voor de overval. Vervolgens is verdachte naar buiten gelopen en is voor de toegangsdeur van het casino blijven staan. Op het moment dat zijn mededader wordt belaagd met een barkruk is verdachte weer het casino ingegaan. Op de beelden van de beveiligingscamera is te zien dat verdachte alvorens het casino te betreden eerst zijn jas dicht heeft geritst en zijn capuchon heeft opgezet. Tevens blijkt uit de camerabeelden dat verdachte en zijn mededader samen zijn gevlucht.

De rechtbank is van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte zich samen met zijn mededader heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van afpersing. De rechtbank acht het ten laste gelegde dan ook bewezen als hierna te melden.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 9 augustus 2011 in de gemeente Den Helder tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan casino [naam casino] (gelegen aan de [adres], aldaar), welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader casino [naam casino] zijn binnengegaan en een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, op die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gericht en gericht gehouden en daarbij tegen die [slachtoffer 2] heeft gezegd "Geef me het geld, geef me het geld, snel snel, geef me het geld";

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Afpersing, terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer verenigde personen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte heeft verklaard door [medeverdachte] en een derde, genaamd [naam], te zijn gedwongen, mee te werken aan de overval.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat er een derde bij de overval betrokken is geweest en ook niet dat verdachte de overval onder dwang heeft moeten plegen. De officier van justitie komt tot deze conclusie op grond van de verklaring van de medeverdachte, de camerabeelden en de wisselende verklaringen en het gedrag van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat de door de rechter-commissaris als getuige gehoorde [naam] geen enkele openheid van zaken heeft gegeven. Daarmee staat de geloofwaardigheid van de verklaring van [naam] ter discussie. Naar het gevoel van de raadsman heeft [naam] bij de overval wel een rol gespeeld, maar de raadsman heeft ook verklaard dit niet nader te kunnen onderbouwen.

Oordeel van de rechtbank

Uit het verhoor van [naam] door de rechter-commissaris op 2 juli 2012 zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die het standpunt van de raadsman over de rol van [naam] onderbouwen. [medeverdachte] heeft hier ook niet over verklaard. Tevens zijn in het dossier geen andere aanknopingspunten aangetroffen die ter onderbouwing zouden kunnen dienen. Het is alleen de verklaring van verdachte, waarmee hij pas op een later tijdstip in het onderzoek is gekomen, waar de rechtbank het mee moet doen.

Gelet op de onvoldoende feitelijke onderbouwing van het door de raadsman gevoerde verweer passeert de rechtbank dit.

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 30 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden in voorwaardelijke vorm en een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft verklaard bij haar strafeis rekening te hebben gehouden met de effecten van de Wet Voorwaardelijke Invrijheidsstelling. Tevens heeft de officier van justitie de oplegging van bijzondere voorwaarden conform het reclasseringsadvies gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte acht de oplegging van een langdurige gevangenisstraf niet zinvol. De reclassering heeft een plan van aanpak opgesteld en wil met verdachte aan de slag.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede op grond van de persoon van verdachte zoals dit is gebleken uit het onderzoek op de terechtzittingen en het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 23 januari 2012. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de over verdachte uitgebrachte rapportages, te weten:

- het beknopte reclasseringsadvies, gedateerd 23 januari 2012, opgesteld door M. Carduck, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Adviesunit Alkmaar;

- het reclasseringsadvies, gedateerd 29 maart 2012, opgesteld door M.T. Meywes, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Adviesunit Haarlem.

Uit laatstgenoemde rapportage blijkt het volgende. De verstandelijke vermogens van verdachte zijn getest door Stichting MEE, maar verdachte weet de uitslag niet meer. De maatschappelijk werkster in het Huis van bewaring heeft geen mogelijkheid om de verstandelijke vermogens van verdachte te testen, maar heeft wel de indruk dat verdachte op een zeer laag niveau functioneert. Betrokkene heeft praktijkonderwijs gevolgd en ontvangt een Wajong-uitkering. Het recidiverisico wordt ingeschat als laaggemiddeld, waarbij zijn verstandelijke vermogen, gedrag en zijn schulden een risicofactor vormen.

De reclassering heeft wel de indruk dat verdachte vanwege zijn mogelijk verstandelijke beperking sneller beïnvloedbaar is door anderen.

Geadviseerd wordt verdachte als onderdeel van bijzondere voorwaarden een meldingsgebod op te leggen.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft met een ander een gewapende overval gepleegd op het casino in Den Helder. Onder bedreiging van vuurwapen of een op een vuurwapen gelijkend voorwerp is van de medewerkers van het casino de inhoud van de kassa geëist. Het is algemeen bekend dat de slachtoffers van een dergelijk overval nog langdurig kunnen lijden onder de psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Ook in het algemeen brengt een dergelijk misdrijf gevoelens van angst en onveiligheid bij burgers te weeg. De ernst van het feit rechtvaardigt een langdurige gevangenisstraf.

Bij het bepalen van de duur van de straf neemt de rechtbank als uitgangspunt de door het Landelijk overleg van voorzitters van strafsectoren van gerechtshoven en rechtbanken vastgestelde oriëntatiepunten voor straftoemeting. Die oriëntatiepunten geven als uitgangspunt voor een overval op een winkel (inclusief bank, benzinestation en postagentschap) met licht geweld en/of bedreiging met geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 jaar. Als strafverzwarende omstandigheid heeft de rechtbank de aanwezigheid van een vuurwapen dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp meegewogen.

De rechtbank is, gelet op vooraanstaande, van oordeel dat de oplegging van een vrijheidsstraf op zijn plaats is. Daarbij zal de rechtbank een deel in voorwaardelijke vorm opleggen en tevens ter voorkoming van recidive aan de daarbij bepaalde proeftijd bijzondere voorwaarden conform het reclasseringsadvies verbinden. De rechtbank ziet in de persoon van de verdachte, zoals ook ter terechtzitting naar voren is gekomen, wat betreft de duur van de op te leggen straf, aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

9. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [naam B.V.] B.V. ([naam], [vestigingsplaat], gemachtigde [naam 2]) heeft een vordering tot schadevergoeding van € 55.147,61 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit:

- schade ruit: € 703,52;

- (na bijstelling op de terechtzitting van 12 juli 2012) extra gemaakte beveiligingskosten in de periode van 15 augustus 2011 tot en met januari 2012:

€ 30.003,-.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de beveiligingskosten op het standpunt gesteld dat deze kosten in een te ver verwijderd verband staan tot het strafbare feit. Daarom dient dit deel van de vordering te worden afgewezen. De glasschade acht de officier van justitie wel voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het strafbare feit en de extra beveiligingskosten. Schadevergoeding ziet op kosten die nodig zijn tot herstel van de oude situatie en hier heeft de extra beveiliging bijgedragen aan een verbetering van de situatie. De kosten hiervan kunnen niet afgewenteld worden op verdachte. Daarom verzoekt de raadsman de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft zich niet verzet tegen toewijzing van een vergoeding voor de glasschade.

Oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij, voor zover die de glasschade betreft, geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek “bewezenverklaring” onder primair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, ook al is een andere dader hierbij betrokken, rechtstreeks schade geleden, kan de vordering worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij het bedrag exclusief btw toekennen, nu zonder nadere onderbouwing mag worden aangenomen dat de btw voor de benadeelde partij, een besloten vennootschap, aftrekbaar is. Derhalve kan de vordering met betrekking tot de glasschade tot een bedrag van

€ 591,19 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, 9 augustus 2011.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet gehouden tot vergoeding voor zover het toewijsbare reeds door de mededader aan de benadeelde partij is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering, namelijk de extra beveiligingskosten vanaf de datum van de overval tot en met januari 2012, een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank acht het wel begrijpelijk dat er extra veiligheidsmaatregelen getroffen zijn, maar of en in hoeverre de thans opgevoerde beveiligingskosten als rechtstreekse schade veroorzaakt door de overval aan verdachte en zijn mededader toe te rekenen zijn is voor de rechtbank onvoldoende inzichtelijk. Zo is niet duidelijk geworden op basis waarvan, in vergelijking met de situatie vóór de overval, is gekozen voor déze mate van extra beveiligingsuren. De rechtbank kan om die reden niet beoordelen of de inzet van het aantal extra beveiligingsuren redelijk en billijk is. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering waarin zij niet-ontvankelijk is verklaard desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek “bewezenverklaring” bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. Beslissing

Verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 8 (acht) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich na zijn detentie zo spoedig mogelijk meldt bij de reclassering, Zijlweg 148C, te Haarlem;

- dat veroordeelde zich gedurende op door de reclassering te bepalen tijdstippen zal melden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [ naam B.V.] B.V. ([naam], [vestigingsplaats]) tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 591,19 (vijfhonderd eenennegentig euro en negentien cent) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 9 augustus 2011.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededader zijn voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam B.V.] B.V. ([naam], [vestingingsplaats]) te betalen een som geld ten bedrage van € 591,19, (vijfhonderd eenennegentig euro en negentien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit, te weten 9 augustus 2011, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 (elf) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E.C. de Wit, voorzitter,

mr. G.A.M. van Dijk en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van Randeraat, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 juli 2012.