Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BX2148

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
25-06-2012
Datum publicatie
19-07-2012
Zaaknummer
14-811018-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

"Minderjarige verdachte van dodelijke steekpartij geschorst uit de voorlopige hechtenis. Afweging van alle belangen, ook die van de nabestaanden. Art. 5 EVRM. Geen voorschot op de mogelijke straf. Aan schorsings diverse voorwaarden verbonden, waaronder huisarrest."

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/205
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Straf

SCHORSING VOORLOPIGE HECHTENIS

Parketnummer: 14/811018-12

Gezien de strafzaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum]

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats]

thans gedetineerd in Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim;

Gelet op de behandeling in raadkamer d.d. 25 juni 2012;

Gehoord het verzoek van 20 juni 2012 tot schorsing van de voorlopige hechtenis waarin verdachte zich bevindt;

Gezien de stukken, waaronder het bevel gevangenhouding d.d. 29 maart 2012,

het bevel 1e verlenging gevangenhouding d.d. 26 april 2012 en het bevel 2e

verlenging gevangenhouding d.d. 24 mei 2012;

Gehoord de officier van justitie mr. L.F. Ringnalda;

Gehoord de verdachte en diens raadsvrouw mr. A.N. Slijters;

Gehoord de standpunten van de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering;

Overweegt het volgende:

1. Uitgangspunt van het Nederlandse strafrecht is dat een verdachte de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak op de terechtzitting in beginsel thuis mag afwachten. Dat is slechts anders, wanneer er ernstige bezwaren tegen de verdachte bestaan en er een grond is (of meer dan één) om een verdachte in voorlopige hechtenis te houden. Daarvan is in dit geval sprake; [verdachte] zit in voorlopige hechtenis.

Een tweede uitgangspunt bij minderjarige gedetineerden is dat zij worden geschorst uit de voorlopige hechtenis, tenzij er zwaarwegende argumenten zijn die zich daartegen verzetten.

2. Eén van die argumenten is mogelijk het belang van het onderzoek. [verdachte] is op 18 maart 2012 aangehouden en zit sinds die datum vast. De eerste periode was dat in het belang van het onderzoek in alle beperkingen; hij mocht toen slechts met zijn advocaat praten en er was verder geen contact met de buitenwereld. Op 27 maart 2012 zijn die beperkingen opgeheven.

De raadsvrouw van [verdachte] heeft inmiddels verzocht om een aantal door de politie gehoorde getuigen opnieuw te horen, nu bij de rechter-commissaris. Dat verzoek is toegewezen. Zoals ter zitting van 20 juni 2012 door de rechtbank is overwogen betekent dat echter niet dat [verdachte] om die reden nog langer zou moeten blijven vastzitten.

3. [verdachte] heeft aangegeven te zullen meewerken aan een onderzoek naar zijn persoon door een psycholoog en een psychiater. De jeugdreclassering heeft bevestigd dat het voor een dergelijk onderzoek in deze zaak niet noodzakelijk is dat [verdachte] daarvoor gedetineerd blijft. Er is weliswaar door de rechter-commissaris een bevel observatie gegeven, maar dat is – gelet op de motivering van die beslissing – uitsluitend gedaan voor het geval [verdachte] niet geschorst zou worden. Indien dat wel het geval zou zijn, zou kunnen worden volstaan met een zogenaamd ambulant persoonlijkheids-onderzoek.

Overigens is ter zitting van 25 juni 2012 uit de rapportage van de Raad voor de kinderbescherming (hierna: Raad) gebleken dat het uit te voeren observatie-onderzoek bij ForCa mogelijk pas eind juli 2012 zou kunnen beginnen.

Behalve de hiervoor vermelde onderzoeken zijn er geen andere onderzoeksbelangen die zich verzetten tegen een schorsing van [verdachte].

4. Een tweede mogelijk argument tegen schorsing is de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit door verdachte. Uit de rapportages van de Raad en van de Jeugdreclassering blijkt echter dat deze zogenaamde recidivekans als laag moet worden ingeschat.

5. Als derde argument wordt door de Raad en door Jeugdreclassering aangevoerd dat er kans is op repressailles en dat onduidelijk is of de veiligheid van [verdachte] kan worden gewaarborgd als hij weer thuis zou zijn. Ongewis is immers hoe in zijn woonomgeving - tevens de woonomgeving van de familie en vrienden van het slachtoffer – gereageerd zal worden op een schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dat kan echter geen reden zijn om [verdachte] van zijn vrijheid beroofd te houden, indien hij en zijn ouders ervoor kiezen om dit risico aan te gaan.

6. Het zwaarste argument tegen een schorsing is in deze zaak gelegen in de belangen en gevoelens van de familie van het slachtoffer [slachtoffer]. Zeer begrijpelijk is dat zij zich niet kunnen voorstellen – zoals door de officier van justitie namens hen ter zitting is aangevoerd – dat zij de veroorzaker van de dood van [slachtoffer] op dit moment op straat zouden tegenkomen.

Daar staat tegenover dat een ieder het recht heeft op vrijheid van zijn persoon (artikel 5 EVRM) en dat een ieder in beginsel het recht heeft om buiten detentie de inhoudelijke behandeling van de strafzaak af te wachten. Dat geldt bij het volwassenenstrafrecht, maar des te meer bij de toepassing van het jeugdstrafrecht. Bij de te nemen beslissing over de voorlopige hechtenis zal altijd een afweging plaats vinden tussen de ernst van het delict, de gevolgen daarvan en de persoon van de verdachte.

In deze zaak heeft de rechtbank informatie ontvangen die relevant is voor de beslissing.

Uit een verslag van de Justitiële Jeugdinrichting Teylingereind blijkt het volgende. [verdachte] heeft inmiddels bekend dat er iemand dood is door zijn schuld. Hij verklaart dat hij het zichzelf niet kan vergeven dat dit is gebeurd. Hij zegt zich heel goed te realiseren dat de ouders van [slachtoffer] hun zoon nooit meer terugkrijgen en heeft het daar heel moeilijk mee, volgens de verklaring van de gedragswetenschapper van Teylingereind. [verdachte] wordt steeds somberder nu hij begrijpt dat hij de rest van zijn leven eraan zal denken dat er iemand door zijn schuld dood is.

7. Bij de afweging van het belang van strafvordering tegen het persoonlijke belang van de – in dit geval – 16-jarige verdachte om niet van zijn vrijheid te zijn beroofd, legt dat laatste belang meer gewicht in de schaal naarmate de tijd voortschrijdt. Op een bepaald moment moet geoordeeld worden dat het belang van de verdachte groter is dan dat van strafvordering, zelfs als het gaat om een zeer ernstig strafbaar feit, zoals waarvan hier sprake is. Naar het oordeel van de rechtbank is dat moment nu aangebroken en slaat de weegschaal door in het voordeel van de verdachte. [verdachte] is nooit eerder in aanraking gekomen met justitie en zit op dit moment al meer dan drie maanden gedetineerd, zonder dat hij is veroordeeld. Daar komt bij dat hij in ieder geval op enig moment weer ‘buiten’ zal komen en dat het waarschijnlijk ook dan voor de familie en vrienden van [slachtoffer] nauwelijks aanvaardbaar zal zijn.

Ten slotte heeft de jeugdreclassering inmiddels een plan van aanpak opgesteld en ondersteunt daarmee het schorsingsverzoek. De jeugdreclassering heeft ter zitting aangegeven dat het op dit moment pedagogisch niet langer verantwoord is om [verdachte] langer in detentie te houden en dat het zelfs schadelijk is voor zijn ontwikkeling als hij langer in Teylingereind zou moeten blijven.

8. Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot schorsing toewijzen, onder het opleggen van een aantal algemene en bijzondere voorwaarden. Indien een van deze voorwaarden niet zal worden nageleefd, bestaat voor de officier van justitie de mogelijkheid te vorderen dat de schorsing weer zal worden opgeheven.

9. De rechtbank overweegt hierbij overigens nadrukkelijk dat indien zij in een later stadium van de procedure komt tot een veroordeling van [verdachte] voor dit zeer ernstige feit, het voorstelbaar is dat die veroordeling tot een langduriger detentie leidt dan het aantal dagen dat verdachte nu in voorlopige hechtenis verblijft. Ter zitting is dit aan [verdachte] meegedeeld en hij heeft aangegeven dit onder ogen te zien.

10. In verband met het hiervoor onder 5. en 6. vermelde zal de schorsing niet direct ingaan, maar over twee dagen, om het openbaar ministerie in de gelegenheid te stellen om de familie van het slachtoffer in te lichten over deze beslissing van de rechtbank. Bovendien kunnen dan ook andere organisatorische aspecten beter worden voorbereid, zoals het voorkomen dat er op enige wijze een confrontatie van de familie van het slachtoffer met verdachte plaatsvindt.

11. [verdachte] en zijn ouders hebben aangegeven dat zij graag op enig moment in gesprek willen met de ouders van het slachtoffer. De rechtbank acht het geraden het initiatief daartoe bij de officier van justitie te laten. Tot dat moment zal voor [verdachte] als bijzondere voorwaarde gelden dat hij geen contact met de familie van het slachtoffer mag opnemen.

12. Twee andere bijzondere voorwaarden zien op het verplicht volgen van onderwijs en stage. In beide gevallen zal het vervoer van en naar opleiding en stage slechts onder begeleiding zijn toegestaan.

13. Ten slotte is van belang dat [verdachte] niet zonder begeleiding van (een van) zijn ouders zijn woning mag verlaten. Voor hem geldt dus tot nader order een huisarrest. Hij zit niet langer in detentie, maar komt op deze wijze ook niet echt vrij.

Gelet op de desbetreffende wetsartikelen, waaronder de artikelen 80 en 493 Wetboek van Strafvordering;

BESCHIKKENDE:

Schorst de voorlopige hechtenis, waarin verdachte zich bevindt met ingang van

woensdag 27 juni 2012 te 9.00 uur;

Verbindt aan die schorsing de volgende voorwaarden:

1. dat de verdachte, indien de opheffing van de schorsing wordt bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel voorlopige hechtenis niet zal onttrekken;

2. dat de verdachte, ingeval hij wegens het feit, waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen, tot een andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zich aan de tenuitvoerlegging daarvan niet zal onttrekken;

3. dat de verdachte zich niet aan strafbare feiten zal schuldig maken;

4. dat de verdachte gevolg zal geven aan iedere oproep van politie en justitie;

5. dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

6. dat de verdachte zich gedraagt naar de aanwijzingen te geven door of namens de afdeling Jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar, noodzakelijk oordeelt, waarbij de jeugdreclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

7. dat de verdachte zal meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en het tot stand komen van een dubbelrapportage;

8. dat de verdachte zijn woning niet zal verlaten zonder begeleiding van (een van) zijn ouders;

9. dat de verdachte 1 dag per week onderwijs zal volgen via het BAP en uitsluitend onder begeleiding naar en van school zal gaan;

10. dat de verdachte 4 dagen per week werkzaamheden zal verrichten in het bedrijf van zijn vader en uitsluitend onder begeleiding naar en van het werk zal gaan;

11. dat de verdachte op geen enkele wijze - direct of indirect – zonder toestemming van de officier van justitie contact zal opnemen, zoeken of hebben met de familie van het slachtoffer [slachtoffer];

12. dat de verdachte de reeds ingezette MDFT-therapie zal voortzetten en daaraan zal meewerken.

Aldus gedaan in raadkamer van genoemde rechtbank op 25 juni 2012

door mr. L.J. Saarloos, voorzitter, tevens kinderrechter en mrs W.C. Oosterbroek en G.A.M. van Dijk, leden, in tegenwoordigheid van J.K. Krijnen, griffier en ondertekend door de voorzitter en de griffier.