Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW9582

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
19-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
14.810063-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verplichte behandeling en deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor recidivist diefstal, heling, vernielingen en een bedreiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.810063-12 (P)

Datum uitspraak: 19 juni 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op [adres en woonplaats]

thans gedetineerd te PI Midden Holland, HvB Haarlem te Haarlem.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

5 juni 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. R.J. Pardijs, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij een of meermalen in of omstreeks de periode van 28 januari 2012 tot en met 29 januari 2012 in de gemeente Hoorn (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit [naam etablissement] heeft weggenomen een krat bier en/of een krat met levensmiddelen en/of goederen en/of drie, althans een of meer dozen bitterballen en/of nasihapjes, in elk geval (telkens) enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

2. primair hij op of omstreeks 20 januari 2012 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een schuur [adres] heeft weggenomen een damesfiets en/of een herenfiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2. subsidiair hij op of omstreeks 20 januari 2012 te in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een damesfiets en/of een herenfiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die damesfiets en/of die herenfiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

3.

hij op of omstreeks 12 januari 2012 in de gemeente Hoorn [slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een slaande/gooiende beweging gemaakt met zijn hand, waarin hij een steen, althans een zwaar voorwerp vasthield, in de richting van die [slachtoffer 3];

4. primair hij in of omstreeks de periode van 06 januari 2012 tot en met 07 januari 2012 in de gemeente Hoorn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een zwarte (dames)fiets en/of een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4. subsidiair hij in of omstreeks de periode van 06 januari 2012 tot en met 16 januari 2012 in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, een zwarte (dames)fiets en/of een laptop heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die (dames)fiets en/of laptop wist, in elk geval redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

5. primair hij op of omstreeks 02 december 2011 in de gemeente Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames)fiets (merk: Batavus), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

5. subsidiair hij in of omstreeks de periode 02 december 2011 tot en met 17 december 2011 in de gemeente Hoorn, in elk geval in Nederland, een (dames)fiets (merk: Batavus) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van (dames)fiets wist, in elk geval redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

6.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 december 2011 tot en met 3 januari 2012 in de gemeente Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruiten (behorende bij panden aan [straatnaam 1] en/of [straatnaam 2] en of [straatnaam 3]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] en/of [slachtoffer 10], in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door (telkens) met een lifehammer tegen die/dat ruit(en) te slaan;

7. (14.700460.12)

hij op of omstreeks 27 december 2011 in de gemeente Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een (ruit van een) politieauto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Politie Noord-Holland Noord, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door een baksteen, althans een (zwaar) voorwerp tegen/door (die ruit van) die politieauto te gooien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 2. primair, 4. primair en 5. primair ten laste gelegde.

De officier van justitie is van oordeel dat het onder 1, 2. subsidiair, 3, 4. subsidiair, 5. subsidiair, 6 en 7 ten laste gelegde dient te worden bewezen verklaard.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

Verdachte heeft bekend dat hij feit 1 en 6 heeft gepleegd zoals ten laste gelegd.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 1 en 2. subsidiair en 6. ten laste gelegde en heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 3, 4, 5 en 7.

Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1:

De rechtbank acht op basis van:

- de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 5 juni 2012;

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1],

nummer PL10HR 2012011378-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] (p. 15 e.v.);

- het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van de politie Noord-Holland

Noord, nummer PL10HR 2012011378-9 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] (p. 22 e.v.);

wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde, zoals hierna in de rubriek ‘Bewezenverklaring’ zal worden aangeduid, heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2:

Uit de aangifte van benadeelde [slachtoffer 2] blijkt dat op 20 januari 2012 tussen 14.00 uur en 16.00 uur twee fietsen zijn weggenomen uit de afgesloten schuur naast de woning aan [adres] te Hoogkarspel. De schuurdeur bleek te zijn geforceerd. Op camerabeelden van [bedrijfsnaam] is te zien dat de betreffende fietsen op 20 januari 2012 vanaf 15.41 uur worden aangeboden door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] en dat ieder een biljet van 50 euro in ontvangst neemt. Verdachte heeft op de terechtzitting van 5 juni 2012 bevestigd dat hij de persoon is die samen met [medeverdachte 2] op de beelden zichtbaar is. Verdachte heeft verder verklaard dat een medewerker van [bedrijfsnaam] 100 euro betaalde voor de twee fietsen en dat hij en [medeverdachte 2] ieder vijftig euro hebben ontvangen.

Conclusie van de rechtbank:

Uit de hiervoor vermelde bewijsmiddelen blijkt dat er slechts een zeer kort tijdsverloop is geweest tussen de diefstal van de twee fietsen in Hoogkarspel en het aanbieden van de fietsen door verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] bij [bedrijfsnaam] in Hoorn.

De rechtbank concludeert dat er sprake is geweest van ‘medeplegen’ van diefstal, nu binnen die korte tijd de afstand tussen Hoogkarspel en Hoorn is afgelegd met twee fietsen. Daarbij komt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] ‘de buit’ verdelen, hetgeen de verklaring van verdachte, dat hij enkel uit verveling met [medeverdachte 2] is meegelopen naar [bedrijfsnaam] nadat hij hem was tegengekomen met twee fietsen, ongeloofwaardig maakt.

De rechtbank acht het onder 2. primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, inhoudende dat verdachte tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] de twee fietsen middels braak heeft weggenomen in Hoogkarspel.

Ten aanzien van feit 3:

[slachtoffer 3] heeft aangifte gedaan van bedreiging met geweld, gepleegd op 12 januari 2012 omstreeks 00.40 uur. Uit de aangifte blijkt het volgende. Aangever is als machinist werkzaam bij de NS. Hij zag dat er een man vanaf het spoor perron 1 van het station in Hoorn opklom met twee grote brokken steen in zijn handen. De man gooide vervolgens een stuk steen tegen een abrihokje op het perron, waardoor het glas met een grote knal brak. De man kwam in de richting van aangever lopen, waarop aangever hem aansprak. Aangever zag dat de man één van zijn armen ophief en met een steen in de hand een slaande beweging maakte. Aangever voelde zich bedreigd en was ervan overtuigd dat de man van plan was om de steen tegen zijn hoofd te gooien.

Omstreeks 00.47 uur is de politie ter plaatse gekomen. De politie wordt aangesproken door aangever [slachtoffer 3], die zegt dat [getuige 1]weet hoe de dader heet. [getuige 1] deelt mee dat de dader [verdachte] heet.

Op 7 februari 2012 heeft [getuige 1] als getuige bij de politie een verklaring afgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat zij op 12 januari 2012 omstreeks 00.40 uur op het spooremplacement in Hoorn was. Zij hoorde een hard geluid van glasgerinkel. Ze zag dat het glas van een abri was vernield en hoorde later van omstanders dat dit met een steen was gebeurd. [getuige 1] zag de haar bekende [verdachte] voor de vernielde abri staan. Ze zag dat er een NS medewerker kwam aanlopen die [verdachte] aansprak. Er ontstond een soort woordenwisseling. Ze zag toen dat [verdachte] een soort slaande beweging maakte naar de NS medewerker. [getuige 1] verklaart tot slot dat de afstand tussen de NS medewerker en [verdachte] ongeveer een halve meter was op het moment dat [verdachte] die slaande beweging maakte.

Conclusie van de rechtbank:

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, acht de rechtbank het onder 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, inhoudende dat verdachte degene is geweest die aangever [slachtoffer 3] heeft bedreigd door met een steen in de hand een slaande beweging in de richting van [slachtoffer 3] te maken.

Ten aanzien van feit 4:

[slachtoffer 4] heeft aangifte gedaan van diefstal van haar fiets uit de schuur in Hoorn, gepleegd tussen 6 januari 2012 om 22.00 uur en 7 januari 2012 om 12.00 uur. Op 8 januari 2012 is de politie in een pand geweest in Hoorn waar op dat moment onder meer verdachte aanwezig was. De politie trof daar een grijze notebook van het merk HP aan. Verdachte heeft ter plekke aan de verbalisanten verklaard dat de notebook van hem is en dat hij deze buiten heeft gevonden.

Uit onderzoek van de digitale recherche is vervolgens gebleken dat de laptop meer dan waarschijnlijk toebehoort aan aangeefster [slachtoffer 4]. [slachtoffer 4] heeft desgevraagd bevestigd dat haar laptop zich in de schuur bevond waar ook haar gestolen fiets stond.

Op de terechtzitting van 5 juni 2012 heeft verdachte verklaard dat hij de laptop niet buiten heeft gevonden, maar dat deze al in het pand lag toen hij daar kwam. Verdachte heeft op de terechtzitting verder verklaard dat hij tegen de politie heeft gezegd dat de laptop aan hem toebehoorde om de eveneens in het pand aanwezige [naam persoon] uit de wind te houden en om van “het gedoe” af te zijn.

Conclusie van de rechtbank:

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde diefstal van de fiets en laptop. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 4. primair ten laste gelegde. Ook is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde heling van de fiets. Dit ligt anders ten aanzien van de heling van de laptop.

Verdachte heeft twee verschillende verklaringen afgelegd over de wijze van voorhanden krijgen van de laptop. De rechtbank concludeert hieruit dat verdachte zijn wetenschap omtrent de werkelijke herkomst van de laptop heeft willen verhullen. Gelet op deze omstandigheid kan het niet anders zijn dan dat de verdachte wist dat de laptop van misdrijf afkomstig was.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde opzetheling van de laptop.

Ten aanzien van feit 5:

[slachtoffer 5] heeft aangifte gedaan van diefstal van een damesfiets van het merk Batavus, gepleegd op 2 december 2011 tussen 20.00 uur en 23.00 uur te Hoorn.

De politie constateert na onderzoek in het computersysteem van de winkel [bedrijfsnaam] te Hoorn dat voornoemde fiets op 17 december 2011 is aangeleverd door verdachte. Verdachte heeft op de terechtzitting van 5 juni 2012 verklaard dat hij de fiets op 17 december 2011 heeft verkocht aan [bedrijfsnaam], nadat hij deze in de bosjes bij het station in Hoorn had gevonden. Het slot was intact en het sleuteltje zat in het slot. Verdachte heeft de fiets wat opgeknapt alvorens deze te verkopen.

Conclusie van de rechtbank:

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de fiets. De verdachte dient dan ook van het onder 5 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Wel is de rechtbank van oordeel dat voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, redengevend zijn voor het bewijs dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan opzetheling. Verdachte heeft verklaard dat hij de genoemde fiets op 17 december 2011 in de bosjes bij het station in Hoorn heeft gevonden, met de sleutel aanwezig in het slot. Volgens verdachte was de fiets in slechte staat en heeft hij de fiets wat opgeknapt alvorens de fiets bij [bedrijfsnaam] te koop aan te bieden. Nog daargelaten dat de rechtbank aanneemt dat de fiets in redelijke staat moet hebben verkeerd, aangezien de fiets blijkens de aangifte slechts twee jaar oud was en de winkel [bedrijfsnaam] de fiets van de verdachte heeft willen kopen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte door zijn eerdere veroordelingen ter zake van vermogensdelicten een gewaarschuwd man was en enig onderzoek naar de herkomst van de fiets had moeten doen. Door dat achterwege te laten is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fiets wist of in ieder geval willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze fiets door misdrijf was verkregen.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair ten laste gelegde, de opzetheling van de fiets.

Ten aanzien van feit 6:

De rechtbank acht op basis van:

- de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 5 juni 2012;

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 6],

nummer PL10HR 2012001509-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] (p. 64-66);

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [aangever 1],

nummer PL10HR 2012008476-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] (p. 67-68);

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [aangever 2],

nummer PL10HR 2012008485-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] (p. 70-71);

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 9],

nummer PL10DK 2012001189-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5] (p.73-75);

- het ambtsedig afschrift van internetaangifte door [aangever 3],

nummer 2012001031, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 6] (p. 76-78);

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor [getuige 2] door de politie

Noord Holland Noord, nummer PL10DK 2012001189-3, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7] (p. 79-80);

- het ambtsedig proces-verbaal van verhoor [getuige 3] door de politie

Noord Holland Noord, nummer PL10HR 2012001509-2, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] (p. 85-86);

wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 6. ten laste gelegde, zoals hierna in de rubriek ‘Bewezenverklaring’ zal worden aangeduid, heeft begaan.

Ten aanzien van feit 7:

Op 27 december 2011 is een ruit van een op [straatnaam 4] te Hoorn geparkeerde politieauto vernield. Naast de vernielde ruit aan de passagierskant is een baksteen aangetroffen. [getuige 4] heeft verklaard dat hij een man met donkere kleding iets zag doen bij de passagierszijde van een politieauto op [straatnaam 4]. Hij zag de man vervolgens in versneld tempo in de richting van het station lopen. [getuige 4] is naar de politieauto toegelopen en zag dat een raam was vernield. Hij zag dat de politie de man aansprak. [getuige 4] heeft vervolgens de politie aangesproken en verklaard dat deze man bij de politieauto stond en hoogstwaarschijnlijk de ruit heeft vernield.

[getuige 5] heeft verklaard dat hij een man naast de politieauto zag staan en even later een klap hoorde. Hij zag de man vervolgens versneld weglopen in de richting van de bushaltes. [getuige 5] zag dat door de politie een man werd aangehouden. Dit was de man die [getuige 5] naast de politieauto zag staan vlak voor de knal.

[verbalisant 8] heeft omstreeks 21.10 uur een doffe knal en glasgerinkel gehoord vanaf de achterzijde van het dienstvoertuig. [verbalisant 8] zag een persoon met een zwarte jas en capuchon naast het dienstvoertuig staan en vervolgens op snelheid wegsluipen in de richting van het station. Hierop heeft hij zijn collega’s gealarmeerd met het signalement en de looproute. Na een paar minuten hoorde hij dat een man was aangehouden die door twee getuigen was aangewezen als dader. [verbalisant 8] zag dat de persoon die was aangehouden dezelfde persoon was als die hij had zien wegsluipen bij het dienstvoertuig nadat het raam was vernield en hij herkende hem als [verdachte].

Conclusie van de rechtbank:

Op basis van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd, acht de rechtbank het onder 7. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, inhoudende dat verdachte degene is geweest die een ruit van een politieauto heeft vernield door een baksteen tegen die ruit te gooien.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 28 januari 2012 in de gemeente Hoorn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit [naam etablissement] heeft weggenomen een krat bier en een krat met levensmiddelen, toebehorende aan [slachtoffer 1] en

hij op 29 januari 2012 in de gemeente Hoorn tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit [naam etablissement] heeft weggenomen drie dozen bitterballen en/of nasihapjes, toebehorende aan [slachtoffer 1];

2. primair hij op 20 januari 2012 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een schuur [adres] heeft weggenomen een damesfiets en een herenfiets, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

3.

hij op 12 januari 2012 in de gemeente Hoorn [slachtoffer 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een slaande beweging gemaakt met zijn hand, waarin hij een steen vasthield, in de richting van die [slachtoffer 3];

4. subsidiair hij in de periode van 6 januari 2012 tot en met 16 januari 2012 in de gemeente Hoorn een laptop voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die laptop wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5. subsidiair hij in de periode 2 december 2011 tot en met 17 december 2011 in de gemeente Hoorn een damesfiets (merk: Batavus) voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die damesfiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 30 december 2011 tot en met 3 januari 2012 in de gemeente Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk ruiten (behorende bij panden aan [straatnaam 1] en [straatnaam 2] en [straatnaam 3]), toebehorende aan anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd door telkens met een lifehammer tegen die ruiten te slaan;

7.

hij op 27 december 2011 in de gemeente Hoorn opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een politieauto toebehorende aan een ander dan aan verdachte, heeft vernield door een baksteen tegen die ruit van die politieauto te gooien.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

diefstal

en

diefstal door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 2. primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Ten aanzien van feit 3:

bedreiging met zware mishandeling;

Ten aanzien van feit 4. subsidiair en feit 5. subsidiair, telkens:

opzetheling;

Ten aanzien van feit 6:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen, meermalen gepleegd;

Ten aanzien van feit 7:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals geadviseerd door GGZ Reclassering Palier. Ook heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht gevorderd.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

Verdachte heeft aangegeven bereid te zijn om de door GGZ Reclassering Palier voorgestelde begeleiding en behandeling te ondergaan en de raadsman vindt dat verdachte nogmaals een kans moet worden geboden. De raadsman heeft aangegeven dat hij de eis van de officier van justitie aan de forse kant vindt. De verdachte heeft aangegeven dat hij een voorwaardelijk strafdeel van drie maanden, zoals door de officier van justitie gevorderd, te groot vindt.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft zich in één avond/nacht schuldig gemaakt aan twee diefstallen van levensmiddelen bij een café in Hoorn. De eerste keer was hij alleen en de tweede keer samen met een mededader. Ook heeft verdachte samen met een ander ingebroken in een schuur in Hoogkarspel en daarbij twee fietsen weggenomen. Verder heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan de heling van een laptop en een fiets en aan vernieling en beschadiging van ruiten van verschillende panden in het centrum van Hoorn en vernieling van een politieauto. Verdachte heeft met het begaan van deze delicten laten zien geen enkel respect te tonen voor de eigendommen van een ander en heeft daardoor tevens veel schade en overlast voor de benadeelden veroorzaakt.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met zware mishandeling door een slaande beweging in de richting van het slachtoffer te maken met een steen in de hand. Dit moet voor het slachtoffer een angstaanjagende gebeurtenis zijn geweest.

Al deze delicten heeft verdachte gepleegd in een periode van nog geen twee maanden.

Verder heeft de rechtbank laten meewegen dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 30 januari 2012 ten name van verdachte blijkt dat hij al veel vaker wegens vermogensdelicten tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld.

GGZ Reclassering Palier heeft op 27 april 2012 een adviesrapport opgesteld waarin wordt geadviseerd om aan verdachte naast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf als bijzondere voorwaarden verplicht reclasseringstoezicht en een verplichte opname in een verslavingskliniek op te leggen. Ter terechtzitting heeft de verdachte nogmaals te kennen gegeven bereid te zijn om zich aan het plan van aanpak van Palier te gaan houden.

Hoewel verdachte zich in de afgelopen jaren meerdere keren niet aan opgelegde voorwaarden heeft gehouden, ziet de rechtbank – evenals de officier van justitie – in de bereidheid van verdachte aanleiding om het advies van de reclassering te volgen en zal zij dienovereenkomstig beslissen.

Een lagere straf, zoals door de raadsman bepleit, is naar het oordeel van de rechtbank geen passende sanctie gelet op de veelheid van de onderhavige feiten en de eerdere veroordelingen van de verdachte. Alles afwegende acht de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, passend en geboden. De rechtbank zal niet de door de officier van justitie gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid van de te stellen voorwaarden bevelen, nu naar het oordeel van de rechtbank niet aan het daartoe in artikel 14e, lid 1 Sr gestelde criterium is voldaan.

9. Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij Politie Noord-Holland Noord, heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 292,38 wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 7. bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 7. bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelde. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 63, 285, 311, 416, en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. Beslissing

De rechtbank:

? Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 4. primair en 5. primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

? Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

? Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

? Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

? Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar

feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d,

tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd bij GGZ reclassering Palier

(Stationsplein 21, 1703 WD in Heerhugowaard) zal melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- dat veroordeelde zich gedurende maximaal negen maanden van de proeftijd

zal laten opnemen in de Forensische Verslavingskliniek van Bouman GGZ, althans een soortgelijke intramurale instelling, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.

? Wijst toe de vordering van de benadeelde partij Politie Noord-Holland Noord.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 292,38 (tweehonderd tweeënnegentig euro en achtendertig cent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

? Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Politie Noord-Holland Noord te betalen een som geld ten bedrage van € 292,38 (tweehonderd tweeënnegentig euro en achtendertig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 (vijf) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Boonstra, voorzitter,

mr. A.C. Haverkate en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2012.