Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW9486

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
18-06-2012
Datum publicatie
27-06-2012
Zaaknummer
12-186
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Tussenbeschikking op vordering 55sb Sv na beslissing oahv

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Raadkamernummer: 12/186

Parketnummer : 14/810335-11

Datum uitspraak : 18 juni 2012

INTERLOCUTOIRE BESLISSING van bovengenoemde rechtbank, meervoudige raadkamer, naar aanleiding van het op 23 april 2012 ter griffie van deze rechtbank ontvangen klaagschrift ex artikel 552a/b van het Wetboek van Strafvordering (Sv.) van:

[VERZOEKER] N.V.,

gevestigd te Utrecht,

woonplaats kiezend op het adres 6828 HT Arnhem, Eusebiusbuitensingel 9,

op het kantoor van haar raadsman mr. E.J.A.A. van Dal,

hierna te noemen [VERZOEKER],

strekkende tot teruggave aan haar als rechthebbende van de op 8 april 2011 onder

[belanghebbende], wonende te Heerhugowaard, in beslag genomen boot van het merk Liberty, type 560 en een boot van het merk Liberty, type 610.

1. De procedure

[VERZOEKER] heeft bij schrijven van 12 april 2012 verzocht het klaagschrift ex artikel 552aSv., gedateerd 29 februari 2012 en oorspronkelijk ingediend bij en gericht aan het gerechtshof te Amsterdam, te zien als gericht aan en op 29 februari 2012 ingediend bij de rechtbank Alkmaar en te bezien in het licht van artikel 552b Sv., nu er sprake is van onttrekking aan het verkeer.

Op 4 juni 2012 zijn als gemachtigde van [VERZOEKER], mr. E.J.A.A. van Dal, en de officier van justitie in openbare raadkamer gehoord.

Als belanghebbende is eveneens voor deze zitting opgeroepen de heer [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende]). De raadsman van [belanghebbende], mr. R. Polderman, heeft de rechtbank laten weten dat zijn cliënt zich niet als belanghebbende in dit geding wil voegen.

2. De feiten

A. De rechtbank heeft op 1 november 2011 tegen [belanghebbende] onder bovenaangehaald parketnummer een vonnis gewezen. Uit dit vonnis blijkt onder meer het volgende:

Op 26 april 2011 is door [aangever] (hierna te noemen: [aangever]) aangifte gedaan van diefstal op 3 maart 2011 van twee boten, een van het merk Liberty, type 560 en een van het merk Liberty, type 610 alsmede van een trailer.

Op 8 april 2011 worden twee boten aangetroffen op de [adres]. Uit onderzoek blijkt dat bij beide boten het Craft Identification Number (hierna te noemen: CIN) is verwijderd. Van een van de boten kan worden vastgesteld dat het een boot is van het merk Liberty, type 560. Van de andere boot kan het merk en type niet worden vastgesteld.

De rechtbank heeft na deze vaststelling van feiten vooropgesteld dat de trailer, waarvan [aangever] aangifte heeft gedaan, niet bij de boten is aangetroffen. Nu van beide boten het CIN is verwijderd, kan evenmin worden vastgesteld dat de aangetroffen boten toebehoren aan [aangever].

Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank de verdachte [belanghebbende] van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken.

De rechtbank heeft voorts beslist dat de beide boten aan het verkeer dienen te worden onttrokken, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de identificatienummers van deze goederen op dusdanige wijze zijn verwijderd dat het volledige nummer niet meer kan worden vastgesteld. Daardoor zijn de goederen niet meer herleidbaar tot hun oorspronkelijke eigenaar.

B. [belanghebbende] heeft op 11 november 2011 hoger beroep in gesteld tegen dit vonnis en heeft dit beroep op 5 januari 2012 ingetrokken.

C. Blijkens het proces-verbaal van aangifte heeft [aangever] verklaard dat hij in Polen twee Liberty sloepen had gekocht: een sloep van het type 560 en een van het type 610. Deze waren nieuw aan hem afgeleverd in Schagen en op 3 maart 2011 van een afgesloten terrein gestolen. In de goederenbijlage is de vermelding opgenomen:

2 sloep blauw/zwart/beige/560 en een 610.

D. Bij brief van 26 augustus 2011 heeft [aangever] zich tot het openbaar ministerie in Alkmaar gewend met het verzoek de in beslag genomen boten aan hem terug te geven. Op deze brief heeft het openbaar ministerie niet gereageerd.

E. Bij brief van 3 oktober 2011 heeft het openbaar ministerie [aangever] in kennis gesteld van de zitting van de meervoudige kamer van 18 oktober 2011. Volgens de mededeling zou verdachte worden vervolgd voor heling. Ook vermeldt de brief:

“Het aansprakelijk stellen van de persoon voor veroorzaakte schade aan uw goederen kan volgens de wet alleen op de daadwerkelijke dief en niet op de heler. Het is daarom niet mogelijk uw schade op deze verdachte te verhalen binnen het strafproces”.

F. Bij brief van 4 oktober 2011 heeft [aangever] opnieuw verzocht om teruggave van de boten, waarop door het openbaar ministerie ook niet werd gereageerd.

G. [aangever] heeft zich ter zitting niet als benadeelde partij gevoegd.

H. [VERZOEKER] is de verzekeraar van de beide sloepen en heeft [aangever] voor de diefstal schadeloos gesteld door betaling van een bedrag van € 10.000,-. Bij schriftelijke overeenkomst van 19 januari 2012 heeft [aangever] op zijn beurt de eigendom van de sloepen aan [VERZOEKER] overgedragen.

I. Uit een e-mailbericht van 20 april 2012, welk stuk onderdeel uitmaakt van het rechtbankdossier, blijkt dat de Dienst Domeinen aan het parket in Alkmaar meedeelt dat taxateurs in Bleiswijk (eerder) het volgende hebben genoteerd:

“Boot (Liberty 560). Splinter nieuw casco van een Liberty 560. Er is geen moter aanwezig. Het rompnummer is verwijderd, hierdoor is de sloep onverkoopbaar, de restwaarde is dus niks. Had de sloep wel een rompnummer gehad was de waarde ongeveer € 4.000,-.

Boot (Liberty 610). Splinter nieuwe sloep. Casco uitvoering zonder moter, rompnummer is verwijderd, hierdoor heeft het casco geen waarde meer. Indien rompnummer aanwezig was had de waarde ongeveer € 5.000,- geweest.”

J. Er heeft zich behalve [aangever] en later [VERZOEKER] bij het openbaar ministerie niemand anders gemeld als rechthebbende op de twee sloepen.

3. Het klaagschrift

Ten aanzien van de ontvankelijkheid:

[VERZOEKER] heeft het klaagschrift ex artikel 552a Sv, gedateerd 29 februari 2012, ingediend bij het gerechtshof te Amsterdam. [VERZOEKER] stelt op genoemde datum niet te hebben geweten dat [belanghebbende] op 5 januari 2012 het appel tegen genoemd vonnis had ingetrokken. Het hof had het klaagschrift moeten doorsturen naar de rechtbank Alkmaar.

Voorts heeft de raadsman inhoudelijk nog het volgende opgemerkt:

Van een van de boten is merk en type bekend geworden. Het type wordt aangeduid door de lengte van de boot. De andere boot, waarvan merk en type niet bekend zijn geworden, zou gemeten kunnen worden om een indicatie van het type te verkrijgen. Uit de stukken is niet gebleken dat de aangetroffen boten aan de heer [aangever] zijn getoond die mogelijk de boten had kunnen herkennen aan de hand van kleuren van de inrichting en andere specifieke kenmerken van de boten. De bekleding van het interieur is beige en de overige kleuren zijn zwart/blauw.

Het vernietigen van dure sloepen is kapitaalvernietiging. In Joure is een onderneming gevestigd, het Dutch Certification Institute, die de boten na keuring kan voorzien van een registratienummer en certificaten, waarna de boten weer in de handel gebracht kunnen worden. Onttrekking aan het verkeer is dus niet noodzakelijk.

Van belang is ten slotte dat zich geen andere belanghebbenden hebben gemeld.

4. Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het klaagschrift:

Aangenomen moet worden dat klaagster onkundig was van de intrekking door [belanghebbende] van het hoger beroep en dat zij er daarom ten onrechte van uit ging dat het gerechtshof te Amsterdam de zaak in feitelijke aanleg in appel zou beslissen.

Indien het gerechtshof genoemd verzoek had doorgezonden naar de bevoegde rechtbank te Alkmaar, zou het klaagschrift binnen de in artikel 552b, tweede lid, Sv genoemde termijn van drie maanden bij de rechtbank zijn ingediend.

De rechtbank dient het klaagschrift dan ook te beschouwen als tijdig ingediend.

Inhoudelijk:

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het klaagschrift ongegrond dient te worden verklaard. Het beslag is op goede gronden gelegd.

Er zijn door de raadsman geen stukken overgelegd die een ander licht werpen op de beslissing van de rechtbank in het hiervoor aangehaalde vonnis. Het is ook niet zeker of de sloepen niet al vernietigd zijn. De restwaarde is wegens het ontbreken van het rompnummer nihil. Indien de boten, na herkeuring, weer in het verkeer zouden kunnen worden toegelaten, zouden de boten gelet op de vrijspraak en de dan geldende hoofdregel in het beslagrecht aan de beslagene teruggegeven moeten worden.

De officier van justitie heeft verklaard dat zij zich daarom niet kan vinden in de ter zitting gesuggereerde mogelijkheid van het instellen van een nader onderzoek naar de identiteit van de boten en de mogelijkheid de boten in het verkeer terug te brengen.

5. De beoordeling

Belanghebbenden, andere dan de verdachte of veroordeelde, kunnen zich schriftelijk beklagen over de onttrekking aan het verkeer van hun toekomende voorwerpen. Het klaagschrift moet binnen drie maanden nadat de beslissing uitvoerbaar is geworden, ingediend worden ter griffie van het gerecht dat in hoogste feitelijke aanleg de beslissing heeft genomen.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het klaagschrift.

[aangever] heeft de eigendom van de gestolen sloepen aan [VERZOEKER] overgedragen. Door de uitkering ingevolge de tussen [aangever] en [VERZOEKER] geldende verzekeringsovereen- komst is [VERZOEKER] op grond van art. 7: 962 BW gesubrogeerd in de rechten van [aangever]. Een en ander is voldoende om in deze procedure als (derde-)belanghebbende te worden aangemerkt.

De beslissing van de rechtbank is van 1 november 2011. Wegens het door de veroordeelde tijdig ingestelde hoger beroep was die uitspraak echter nog niet op die datum uitvoerbaar geworden. Na het intrekken van het hoger beroep op 5 januari 2012 is het vonnis uitvoerbaar geworden. De rechtbank gaat ervan uit dat [VERZOEKER] als derde-belanghebbende niet op de hoogte is geweest van het intrekken van het hoger beroep. Zij wordt daarvan immers niet op de hoogte gesteld. [VERZOEKER] heeft dan ook op goede grond het klaagschrift op 29 februari 2012 bij het gerechtshof ingediend.

Na ontvangst van het klaagschrift was het hof op grond van de intrekking van het rechtsmiddel echter niet bevoegd om over het beklag te oordelen. Redelijke wetstoepassing brengt mee dat het klaagschrift had dienen te worden doorgezonden naar de griffie van de rechtbank Alkmaar (Hoge Raad 23-11-1993, LJN ZC 9285 ). Op die wijze zou het klaagschrift binnen drie maanden na 5 januari 2012 zijn ingediend.

Redelijke wetstoepassing brengt evenzeer mee dat de rechtbank, nu moet worden geconstateerd dat na de indiening van het klaagschrift ingevolge art. 552a Sv. de boten bij inmiddels uitvoerbare beslissing zijn onttrokken aan het verkeer, het klaagschrift moet opvatten als een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. (Hoge Raad 24 januari 2012, LJN BU5266).

[VERZOEKER] zal daarom worden ontvangen in het klaagschrift, ingediend op 29 februari 2012.

Ten aanzien van het beklag.

De beslissing van 1 november 2011 van de rechtbank dat de beide boten aan het verkeer dienen te worden onttrokken, was gebaseerd op het uitgangspunt dat de identificatie-nummers van de boten op dusdanige wijze zijn verwijderd dat daardoor de boten niet meer herleidbaar zijn tot hun oorspronkelijke eigenaar. Het ongecontroleerde bezit van deze boten is om die reden in strijd met de wet en het algemeen belang.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het klaagschrift heeft [VERZOEKER] echter bepleit dat door nader onderzoek de boten ook nu nog op andere wijze zouden kunnen worden geïdentificeerd:

- het gaat hier om nieuw afgeleverde boten;

- de oorspronkelijke eigenaar [aangever] zou de boten nog kunnen herkennen

(hij heeft daarbij ook geen eigen belang meer);

- de kleur van de boten en van de inrichting zou nog kunnen worden onderzocht;

- de maat zou kunnen worden opgenomen (het type van de gestolen boten

correspondeert met de lengte ervan).

Ter zitting heeft de officier van justitie hierover geen standpunt ingenomen.

Het standpunt van de officier van justitie, inhoudende dat de beide boten, indien deze na herkeuring weer in het verkeer zouden kunnen worden toegelaten, gelet op de vrijspraak aan de beslagene ([belanghebbende]) teruggegeven moeten worden, deelt de rechtbank niet.

[belanghebbende] is weliswaar vrijgesproken van het betreffende onderdeel van de tenlastelegging (de heling van de twee boten) maar dat gegeven dwingt niet tot teruggave aan de beslagene.

De rechtbank geeft in geval van gegrondbevinding van het klaagschrift, onder herroeping van de onttrekking aan het verkeer, een last als bedoeld in artikel 353, tweede lid, onder a of b Sv. Dat betekent ofwel teruggave aan de beslagene ofwel teruggave van het goed aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt. Indien nader onderzoek zou uitwijzen dat [VERZOEKER] als zodanig moet worden beschouwd, ligt het niet voor de hand om teruggave te gelasten aan [belanghebbende] die heeft laten weten zich niet als belanghebbende in deze procedure te willen voegen.

Of [VERZOEKER] redelijkerwijs als rechthebbende kan worden beschouwd kan zonder nader onderzoek niet worden vastgesteld. Een onderzoek als hierboven bedoeld is immers tot heden niet gedaan.

De beslissing op het klaagschrift zal daarom worden aangehouden, in afwachting van voormeld nader onderzoek. Bij dat nader onderzoek zal ook de vraag worden betrokken of het mogelijk is de boten weer op legale wijze in het verkeer te brengen, zoals namens [VERZOEKER] is gesteld.

Gelet op de bewaarplicht ex artikel 552g Sv. alsmede gelet op bovengenoemde email-correspondentie gaat de rechtbank ervan uit dat nader onderzoek naar de boten feitelijk mogelijk zal zijn.

BESCHIKKENDE;

- houdt de beslissing aan voor onbepaalde tijd (zittingsduur 30 minuten), totdat het hiervoor bedoelde onderzoek zal zijn verricht;

- stelt de stukken in handen van de officier van justitie teneinde bovenbedoeld onderzoek te doen verrichten.

Aldus gedaan in raadkamer van deze rechtbank op 18 juni 2012 door:

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. M.L.M. van der Voet, leden,

in tegenwoordigheid van W. Veenstra als griffier.

Mr. Van der Voet is niet in staat deze beslissing mede te ondertekenen