Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW9392

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
14-06-2012
Datum publicatie
03-07-2012
Zaaknummer
11/280
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan drie eisers afzonderlijk een last opgelegd onder dwangsom van € 600 per week met een maximum van € 6.000. Bij afzonderlijke beschikkingen heeft verweerder beslist bij ieder van eisers over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 6.000. De daartegen gemaakte bezwaren heeft verweerder ongegrond verklaard. De Rb. overweegt dat de handelwijze om eisers ieder afzonderlijk aan te spreken verweerder de mogelijkheid biedt om in totaal € 18.000 (3 x € 6.000) in te vorderen. Deze handelwijze sluit aan bij de handelwijze die verweerder heeft gevolgd bij de besluiten tot oplegging van de last onder dwangsom. Ook bij die besluiten heeft verweerder eisers afzonderlijk een maximaal te verbeuren bedrag van € 6.000 opgelegd. Evenwel, in die besluiten heeft verweerder verwoord dat de hoogte van de dwangsom, € 6.000, is bepaald aan de hand van de ernst van de overtredingen en de overlast die de overtredingen veroorzaken. Derhalve was verweerder bij de oplegging van de last onder dwangsom van mening dat een bedrag van € 6.000 in een redelijke verhouding stond tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Een te verbeuren bedrag van € 18.000 is klaarblijkelijk in de ogen van verweerder onredelijk hoog. Hiermee komt overeen de verklaring van de gemachtigde van verweerder ter zitting dat het niet de bedoeling is om € 18.000 in te vorderen en dat betaling van € 6.000 door een van eisers de anderen ontslaat van de betalingsverplichting. Door de wijze waarop hij eisers als afzonderlijke overtreders heeft aangemerkt, heeft verweerder een hoger te verbeuren bedrag opgelegd dan hij heeft beoogd. Dit bedrag, €18.000, is daadwerkelijk verbeurd. Echter, verweerder is slechts voornemens daadwerkelijk €6.000 in te vorderen. In de invorderingsbesluiten is niet opgenomen hoe het in te vorderen bedrag over eisers moet worden verdeeld, aan wie als eerste een dwangbevel wordt uitgevaardigd wanneer niet wordt overgegaan tot betaling van de verbeurde dwangsom, dan wel hoe overigens uitvoering moet worden gegeven aan de invordering. De Rb. is van oordeel dat dit een bijzondere omstandigheid oplevert op grond waarvan van verweerder kan worden gevergd geheel of gedeeltelijk af te zien van de invordering. Door zich hiervan geen rekenschap te geven, heeft verweerder de bestreden besluiten, waarin de invorderingsbesluiten zijn gehandhaafd, onvoldoende zorgvuldig voorbereid

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 5:37
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 11/280, AWB 11/284 en AWB 11/286

uitspraak van de meervoudige kamer van 14 juni 2012 in de zaken tussen

1. [eiser I], te [woonplaats], eiser,

2. [eiseres II], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: [eiser I]),

3. [eiseres III], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: [eiser I]),

tezamen te noemen: eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik, verweerder

(gemachtigde: F.P.M. Brieffies).

Procesverloop

Bij afzonderlijke beschikkingen van 5 augustus 2010 heeft verweerder beslist bij ieder van eisers over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 6.000.

Bij afzonderlijke besluiten van 1 september 2010 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben eisers afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2012. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eiser sub 1 is in persoon verschenen. Eiseres sub 2 en eiseres sub 3 hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser sub 1 is voorzitter van eiseres sub 2. Eiseres sub 2 maakt gebruik van het perceel aan [adres] te [plaats] (hierna: het perceel). Eiseres sub 3 geeft ponyrijles bij eiseres sub 2.

Bij besluit van 9 november 2004 heeft verweerder aan eiseres sub 3 vrijstelling verleend van het vigerende bestemmingsplan voor het gebruik van de schuur aan [adres] te [plaats] voor het geven van ponyrijles, conform bijgevoegde gewaarmerkte kaart en onder de volgende voorwaarden:

- er wordt stalling geboden aan maximaal 4 pony’s;

- alle manege-activiteiten, waaronder de opslag van mest, vinden plaats binnen de bestaande bebouwing;

- parkeren vindt plaats op eigen terrein;

- er worden geen horeca-activiteiten ontplooid.

Bij besluit van 2 mei 2005 heeft verweerder aan eiseres sub 3 vrijstelling verleend van het vigerende bestemmingsplan voor het gebruik van een deel van de schuur aan [adres] te [plaats] voor opslag en stalling ten behoeve van het geven van ponyrijles, conform bijgevoegde gewaarmerkte kaart en onder de volgende voorwaarden:

- er wordt in de gehele inrichting stalling geboden aan maximaal 4 pony’s;

- alle manege-activiteiten, waaronder de opslag van mest, vinden plaats binnen de bestaande bebouwing;

- parkeren vindt plaats op eigen terrein;

- er worden geen horeca-activiteiten ontplooid.

Tijdens een controle op 26 oktober 2009 is door een medewerker van de Milieudienst Westfriesland geconstateerd dat er 11 paarden/pony’s op het perceel aanwezig waren en dat de mest in een open container naast het bedrijf was opgeslagen.

Tijdens een controle op 10 november 2009 is door medewerkers van de gemeente Wervershoof, het Regionale Milieuteam van de politie Noord-Holland Noord en de Milieudienst Westfriesland geconstateerd dat uit een deels afgedekte container op het perceel mestvocht naar de bodem stroomde en dat er via de bodem ook een reële bedreiging van het oppervlaktewater was.

Tijdens een controle op 18 november 2009 is door medewerkers van de gemeente Wervershoof, het Regionale Milieuteam van de politie Noord-Holland Noord en de Milieudienst Westfriesland geconstateerd dat de mestcontainer op het perceel leeg was, dat er 11 paarden aanwezig waren en dat voor het pand hooi los lag op de betonvloer en dat het water dat hieruit kwam al bruin verkleurd was.

Tijdens een controle op 25 februari 2010 is door een medewerker van de gemeente Wervershoof geconstateerd dat de mestcontainer buiten op het perceel niet afgedekt was. Tevens lag er een grote hoeveelheid mestvocht op het erf dat richting de sloot stroomde. De manege was gesloten zodat die niet is gecontroleerd.

Bij besluiten van 24 maart 2010 heeft verweerder aan ieder van eisers afzonderlijk de last opgelegd binnen twee weken na verzending van dit besluit de volgende maatregelen te treffen:

- het aantal pony’s dat gestald wordt terug te brengen tot maximaal 4 (het stallen van paarden is niet toegestaan);

- de opslag van mest binnen de bestaande bebouwing te laten plaatsvinden;

- maatregelen te nemen om (verdere) verontreiniging van de bodem te voorkomen;

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 600 per week, tot een maximum van € 6.000.

Tijdens een controle op 22 april 2010 is door twee medewerkers van de afdeling Handhaving van de gemeente Wervershoof geconstateerd dat in een container buiten de schuur mest is opgeslagen. Verder is geconstateerd dat de container niet geheel was afgedekt en dat er in ieder geval 7 pony’s/paarden op het perceel aanwezig waren.

Tijdens een controle op 26 juli 2010 is door een medewerker van de afdeling Handhaving van de gemeente Wervershoof geconstateerd dat de mestcontainer buiten volledig was afgedekt en dat er 6 pony’s/paarden op het perceel aanwezig waren.

Bij afzonderlijke beschikkingen van 5 augustus 2010 heeft verweerder beslist bij ieder van eisers over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsom van € 6.000.

2. Verweerder stelt in de bestreden besluiten, onder verwijzing naar het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften, dat de last onder dwangsom van 24 maart 2010 onherroepelijk is geworden nu eisers geen rechtsmiddelen tegen dit besluit hebben aangewend. Verder stelt verweerder dat na de begunstigingstermijn van twee weken is geconstateerd dat eisers geen activiteiten hebben verricht om tot het opheffen van de strijdige situatie over te gaan. Dit maakt dat eisers in de periode van 10 april 2010 tot en met 18 juni 2010 het maximale bedrag van € 6.000 hebben verbeurd. Nu eisers niet zijn overgegaan tot vrijwillige betaling van de verbeurde dwangsommen is verweerder overgegaan tot invordering daarvan. De stelling van eisers dat de huidige wijze van mestopslag is toegestaan omdat het verleende vrijstellingsbesluit is komen te vervallen door de inwerkingtreding van het Besluit landbouw milieubeheer is volgens verweerder niet juist. De vergunning die is verleend op basis van de Wet milieubeheer is weliswaar komen te vervallen, maar dat heeft geen gevolgen voor de vrijstelling die is verleend. De Wet Milieubeheer heeft immers een ander toepassingsbereik dan de Wet ruimtelijke ordening. Verweerder stelt dat eisers zich onverkort dienen te houden aan de voorwaarden waaronder de vrijstelling is verleend.

3. Eiseres sub 3 voert aan dat zij al jaren geen bestuurder meer is van de [naam] en niets met de zaak van doen heeft. Eisers voeren aan dat zij het niet eens zijn met de oplegging van de last onder dwangsom en de invordering van de verbeurde dwangsommen. Eisers zijn van mening dat er geen sprake is van overtredingen. Zij stellen primair dat de lokale regels door het Besluit landbouw milieubeheer zijn vervallen. Subsidiair stellen eisers dat zij erop mochten vertrouwen dat verweerder de huidige oplossing accepteerde. Volgens eisers waren zij al geruime tijd in overleg met verweerder dan wel in mandaat met de milieudienst over de mestopslag en de afdekking daarvan. De milieudienst gaf aan welke bak het moest zijn en verwees door naar een bedrijf voor de afdekking. Verder zijn gedoogperiodes afgesloten om de afdekking te testen en zijn adviezen gegeven. Daarbij richtte de discussie zich op de vermeende vervuiling en niet op de binnen- of buitenopslag van de mest. Eisers stellen dat zij op de mestbak een dakconstructie hebben gemaakt zodat de mest overdekt en droog kan worden gestort. Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel wijzen eisers erop dat op de buurpercelen de mest ook open is opgeslagen maar dat daartegen niet wordt opgetreden. Voorts betogen eisers dat verweerder geen enkel bewijs heeft overgelegd dat er meer dan vier paarden op de [naam] aanwezig zijn. In dit verband merken eisers op dat verweerder tijdens de hoorzitting niet kon aangeven hoeveel paarden op het perceel aanwezig mogen zijn tijdens de lessen. Verder is verweerder bij de afgifte van de gebruiksvergunning op de hoogte gesteld van de aanwezigheid van pony’s tijdens de lessen van leden. De gaststallen zijn immers op tekening gesteld. Eisers stellen dat zij erop mocht vertrouwen dat er tijdens de les meer pony’s aanwezig mogen zijn die voor en na de les in de gaststallen staan. Tot slot stellen eisers dat verweerder niet is ingegaan op hun argumenten.

4. De rechtbank is van oordeel dat de last onder dwangsom van 24 maart 2010 ten aanzien van eiser sub 1 en eiseres sub 2 in rechte is komen vast te staan. Eiser sub 1 en eiseres sub 2 hebben immers geen bezwaar ingesteld tegen dit besluit. De rechtbank is van oordeel dat de last onder dwangsom van 24 maart 2010 ten aanzien van eiseres sub 3 nog niet onherroepelijk is geworden. Uit de stukken blijkt namelijk dat zij op 9 april 2010 aan verweerder een brief heeft geschreven waarin zij meedeelt dat het onjuist is dat correspondentie gericht aan de [naam] aan haar wordt gestuurd en dat deze correspondentie moet worden gericht aan de vereniging, Zij heeft in die brief ook het correspondentieadres van de vereniging vermeld. Deze brief is door haar verstuurd tijdens de periode waarin tegen de last onder dwangsom van 24 maart 2010 bezwaar kon worden gemaakt. Gelet op de bewoordingen en de strekking van deze brief en de datum van verzending daarvan is de rechtbank van oordeel dat deze brief moest worden aangemerkt als een bezwaarschrift.

De rechtbank stelt vast dat op basis van dit bezwaarschrift nog geen heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft plaatsgevonden.

Echter, mede gelet op artikel 5:39 van de Awb is hiermee niet gezegd dat verweerder niet bevoegd was jegens eiseres sub 3 de invorderingbeschikking te nemen.

De last onder dwangsom was ten tijde van het nemen van de invorderingsbeschikking immers nog steeds van kracht en heeft daarom als uitgangspunt bij onderhavige beoordeling van de handhaving van de invorderingsbesluiten te gelden.

5. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat de Wet milieubeheer een ander toepassingsbereik heeft dan de Wet ruimtelijke ordening. De inwerkingtreding van het Besluit landbouw milieubeheer heeft er derhalve niet toe geleid dat de op 9 november 2004 en 2 mei 2005 verleende vrijstellingen om die reden zijn vervallen of ingetrokken.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat de mestcontainer in ieder geval op 22 april 2010 en 26 juli 2010 buiten de bestaande bebouwing was geplaatst. Dit rechtvaardigt de conclusie dat niet is voldaan aan het bepaalde in de last onder dwangsom, zodat de dwangsom is verbeurd.

6. De rechtbank overweegt dat het algemeen belang slechts is gediend bij handhaving die ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. In geval van een last onder dwangsom, waarvan de dwangsom is verbeurd, betekent dit dat de verbeurde dwangsom ook door het bestuursorgaan dient te worden ingevorderd. Slechts in bijzonder omstandigheden kan van het bestuursorgaan worden gevergd geheel of gedeeltelijk af te zien van de invordering.

7. Verweerder heeft eisers bij afzonderlijke besluiten verzocht de verbeurde dwangsom van € 6.000 te voldoen. De rechtbank overweegt dat de handelwijze om eisers ieder afzonderlijk aan te spreken verweerder de mogelijkheid biedt om in totaal €18.000

(3 x € 6.000) in te vorderen. Deze handelwijze sluit aan bij de handelwijze die verweerder heeft gevolgd bij de besluiten tot oplegging van de last onder dwangsom. Ook bij die besluiten heeft verweerder eisers afzonderlijk een maximaal te verbeuren bedrag van € 6.000 opgelegd. Evenwel, in die besluiten heeft verweerder verwoord dat de hoogte van de dwangsom, € 6.000, is bepaald aan de hand van de ernst van de overtredingen en de overlast die de overtredingen veroorzaken. Derhalve was verweerder bij de oplegging van de last onder dwangsom van mening dat een bedrag van € 6.000 in een redelijke verhouding stond tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsom. Een te verbeuren bedrag van € 18.000 is klaarblijkelijk in de ogen van verweerder onredelijk hoog.

Hiermee komt overeen de verklaring van de gemachtigde van verweerder ter zitting dat het niet de bedoeling is om € 18.000 in te vorderen en dat betaling van € 6.000 door een van eisers de anderen ontslaat van de betalingsverplichting.

8. De rechtbank stelt vast dat door de wijze waarop hij eisers als afzonderlijke overtreders heeft aangemerkt, verweerder een hoger te verbeuren bedrag heeft opgelegd dan hij heeft beoogd. Dit bedrag, €18.000, is daadwerkelijk verbeurd. Echter, verweerder is slechts voornemens daadwerkelijk €6.000 in te vorderen.

Nu in de invorderingsbesluiten niet is opgenomen hoe het in te vorderen bedrag over eisers moet worden verdeeld of aan wie als eerste een dwangbevel wordt uitgevaardigd wanneer niet wordt overgegaan tot betaling van de verbeurde dwangsom dan wel hoe overigens uitvoering moet worden gegeven aan de invordering, is de rechtbank van oordeel dat zich in dit geval een situatie voordoet als bedoeld in overweging 6, dus dat hier sprake is van een bijzonder omstandigheid op grond waarvan van verweerder kan worden gevergd geheel of gedeeltelijk af te zien van de invordering. Door zich hiervan geen rekenschap te geven, heeft verweerder de bestreden besluiten, waarin de invorderingsbesluiten zijn gehandhaafd, onvoldoende zorgvuldig voorbereid.

9. Gelet hierop zijn de beroepen gegrond. De bestreden besluiten dienen dan ook te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Hetgeen door eisers overigens naar voren is gebracht behoeft dan ook geen bespreking meer.

10. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling nu niet is gebleken dat eisers daarvoor in aanmerking te nemen kosten hebben gemaakt. Wel dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op nieuwe besluiten op de bezwaren van eisers te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 150,- aan eiser sub 1 te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 298,- aan eiseres sub 2 te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 150,- aan eiseres sub 3 te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. B. Veenman, voorzitter, mr. M. Kraefft en

mr. P.H. Lauryssen, leden, in aanwezigheid van mr. S.C. Jacobs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juni 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.