Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW9074

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
21-06-2012
Zaaknummer
AWB 10/2988
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

herziening en terugvordering van bijstand over verschillende perioden omdat eiseres verzuimd heeft een bankrekening op te geven waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/2988

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 april 2012 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A. van Deuzen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, verweerder

(gemachtigde: R. van Gelder).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 21 juli 2010 heeft verweerder het recht van eiseres op een bijstandsuitkering ingetrokken met ingang van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2009. Verder heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 december 2009 tot en met 24 januari 2010 herzien en eiseres uitgesloten van het recht op uitkering over deze periode. Voorts is aan eiseres over de periode van 1 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010 een maatregel opgelegd in de vorm van een verlaging van haar uitkering met 10% van de bijstandsnorm.

Bij besluit van 27 juli 2010 heeft verweerder de over de periode van 1 december 2009 tot en met 24 januari 2010 ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering ad € 1.749,92 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 28 juli 2010 heeft verweerder de over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2009 ten onrechte ontvangen bijstandsuitkering ad € 143.793,36 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 11 november 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gericht tegen het intrekkingsbesluit van 21 juli 2010 en het terugvorderingsbesluit van 28 juli 2010 gegrond verklaard. Verweerder heeft bepaald dat het recht op een bijstandsuitkering over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2009 wordt herzien en nader wordt vastgesteld en dat de hoogte van het terugvorderingsbedrag ten aanzien van deze periode dientengevolge nader is vastgesteld op € 100.927,18. Voor het overige is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1. De rechtbank dient in deze te oordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Allereerst stelt de rechtbank vast dat de door eiseres gemaakte opmerkingen in het beroepschrift over het gedrag van de klantmanager, [medewerker], als klachten zijn te beschouwen. Nu vast staat dat deze klachten door verweerder in het kader van de klachtenregeling van de gemeente Alkmaar zullen worden behandeld, laat de rechtbank deze bij haar beoordeling van het bestreden besluit buiten beschouwing.

3. Het door eiseres gedane verzoek om schadevergoeding wegens een in haar visie onrechtmatig huisbezoek op 15 juli 2010 laat de rechtbank bij haar beoordeling eveneens buiten beschouwing. Niet is gebleken dat eiseres beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 11 april 2011 waarin de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding is gehandhaafd. De stelling van eiseres dat zij bij brief van 16 mei 2011 heeft beoogd beroep in te stellen tegen dit besluit kan de rechtbank, gelet op de bewoordingen in de brief, niet onderschrijven.

4. De stelling van eiseres dat uit de primaire besluiten kan worden opgemaakt dat deze door [medewerker] zijn opgesteld en dat niet blijkt dat hij beslissingsbevoegd is, brengt de rechtbank niet tot het oordeel dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder heeft in het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank voldoende toegelicht dat de primaire besluiten bevoegd namens het college zijn genomen. Bovendien is onweersproken dat het bestreden besluit bevoegd namens het college is genomen, waarmee een (mogelijk) aan de primaire besluiten klevend bevoegdheidsgebrek geacht kan worden te zijn geheeld.

Met betrekking tot de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2009

5.1 Verweerder stelt dat eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden omdat zij de Postbankrekening die zij sinds 22 augustus 1995 heeft niet aan verweerder heeft door gegeven. Volgens verweerder kan vanwege het ontbreken van gegevens over de periode van 1 juli 1997 tot en met 1 januari 2003 het recht op bijstand niet worden vastgesteld, zodat het recht op bijstand voor deze periode dient te worden herzien in die zin dat zij voor die periode wordt uitgesloten van het recht op bijstand. Voor de vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijstand over de periode van 2 januari 2003 tot en met 30 april 2009 heeft verweerder aansluiting gezocht bij de rekeningafschriften. Dit heeft geleid tot een herziening van het recht op bijstand. Het teveel aan ontvangen bijstand heeft verweerder teruggevorderd van eiseres.

5.2 Eiseres voert aan dat een anonieme tip geen aanleiding kan zijn voor het door verweerder verrichte onderzoek naar de rechtmatigheid van haar recht op bijstand. Verder stelt eiseres dat zij heeft voldaan aan haar inlichtingenplicht. Zij is enkel vergeten de Postbankrekening te melden. Met betrekking tot deze bankrekening meent eiseres dat zij alle gegevens aan verweerder heeft verstrekt. Volgens eiseres was verweerder daarom in staat het recht op bijstand vast te stellen. Tenslotte heeft eiseres een beroep op verjaring gedaan.

5.3 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres ontvangt vanaf 12 november 1981 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Naar

aanleiding van een anonieme melding is op 3 november 2009 een onderzoek naar het recht van eiseres op een bijstandsuitkering verricht. Uit dit onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat eiseres sinds 22 augustus 1995 een rekening bij de Postbank heeft die zij niet heeft opgegeven aan verweerder. Verder komt uit het onderzoek naar voren dat op deze rekening oncontroleerbare stortingen zijn gedaan. Uit het onderzoek is verder gebleken dat er vanaf 21 januari 2003 maandelijks stortingen van € 500 op deze rekening zijn gedaan en dat er in januari 2008 door [assurantiekantoor] € 12.029 naar deze rekening is overgemaakt in verband met diefstal van een auto waarvan eiseres de verzekeringsnemer was. Een bedrag van ongeveer gelijke grootte is in dezelfde maand vervolgens weer opgenomen. Voorts komt naar voren dat in maart en april 2007 twee stortingen zijn gedaan waaruit kan worden opgemaakt dat eiseres (huishoudelijke) werkzaamheden heeft verricht. Al met al is gebleken dat eiseres in de periode van 2 januari 2003 tot en met 30 april 2009 ongeveer € 29.436 op deze rekening heeft ontvangen waarover zij verweerder niet heeft geïnformeerd. Over de periode van 1 juli 1997 tot en met 1 januari 2003 is geen enkele duidelijkheid gekomen. Afschriften over deze periode heeft eiseres niet kunnen overleggen.

5.4 Wat betreft het toepasselijke recht stelt de rechtbank vast dat eiseres in de in geding zijnde periode achtereenvolgens bijstand heeft ontvangen op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) en op grond van de Wet Werk en bijstand (WWB). Naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer de uitspraak van 21 april 2005 (LJN: AT4358), brengt vanwege het ontbreken van overgangsrecht bij de invoering van de WWB de temporele werking van de wetgeving met zich dat rechten en plichten in beginsel moeten worden beoordeeld volgens het recht dat van toepassing was ten tijde van het bestaan van die rechten en plichten, maar dat voor de herziening, de intrekking en de terugvordering van kosten van bijstand over de gehele in geding zijnde periode de WWB van toepassing is. Dit betekent dat voor de vraag of de inlichtingenplicht is geschonden voor de periode tot 1 januari 2004 artikel 65 van de Awb van toepassing is gebleven, maar dat voor de herziening, de intrekking en de terugvordering de WWB van toepassing is. Uit het bestreden besluit maakt de rechtbank op dat verweerder is uitgegaan van het juiste wettelijk kader.

5.5 Het voorgaande leidt ertoe dat voor de beoordeling met name de volgende regelgeving van belang is.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

Ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college, onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, kan een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleen kosten van bijstand terugvorderen, voorzover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

5.6 De omstandigheid dat een anonieme tip aanleiding is geweest om onderzoek te doen naar het recht op bijstand van eiseres, maakt niet dat het onderzoek onrechtmatig is. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet de aanleiding van het onderzoek doorslaggevend is, maar hetgeen uit het onderzoek naar voren is gekomen. Het door eiseres dienaangaande gestelde kan de rechtbank dan ook niet onderschrijven. De uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 1 juli 2010 vormde, anders dan eiseres meent, evenmin een belemmering om het recht op uitkering van eiseres over de hier in geding zijnde periode nader te onderzoeken. Deze uitspraak betrof immers enkel de opheffing van de blokkering van het recht op bijstand per 29 april 2010.

5.7 Vast staat dat eiseres de Postbankrekening die zij sinds 22 augustus 1995 heeft niet heeft opgegeven aan verweerder. Het betoog van eiseres dat zij heeft voldaan aan haar inlichtingenverplichtingen en slechts vergeten was de rekening door te geven kan niet slagen. Onweersproken is dat eiseres in diverse besluiten omtrent haar recht op een bijstandsuitkering is gewezen op de plicht alle van belang zijnde wijzigingen in haar situatie die van invloed kunnen zijn op de hoogte van haar uitkering door te geven aan verweerder. Verder staat vast dat eiseres in de door haar ingevulde en ondertekende rechtmatigheidsformulieren is verzocht een overzicht te geven van alle bank-, giro- en spaarrekeningen. Gezien deze omstandigheden had het eiseres duidelijk moeten zijn dat zij aan verweerder mededeling had moeten doen van de Postbankrekening. De rechtbank concludeert met verweerder dat eiseres de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 65 van de Awb en 17 van de WWB heeft geschonden.

5.8 Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB is het bij schending van de inlichtingenplicht aan eiseres om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat, indien zij die verplichting wel naar behoren zou zijn nagekomen, aan haar over de betrokken periode bijstand zou zijn verleend.

5.9 Met betrekking tot de periode van 1 juli 1997 tot en met 1 januari 2003 is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres daarin niet is geslaagd. De rechtbank stelt vast dat controleerbare gegevens over deze periode ontbreken. Evenmin is aannemelijk geworden dat eiseres de Postbankrekening vóór 2 januari 2003 niet gebruikte dan wel enkel gebruikte voor kleine bedragen. Ook overigens heeft eiseres, hoewel zij daartoe ruimschoots in de gelegenheid is gesteld, verzuimd enig inzicht over voornoemde periode te verschaffen. Dit heeft tot gevolg dat door verweerder niet meer kan worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate, eiseres in de hier bedoelde periode verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Abw dan wel artikel 11, eerste lid, van de WWB. Naar het oordeel van de rechtbank komt dat voor rekening en risico van eiseres. Verweerder was dan ook bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB het besluit tot toekenning van de bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 1 januari 2003 te herzien en in te trekken.

5.10 Wat betreft de periode van 2 januari 2003 tot en met 30 april 2009 overweegt de rechtbank dat verweerder terecht het recht op bijstand heeft herzien en beoordeeld aan de hand van de gegevens zoals die naar voren komen uit de afschriften over deze periode. Hieruit kan worden afgeleid dat in die periode ruim € 29.436 op de Postbankrekening van eiseres is bijgeschreven en afgeschreven. De stelling van eiseres dat verweerder ten onrechte het door haar van [assurantiekantoor] ontvangen bedrag van € 12.029 bij de herziening heeft betrokken kan de rechtbank niet onderschrijven. Terecht heeft verweerder geen doorslaggevende betekenis toegekend aan de verklaring van [assurantiekantoor] dat dit bedrag abusievelijk aan eiseres is uitgekeerd. Nu eiseres verzekeringsnemer is houdt de rechtbank het ervoor dat dit bedrag terecht aan eiseres is uitgekeerd. Voor het overige heeft eiseres niet nader geconcretiseerd waarom verweerder niet van de bijgeschreven bedragen zoals die blijken uit de afschriften had mogen uitgaan. Gelet op de hoogte van het bedrag concludeert de rechtbank met verweerder dat eiseres over de periode van 2 januari 2003 tot en met 30 april 2009 recht had op een lager bedrag aan bijstand dan aan haar is uitbetaald. Verweerder was dan ook bevoegd om op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over deze periode te herzien.

5.11 Uit hetgeen hiervoor met betrekking tot de herziening en intrekking is overwogen volgt dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Verweerder was derhalve bevoegd over te gaan tot terugvordering van de kosten van de aan eiseres verleende bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 2009.

5.12 De stelling van eiseres dat de terugvordering van de ten onrechte verstrekte bijstand niet mogelijk is omdat sprake is van verjaring faalt. De rechtbank overweegt dat uit de parlementaire geschiedenis blijkt de wetgever voor ogen heeft gehad, dat de algemene regels voor verjaring, zoals neergelegd in artikel 3:309 van het Burgerlijk Wetboek (BW), ook van toepassing zijn op de terugvordering van de ten onrechte verstrekte bijstand. Dientengevolge begint de verjaringstermijn te lopen op de dag dat het verweerder bekend is geworden met het bestaan van de vordering. In zijn uitspraak van 29 april 2003 (LJN: AH 8680) heeft de CRvB vastgesteld dat artikel 3:309 van het BW vanaf 1 juli 1997 van toepassing is in het bijstandsrecht. De rechtbank stelt vast dat verweerder in 3 november 2009 bekend is geworden met de Postbankrekening van eiseres en dat op 28 juli 2010 het terugvorderingsbesluit is genomen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder, gelet op de in artikel 3:309 BW genoemde termijn van vijf jaren, bevoegd was de aan eiseres verleende bijstand over de hier in geding zijnde periode geheel dan wel gedeeltelijk terug te vorderen.

5.13 Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden die eiseres heeft aangevoerd geen dringende redenen vormen op grond waarvan verweerder van herziening en intrekking van het recht op bijstand dan wel terugvordering van de ten onrechte genoten bijstand over de hier in geding zijnde perioden had moeten afzien.

Met betrekking tot de periode van 1 december 2009 tot en met 24 januari 2010

6.1 Verweerder stelt dat eiseres vanwege de door haar ontvangen giften van $ 700 en

€ 1000 over voldoende middelen beschikte om te voorzien in de algemene kosten van haar bestaan, waardoor zij geen recht heeft op een bijstandsuitkering in de hier bedoelde periode. Verder stelt verweerder dat eiseres de giften niet bij ontvangst aan verweerder heeft gemeld, waardoor zij de beoordeling van het recht op (voortzetting) van haar uitkering heeft bemoeilijkt.

6.2 Eiseres is van mening dat de giften niet als reguliere- maar als gebonden giften zijn te beschouwen nu deze waren bestemd om een ticket naar de Verenigde Staten (VS) te kunnen betalen alsmede voor haar verblijf aldaar. De giften zijn hoogstens als extra vermogen te beschouwen en blijven beneden het vrij te laten vermogen.

6.3 Op grond van artikel 31, eerste lid, van de WWB worden, voor zover hier van belang, tot de middelen gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Naar vaste jurisprudentie van de CRvB moet, mede gelet op artikel 11 van de WWB, de term beschikken zo worden uitgelegd dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

6.4 De rechtbank stelt vast dat eiseres in december 2009 een bedrag van $ 700 van haar tante en een bedrag € 1000 van haar moeder heeft ontvangen. Vast staat dat eiseres de gift van $ 700 heeft gebruikt voor haar levensonderhoud in de VS. Aldus heeft eiseres de gift aangewend om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit maakt dat verweerder deze gift terecht op de bijstandsuitkering van eiseres in mindering heeft gebracht.

Voorts staat vast dat eiseres de gift van € 1000 in contanten heeft ontvangen. Zij beschikte dus feitelijk over dit bedrag en zij had de mogelijkheid om het bedrag aan te wenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dat zij ervoor heeft gekozen om van het geld een ticket te kopen, maakt dat niet anders. Dit betekent dat deze gift eveneens terecht in mindering op haar bijstandsuitkering is gebracht.

De stelling van eiseres dat de giften zijn te beschouwen als vrij te laten vermogen is niet juist. Terecht heeft verweerder gesteld dat uit artikel 34 van de WWB volgt dat het bedrag van het vrij te laten vermogen gedurende een doorlopende periode van bijstandsverlening maar één keer kan worden benut en wel bij aanvang van de bijstand.

6.5 Gelet op de hoogte van de giften en de voor eiseres geldende bijstandsnorm heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres over de periode van 1 december 2009 tot en met 24 januari 2010 over voldoende middelen beschikte om in haar noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat verweerder terecht het recht van eiseres op een bijstandsuitkering over deze periode heeft herzien in de zin dat eiseres over deze periode is uitgesloten van het recht op een bijstandsuitkering.

6.6 Hiermee staat vast dat is voldaan aan de in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB vervatte voorwaarde voor terugvordering van de over de periode van 1 december 2009 tot en met 24 januari 2010 gemaakte kosten van bijstand. Van bijzondere omstandigheden die verweerder hadden moeten nopen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft de hoogte van het door verweerder vastgestelde terug te vorderen bedrag niet betwist.

6.7 De gronden van eiseres gericht tegen de herziening en terugvordering over de periode van 1 december 2009 tot en met 24 januari 2010 slagen dus niet.

Met betrekking tot de periode van 1 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010

7.1 Verweerder stelt dat eiseres de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB heeft geschonden door niet zelf de ontvangst van de hiervoor genoemde giften aan verweerder te melden. Volgens verweerder betoont eiseres hiermee een tekortschietend besef aan verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan bedoeld in artikel 18 van de WWB. Aan eiseres is daarom een maatregel opgelegd in de vorm van een verlaging van 10% van haar bijstandsuitkering over de periode van 1 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010.

7.2 Eiseres voert aan dat de inlichtingenplicht niet heeft geschonden omdat zij niet wist dat zij deze giften moest melden aan verweerder. Voorts stelt eiseres dat haar voorafgaand aan het onderzoek niet de cautie is gegeven, hetgeen in strijd is met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Om die reden kan volgens eiseres het bestreden besluit geen stand houden.

7.3 Naar het oordeel van de rechtbank is het de eigen verantwoordelijkheid van degene die een uitkering ontvangt om alle van belang zijnde gegevens direct en op eigen initiatief aan verweerder door te geven en zo nodig navraag te doen bij verweerder. De rechtbank stelt vast dat eiseres de door haar in december 2009 ontvangen giften niet heeft gemeld op het moment van ontvangst. De stelling van eiseres dat zij niet wist dat zij deze giften had moeten melden kan de rechtbank niet onderschrijven. Aan eiseres is immers in de diverse door haar ingevulde en ondertekende rechtmatigheidsformulieren expliciet gevraagd of haar vermogen is gewijzigd sinds het laatste heronderzoek, waarbij als voorbeeld is gegeven gekregen gelden of waardevolle goederen. Gelet hierop had het eiseres redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat zij verweerder direct de door haar ontvangen giften had moeten melden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat eiseres de inlichtingenplicht heeft geschonden. Hetgeen eiseres hiertegen heeft aangevoerd slaagt dus niet.

7.4 Ten aanzien van de stelling van eiseres dat aan haar niet de cautie is gegeven overweegt de rechtbank als volgt. Zoals de CRvB meermalen heeft geoordeeld (zie onder meer de uitspraken van 18 februari 2003, LJN: AF5524, en van 19 mei 2009, LJN: BI6436) is een bestuursorgaan niet gehouden de betrokkene die in het kader van een onderzoek dat uitsluitend erop gericht is het recht op bijstand (nader) vast te stellen of te herbeoordelen een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij een verdachte in strafrechtelijke zin.

7.5 De rechtbank is van oordeel dat het opleggen van een maatregel in verband met het schenden van de inlichtingenplicht in dit geval een bestraffend karakter heeft. De schending van de inlichtingenplicht heeft immers voor eiseres al geleid tot herziening en uitsluiting van het recht op bijstand over de periode waarop de schending ziet. Het vervolgens ook nog tijdelijk verlagen van de uitkering in een periode nadien heeft in elk geval mede als effect gehad dat eiseres (extra) leed is toegebracht en daarmee is die verlaging aan te merken als een punitieve (bestraffende) sanctie. De rechtbank vindt steun voor haar oordeel in een uitspraak van de CRvB van 5 juni 2007 (LJN: BA7556). Het geven van de cautie is dan ook aangewezen. Volgens het rapport van 16 juli 2010, waarin het gesprek van 15 juli 2010 is weergegeven, is aan eiseres meegedeeld dat zij het recht heeft om te zwijgen over de redenen van de schending van de inlichtingenplicht. Eiseres heeft deze zinsnede in het rapport onvoldoende ontkracht. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat eiseres tijdens het gesprek van 15 juli 2010 de cautie is gegeven. Bovendien heeft eiseres bij brieven van 3 juni 2010 – op dat moment was er nog geen voornemen tot het opleggen van een maatregel, zodat het geven van de cautie niet nodig was – aangegeven dat en van wie zij giften heeft ontvangen en waarvoor zij de giften heeft gebruikt. Hetgeen zij tijdens het gesprek van 15 juli 2010 naar voren heeft gebracht was dan ook niet nieuw. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.

7.6 Wat betreft de hoogte en duur van de door verweerder opgelegde maatregel overweegt de rechtbank dat eiseres deze niet heeft betwist en de rechtbank geen aanleiding ziet deze onjuist te achten.

8. Al het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

9. Bij deze beslissing is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, mr. T. Luigjes en

mr. L.N. Nijhuis, leden, in aanwezigheid van mr. S.C. Jacobs, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 april 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.