Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW7202

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
14-810079-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vechtpartij in discotheek Kdanz in Schagen. Verdachte veroordeeld wegens zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Straf

Parketnummer : 14/810079-12 + 14/811010-10 (TUL)

Datum uitspraak : 30 mei 2012

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteland] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Noord-Holland Noord - Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 mei 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank

- feit 1 primair en feit 2 zal bewezen verklaren;

- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 293 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden als voorgesteld door de reclassering in haar advies d.d. 15 mei 2012;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] zal toewijzen tot een bedrag van € 39,95 met daaraan verbonden de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] zal toewijzen tot een bedrag van € 200,00 met daaraan verbonden de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr en de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk zal verklaren;

- de tenuitvoerlegging zal gelasten van de eerder in de zaak met parketnummer 14/811010-10 voorwaardelijk aan verdachte opgelegde jeugddetentie voor de duur van 90 dagen en deze zal omzetten in een werkstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en diens raadsman, mr. H. Teunisse, advocaat te Den Helder, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 28 december 2011 te Schagen aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten: een schedelfractuur met een inwendige bloeding en scheur in de schedel), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht met gebalde vuisten) meermalen tegen/in het hoofd/gezicht te stompen en/of te slaan;

subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 28 december 2011 te Schagen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 1]), (met kracht met gebalde vuisten) meermalen tegen/in het hoofd/gezicht heeft gestompt en/of geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (te weten: een schedelfractuur met een inwendige bloeding en scheur in de schedel), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 28 december 2011 te Schagen opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer 2]), een (harde) klap tegen de zijkant van het gezicht heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1. primair

hij op 28 december 2011 te Schagen aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten: een schedelfractuur met een inwendige bloeding en een scheur in de schedel, heeft toegebracht, door deze opzettelijk met kracht met gebalde vuist meermalen tegen het hoofd te stompen;

2.

hij op 28 december 2011 te Schagen opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] een harde klap tegen de zijkant van het gezicht heeft gegeven, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

4. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

mishandeling

5. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justititiarapport over verdachte, opgemaakt door de GZ-psycholoog mevrouw W.M. Knol-Schoonhoven en gedateerd 11 mei 2012.

Onderzoekster concludeert op basis van haar onderzoek dat verdachte ten aanzien van de hem ten laste gelegde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusie en maakt die tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Overigens is niet gebleken van enige omstandigheid die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

6. MOTIVERING VAN DE STRAF

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft in discotheek Kdanz in Schagen in een ruzie twee leeftijdgenoten geslagen.

Verdachte heeft erkend beide jongens te hebben geslagen, maar stelt dat te hebben gedaan in reactie op klappen die hij zelf kreeg. Hoewel geen formeel beroep op noodweer is gedaan, hecht de rechtbank eraan hier op te merken dat uit de verschillende getuigenverklaringen in het dossier valt af te leiden dat van gerechtvaardigde zelfverdediging door verdachte geen sprake is geweest, maar dat hij zich uit eigen beweging met een ruzie is gaan bemoeien.

Het eerste slachtoffer is door verdachte meermalen met kracht met de vuist tegen het hoofd geslagen. Hierdoor heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen in de vorm van een schedelfractuur. Het behoeft geen betoog dat de gevolgen hiervan voor het slachtoffer ingrijpend zijn geweest. Uit het dossier blijkt dat hij een kleine zes weken later nog steeds last had van hoofdpijn en concentratiestoornissen als gevolg van de mishandeling. Bovendien blijkt uit de door het slachtoffer ingediende vordering tot schadevergoeding dat het slachtoffer veel schoollessen heeft moeten missen, terwijl hij juist in het eindexamenjaar zit.

Het tweede slachtoffer heeft van verdachte een harde klap tegen de zijkant van het gezicht gekregen. Dit slachtoffer heeft aan de confrontatie met verdachte minder ernstig letsel overgehouden, maar dat neemt niet weg dat het ook voor hem een schokkende en pijnlijke ervaring moet zijn geweest.

Daarnaast leveren dergelijke geweldsincidenten, gepleegd in een drukke discotheek tijdens een scholierenfeest, een bijdrage aan reeds bestaande gevoelens van onveiligheid, met name onder jongeren in het uitgaansleven.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 februari 2012, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder tot een gedeeltelijk voorwaardelijke vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en wel ter zake van een woningoverval, een insluiping in een woning en een inbraak in een sporthal. Deze veroordeling en ook de dreiging van de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk strafdeel heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport, gedateerd 11 mei 2012, opgemaakt door mevrouw W.M. Knol-Schoonhoven, GZ-psycholoog.

- het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies, gedateerd 15 mei 2012, opgesteld door mevrouw N. Schilder, reclasseringswerker werkzaam bij Reclassering Nederland, adviesunit Alkmaar.

Uit het psychologisch rapport komt naar voren dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een matig ernstige gedragsstoornis, beginnend in de kinderleeftijd. Daarnaast is er sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens: verdachtes intellectuele prestaties liggen op zwakbegaafd niveau. Bovendien is verdachte van jongsaf pedagogisch en affectief verwaarloosd, waarbij ook sprake was van fysieke mishandeling.

Verdachte heeft een woonplek nodig met voldoende steun en begrip van begeleidende volwassenen, die ruimte en ondersteuning bieden voor zijn behoefte om zelf te bepalen hoe zaken geregeld moeten worden. Daarnaast heeft verdachte begeleiding nodig bij het vinden en behouden van een geschikte werkplek. Tot slot adviseert de psycholoog een agressieregulatietraining, om te leren hoe om te gaan met het ‘kruitvat’ binnenin hem en hoe te reageren bij krenking, zodat hij niet impulsief een behandeling of een verblijf in een begeleid wonenproject afbreekt. De psycholoog betoont zich niet somber over het perspectief op een positieve ontwikkeling. Verdachte is wat betreft intelligentie voldoende leerbaar, heeft voldoende inzicht in ‘goed en kwaad’ en is gemotiveerd voor hulp en begeleiding bij wonen en werken. Verplicht reclasseringstoezicht is dan ook geïndiceerd, aldus de psycholoog.

De reclassering komt in genoemd advies tot de conclusie dat het recidiverisico als laaggemiddeld ingeschat moet worden, bij voldoende begeleiding. Ook de reclassering acht een verplicht toezicht geïndiceerd.

Mede op basis van de bevindingen van de rapporterend psycholoog heeft de reclassering een Plan van Aanpak opgesteld, waarin de invulling van het toezicht nader is geconcretiseerd en bijzondere voorwaarden worden voorgesteld. Belangrijke elementen hierin zijn deelname aan een agressieregulatietraining (ART) en opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang. Verdachte kan per 31 mei 2012 worden opgenomen in het woonbegeleidingstraject van Huiswerk v.o.f. te Den Helder.

De rechtbank zal het advies van de reclassering volgen. Met de officier van justitie en de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat het uit een oogpunt van terugdringen van recidivegevaar van belang is dat verdachte in een verplicht kader wordt begeleid bij het zetten van stappen richting een zelfstandig, volwassen bestaan. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen de jeugdige leeftijd van verdachte.

De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen die eindigt op 30 mei 2012, om verdachte in de gelegenheid te stellen gebruik te maken van de garantiedatum van 31 mei 2012 voor opname bij Huiswerk v.o.f. te Den Helder. Daarnaast zal de rechtbank, conform de eis van de officier van justitie, aan verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Dit voorwaardelijk strafdeel dient enerzijds als ernstige waarschuwing aan verdachte zich niet weer schuldig te maken aan strafbare feiten en anderzijds om verdachte ervan te doordringen dat hij dient mee te werken aan de begeleiding door de reclassering en aan de overige bijzondere voorwaarden.

7. BENADEELDE PARTIJEN

7.1

De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende [adres 1], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 573,45 wegens materiële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De benadeelde partij is niet ter terechtzitting verschenen om zijn vordering nader toe te lichten.

De vordering van de benadeelde partij is opgebouwd uit een bedrag van € 533,50 wegens schade aan diens bril en een bedrag van € 39,95 wegens een kapot gescheurd overhemd.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Wat betreft de bril stelt de rechtbank voorop dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij op dit punt inderdaad schade heeft geleden. Met de officier van justitie en de raadsman van verdachte, is de rechtbank echter van oordeel dat op basis van het dossier niet met zekerheid is vast te stellen dat deze schade is veroorzaakt door het door verdachte op de benadeelde partij uitgeoefende geweld. Er is slechts één verklaring, waaruit volgt dat verdachte de bril van de benadeelde partij heeft afgeslagen. Uit verschillende andere verklaringen blijkt echter dat de benadeelde partij de bril al eerder had verloren. Nu aldus niet is komen vast te staan dat de schade aan de bril het rechtstreekse gevolg is geweest van het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit, zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

De gevorderde vergoeding voor het overhemd ad € 39,95 acht de rechtbank toewijsbaar, nu naar haar oordeel is komen vast te staan dat de benadeelde partij op dit punt als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De benadeelde partij kan het deel van de vordering dat tot niet-ontvankelijkheid heeft geleid desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

7.2

De benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende [adres 2], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 500,00 wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De benadeelde partij is niet ter terechtzitting verschenen om de vordering nader toe te lichten.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 200,00 en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in het overige deel van de vordering.

De raadsman van verdachte heeft zich bij dit standpunt aangesloten.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek ‘Bewezenverklaring’ onder 2. bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

Gelet op de door de benadeelde partij aangehaalde omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat door de klap van verdachte een stukje van een kies van de benadeelde partij is afgebroken, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding voor immateriële schade op zijn plaats is. Vergeleken met min of meer soortgelijke gevallen kan deze vergoeding in billijkheid worden vastgesteld op € 300,00, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

8. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregel besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek ‘Bewezenverklaring’ onder 1 primair, respectievelijk 2 bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelde.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

9. VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE STRAF

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering gedateerd 6 april 2012 gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van kinderstrafzaken in deze rechtbank van 16 juni 2010 in de zaak met parketnummer 14/811011-10 aan de verdachte opgelegde jeugddetentie voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Op de terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd, in die zin dat thans wordt gevorderd, dat de rechtbank, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de jeugddetentie te geven, een werkstraf zal gelasten voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 16 juli 2010 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 1 juli 2010 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Daarom behoort de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde jeugddetentie te worden gelast.

Zoals hiervoor in de rubriek ‘Motivering van de straf’ uiteengezet, acht de rechtbank het geboden om aan verdachte voor de in de onderhavige zaak bewezen verklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die eindigt op 30 mei 2012, teneinde hem in de gelegenheid te stellen om in het kader van het door de reclassering opgestelde Plan van Aanpak gebruik te maken van de per 31 mei 2012 gegarandeerde plaats in een instelling voor begeleid wonen. De tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf in verband met de eerder voorwaardelijk opgelegde straf zou het Plan van Aanpak thans doorkruisen. De rechtbank acht daarom termen aanwezig om, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van jeugddetentie voor de duur van drie maanden te geven, een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 120 uren te gelasten.

10. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11. BESLISSING

De rechtbank:

? Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 292 (tweehonderd tweeënnegentig) dagen.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- meldingsgebod

dat de veroordeelde contact onderhoudt met de reclassering te Alkmaar, zo vaak en zolang als de reclassering dit nodig acht.

- deelname aan een gedragsinterventie

dat de veroordeelde deelneemt aan de Agressieregulatietraining (ART), dan wel een soortgelijke agressietraining bij een daartoe geëigende behandelinstelling.

- opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang

dat de veroordeelde zich op 31 mei 2012 te 11.00 uur meldt bij Huiswerk v.o.f. te Den Helder, Spoorstraat 111-113.

- andere voorwaarden het gedrag van de veroordeelde betreffende

dat de veroordeelde zich akkoord verklaart met bewindvoering bij Van der Most bewindvoering te Den Helder.

waarbij Reclassering Nederland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar, noodzakelijk oordeelt.

? Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende [adres 1], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 39,95 (negenendertig euro en vijfennegentig cent) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

? Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] voornoemd, te betalen een som geld ten bedrage van € 39,95 (negenendertig euro en vijfennegentig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van één dag.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende [adres 2], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Wijst af wat meer of anders is gevorderd.

? Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] voornoemd, te betalen een som geld ten bedrage van € 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 (zes) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

? Gelast in de zaak met parketnummer 14/811011-10, een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 60 (zestig) dagen.

? Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. G.A.M. van Dijk en mr. H.E. van Erp-van Harten, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Helder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 mei 2012.

Mrs. Saarloos en Van Erp-Van Harten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.