Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW5434

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/1336
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling ZZP-er. Herziening en terugvordering WW-uitkering staan in rechte vast.

De besluiten waarbij eisers WW-uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht is herzien en onverschuldigd betaalde uitkering van hem is teruggevorderd zijn onherroepelijk geworden.

Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een verzoek van een belanghebbende om van een eerder (ambtshalve) genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Indien een bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich – analoog aan hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb – in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Hetgeen eiser heeft aangevoerd, in het bijzonder dat hij onjuist is voorgelicht door verweerder over de reikwijdte van de verplichting gewerkte uren als zelfstandig ondernemer aan verweerder door te geven en voorts dat hij de WW-aanvraagformulieren naar waarheid heeft ingevuld, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als nieuwe of veranderde feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Eiser had deze argumenten immers ook reeds tegen de besluiten waarbij zijn WW-uitkering is herzien en onverschuldigd betaalde uitkering van hem is teruggevorderd kunnen inbrengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1336

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 maart 2012 in de zaak tussen

[naam], te [woonplaats], eiser

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Utrecht), verweerder

(gemachtigde: J. Knufman).

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2010 (het primaire besluit) is verweerder gedeeltelijk teruggekomen van de besluiten van 31 juli 2007 en 1 augustus 2007, in die zin dat hij het van eiser over de periode van 1 mei 2000 tot en met 18 februari 2005 teruggevorderde bedrag van € 37.314,02 aan onverschuldigd betaalde Werkloosheidswet (WW)-uitkering met

€ 3.929,64 heeft verlaagd.

Bij besluit van 13 mei 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2012. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Bij besluit van 31 juli 2007 heeft verweerder de WW-uitkering van eiser met ingang van

1 mei 2000 herzien omdat eiser niet de juiste gewerkte uren als zelfstandig ondernemer aan verweerder zou hebben doorgegeven.

Bij besluit van 1 augustus 2007 heeft verweerder een bedrag van € 37.314,02 aan onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 1 mei 2000 tot en met

18 februari 2005 van eiser teruggevorderd. Tegen deze besluiten heeft eiser geen rechtsmiddelen aangewend.

Op instigatie van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is in maart 2010 het zogeheten project herbeoordeling ZZP-dossiers gestart. Naar aanleiding hiervan heeft eiser verweerder bij brief van 25 maart 2010 verzocht terug te komen van de besluiten van 31 juli 2007 en 1 augustus 2007.

Daarop heeft een herbeoordeling door de zogeheten toetsingscommissie ZZP plaatsgevonden. Deze herbeoordeling heeft geleid tot het primaire besluit.

Het tegen het primaire besluit door eiser gemaakte bezwaar is in handen gesteld van de zogeheten commissie-Asscher-Vonk (hierna: Bezwaaradviescommissie ZZP). De Bezwaaradviescommissie ZZP heeft verweerder op 21 april 2011 geadviseerd het primaire besluit te handhaven.

Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen.

2. De rechtbank stelt vast dat de besluiten van 31 juli 2007 en 1 augustus 2007 onherroepelijk zijn geworden.

3. Voor de beoordeling is daarom de volgende regelgeving van belang.

Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.

Ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld.

4. Uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep – zie bijvoorbeeld de uitspraak van 11 augustus 2010, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, onder LJ-nummer BN3806 – volgt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een verzoek van een belanghebbende om van een eerder (ambtshalve) genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoording en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien een bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich – analoog aan hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van de Awb – in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.

5. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, in het bijzonder dat hij onjuist is voorgelicht door verweerder over de reikwijdte van de verplichting gewerkte uren als zelfstandig ondernemer aan verweerder door te geven en voorts dat hij de WW-aanvraagformulieren naar waarheid heeft ingevuld, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als nieuwe of veranderde feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Deze argumenten hadden immers ook reeds tegen de besluiten van 31 juli 2007 en 1 augustus 2007 kunnen worden ingebracht. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen om de besluiten van 31 juli 2007 en

1 augustus 2007, met uitzondering van de hoogte van het terugvorderingsbedrag, te handhaven.

6. Gelet op het voorgaande zal het beroep ongegrond worden verklaard.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H.A.C. Everaerts, voorzitter, mr. B. Liefting-Voogd en mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.