Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW5043

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
11-04-2012
Datum publicatie
07-05-2012
Zaaknummer
393674 \ OA VERZ 12-26 WD
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst. De kantonrechter overweegt dat de voornaamste oorzaak voor de verstoring van de onderlinge verhouding een tussen partijen gerezen geschil van mening is over de inhoud en de uitvoering van de overeenkomst die ten grondslag heeft gelegen aan de overdracht van de onderneming van werknemer aan werkgever. Wie in deze kwestie gelijk heeft en dus de verstoring van de verhoudingen het meeste valt aan te rekenen, kan in deze procedure niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Bij de begroting van de ontbindingsvergoeding wordt derhalve uitgegaan van C=1.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-0449

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 393674 \ OA VERZ 12-26 WD

Uitspraakdatum: 11 april 2012

Beschikking in de zaak van:

[naam], handelend onder de namen [naam], zaakdoende te [plaats],

verzoekende partij,

verder ook te noemen: [werkgever]

gemachtigde: gemachtigde: mr. H.P. Verheyen, advocaat te Utrecht,

tegen

toevoeging aangevraagd

[naam], wonende te [plaats],

verwerende partij,

verder ook te noemen: [werknemer],

gemachtigde: mr. A. Lof, advocaat te Heerhugowaard.

1. Het procesverloop

[werkgever] heeft op 8 februari 2012 een verzoekschrift ingediend.

Daar heeft [werknemer] bij verweerschrift op gereageerd.

De mondelinge behandeling heeft in deze --gelijktijdig met het kort geding ex artikel 254 lid 4 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Rv] onder rolnr.: 396300 \ KG EXPL 11-28-- plaatsgevonden op 13 maart 2012, alwaar zijn verschenen partijen vergezeld door hun gemachtigden.

Ter zitting hebben partijen hun verzoek- respectievelijk verweerschrift nader toegelicht aan de hand van pleitnotities en producties.

Partijen hebben vervolgens getracht hun geschillen door middel van mediation op te lossen, hetgeen is mislukt.

Partijen hebben naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting vervolgens op 27 maart 2012 hun stellingen schriftelijk nader toegelicht.

De inhoud van deze processtukken geldt als hier ingelast.

Vervolgens is heden uitspraak bepaald.

2. De uitgangspunten

2.1. Vanaf 19 december 2000 heeft [werknemer] een onderneming geëxploiteerd in de handel en reparaties van personenauto’s. Medio 2010 is [werknemer] daarnaast een webwinkel begonnen. [werknemer] heeft hierbij gehandeld onder de namen “[naam]”en “[naam]”.

2.2. [werkgever] exploiteert vanaf oktober 2001 een autobedrijf.

2.3. Op 29 december 2010 heeft [werknemer] zijn onderneming, waaronder de activa en de handelsnamen, aan [werkgever] overgedragen.

2.4. Met ingang van 6 januari 2011 is [werknemer] bij [werkgever] in dienst als technisch bedrijfsleider voor 40 uur per week. Het salaris is vastgesteld op € 2.859,93 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld.

3. Het geschil

3.1. [werkgever] verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden tegen de vroegst mogelijke datum wegens gewichtige redenen.

3.2. Aan dit verzoek legt [werkgever] -zakelijk samengevat- het volgende ten grondslag. [werknemer] weigert te voldoen aan de door [werkgever] gegeven instructies. Zo maakt hij zonder voorafgaande toestemming van [werkgever] afwijkende prijsafspraken met klanten en voert hij buiten de wens van klanten extra werkzaamheden uit aan de auto’s.

[werknemer] weigert te voldoen aan de voor de indiensttreding gemaakte afspraak om inzage te verlenen in de jaarcijfers 2010 van de overgedragen onderneming.

[werknemer] laat zich tegenover leveranciers negatief uit over de onderneming van [werkgever].

[werknemer] voldoet oude facturen met gelden van [werkgever] terwijl die facturen volgens partijafspraken voor rekening van [werknemer] moeten komen.

[werknemer] heeft verzwegen niet over de vereiste vakdiploma’s te verrichten en heeft verzuimd deel te nemen aan de door [werkgever] aangeboden vakopleiding.

[werknemer] heeft zonder toestemming van [werkgever] werkzaamheden verricht voor een concurrent van [werkgever].

Het voorgaande levert een dringende reden op die ertoe noopt de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Voor zover niet van een dringende reden sprake is, dient de arbeidsovereenkomst op grond van gewijzigde omstandigheden te worden beëindigd, aldus [werkgever].

3.3. Het verweer van [werknemer] strekt primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair tot toekenning van een ontbindingsvergoeding ter hoogte van € 62.392,04 bruto.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. De kantonrechter overweegt in de eerste plaats dat gebleken is dat het onderhavige ontbindingsverzoek geen verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 7:647, 7:648, 7:670 en 7:670a van het Burgerlijk Wetboek [BW] of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.

4.2. De door [werkgever] aangevoerde omstandigheden, die hij ten grondslag legt aan het verzoek om ontbinding wegens een dringende reden, zijn door [werknemer] gemotiveerd betwist en daardoor niet in voldoende mate aannemelijk geworden. Hiertoe wordt in aanmerking genomen dat de aard van deze procedure zich niet leent voor een uitgebreid feitenonderzoek door middel van bijvoorbeeld het horen van getuigen.

4.3. Wel is duidelijk geworden dat de verhouding tussen partijen zodanig verstoord is geraakt dat een vruchtbare samenwerking niet (meer) mogelijk is zodat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden.

4.4. De voornaamste oorzaak voor de verstoring van de onderlinge verhouding is een tussen partijen gerezen verschil van mening over de inhoud en de uitvoering van de overeenkomst die ten grondslag heeft gelegen aan de overdracht van de onderneming van [werknemer] aan [werkgever]. Wie in die kwestie ongelijk heeft en dus de verstoring van de verhoudingen het meeste valt aan te rekenen, kan in deze procedure niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Zoals overwogen biedt deze procedure, gelet op haar aard, geen gelegenheid voor een uitgebreid onderzoek naar de feiten.

4.5. Derhalve dient bij de begroting van de ontbindingsvergoeding van een factor C= 1 te worden uitgegaan. Er zijn geen omstandigheden die maken dat hiervan zou moeten worden afgeweken. Het moge zo zijn dat [werkgever] in liquiditeitsproblemen verkeert echter deze worden niet zo ernstig ingeschat dat een bedrag als niet op te brengen zou zijn.

Dat [werknemer] geen ter zake doend arbeidsverleden in loondienst heeft waardoor de uitkomsten van de kantonrechtersformule tot een mager resultaat leidt, maakt het oordeel niet anders, aangezien dit het gevolg is van de keuze van [werknemer] om - kennelijk jarenlang - ondernemer te zijn.

4.6. Het voorgaande in acht nemende zal de kantonrechter de ontbindingsvergoeding vaststellen op € 3.119,60.

4.7. Op de voet van artikel 7:685 lid 9 BW worden partijen van de voorgenomen beslissing in kennis gesteld en is [werkgever] bevoegd het verzoek binnen hierna te noemen termijn in te trekken.

4.8. Er zijn termen aanwezig de proceskosten tussen partijen te compenseren. Ingeval [werkgever] evenwel zijn verzoek intrekt, zal zij de proceskosten van [werknemer] dienen te dragen.

5. De beslissing

De kantonrechter:

Bepaalt dat de termijn, waarbinnen [werkgever] zijn haar verzoek zal kunnen intrekken [i.c. door middel van een schriftelijke mededeling (eventueel bij faxbericht) aan de griffier en in afschrift aan de (gemachtigde van de) wederpartij], zal lopen tot en met 25 april 2012.

Voor het geval [werkgever] zijn verzoek niet binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2012.

Kent aan [werknemer] ten laste van [werkgever] een vergoeding toe van € 3.119,60 bruto.

Bepaalt dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Voor het geval [werkgever] zijn verzoek binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

Veroordeelt [werkgever] in de proceskosten, die aan de zijde van [werknemer] worden vastgesteld op € 400,-- voor salaris gemachtigde, waarover [werkgever] geen BTW verschuldigd is.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 11 april 2012 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter