Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW4475

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
14.700552-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door roekeloos rijgedrag, ten gevolge waarvan zijn passagier – en tevens goede vriend – is komen te overlijden. Verdachte was ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol en amfetamine en beschikte niet over een geldig rijbewijs. De rechtbank overweegt dat dit een hogere straf rechtvaardigt dan door de officier van justitie is gevorderd. Opgelegde straf: gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden en een Ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14/700552-10 (P)

Datum uitspraak: 26 april 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum],

ingeschreven op het [adres en woonplaats] ([land]),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 april 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van de verdachte, mr. R.J. Pardijs, advocaat te Alkmaar, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

(primair)

hij op of omstreeks 29 oktober 2009 te Schagerbrug, gemeente Zijpe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Rijksweg N9, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden over genoemde weg,

- terwijl aan hem, verdachte, door de bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, geen rijbewijs was afgegeven voorde categorie van motorrijtuigen waartoe het door hem bestuurde voertuig behoorde en/of

- niet normaal de rijbaan van die weg te volgen en/of

- de controle over het door hem bestuurde voertuig te verliezen en/of niet in staat te zijn de handelingen te verrichten die van hem als bestuurder mochten worden vereist, maar met het door hem bestuurde voertuig aan de rechterzijde van die weg in de berm is gereden (over een afstand van ongeveer 30 meter) en vervolgens tegen een in die berm staand verkeersbord is aangereden en vervolgens tegen een boom is aangereden waarna het voertuig in een naastgelegen kanaal is geraakt, waardoor zijn passagier (genaamd [slachtoffer]) werd gedood,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en/of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

(subsidiair)

hij op of omstreeks 29 oktober 2009 te Schagerbrug, gemeente Zijpe, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

en/of

hij op of omstreeks 29 oktober 2009 te Schagerbrug, gemeente Zijpe, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0,76 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

en/of

hij op of omstreeks 29 oktober 2009 te Schagerburg, gemeente Zijpe, als bestuurder van een voertuig (personenauto) daarmee heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg N9, en toen - niet normaal de rijbaan van die weg heeft gevolgd en/of - de controle over het door hem bestuurde voertuig heeft verloren en/of niet in staat te zijn geweest de handelingen te verrichten die van hem als bestuurder mochten worden vereist, maar met het door hem bestuurde voertuig in de rechterberm is gereden (over een afstand van ongeveer 30 meter) en vervolgens tegen een in die berm staand verkeersbord is aangereden en vervolgens tegen een boom is aangereden, waarna het voertuig in een naastgelegen kanaal is geraakt; door welke gedraging van verdachte gevaar op de weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt en het verkeer op de weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 29 oktober 2009 te Schagerbrug, gemeente Zijpe, in elk geval in Nederland, op een motorrijtuig, (personenauto), voorzien van het [kenteken], (een) teken(s), te weten een Poolse kentekenplaat, - niet zijnde (een) ingevolge artikel 36 van de Wegenverkeerswet 1994 aan de eigenaar of houder voor dat motorrijtuig opgegeven kenteken(s) - heeft aangebracht en/of heeft doen aanbrengen met het oogmerk dat/die teken(s) te doen doorgaan voor (een) zodanig(e) kenteken(s) dan wel met de kennelijke bedoeling dat/die teken(s) te doen doorgaan voor (een) overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften opgegeven buitenlands(e) kenteken(s) of (een) met toepassing van artikel 37, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opgegeven kenteken(s);

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

3.

hij op of omstreeks 29 oktober 2009 te Schagerbrug, gemeente Zijpe, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, Rijksweg N9, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

4.

hij op of omstreeks 29 oktober 2009 te Schagerbrug, gemeente Zijpe, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,279 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 29 oktober 2009 omstreeks 22.00 uur heeft op de Rijksweg N9 een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij een persoon is komen te overlijden.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het betreffende voertuig heeft bestuurd en of hij zich vervolgens schuldig heeft gemaakt aan het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte de bestuurder van het voertuig is geweest, en dat hij zeer onvoorzichtig en onoplettend onder invloed van alcohol en drugs en zonder dat hij in het bezit was van een geldig rijbewijs, een verkeersongeval heeft veroorzaakt, ten gevolge waarvan zijn passagier is komen te overlijden. De officier van justitie heeft voorts betoogd dat de onder feit 2 en 3 ten laste gelegde feiten, te weten het plaatsen van een valse kentekenplaat en het rijden zonder geldig rijbewijs, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Met betrekking tot feit 4 heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte zal worden vrijgesproken.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de bestuurder van het voertuig is geweest, nu dit slechts is gebaseerd op hypotheses en aannames.

Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de verklaring van 30 oktober 2009 van de verdachte niet tot het bewijs mag worden gebruikt, nu deze is afgelegd zonder dat de verdachte de mogelijkheid heeft gekregen om voorafgaande aan dat verhoor een advocaat te consulteren.

De raadsman van de verdachte heeft voorts gesteld dat de verklaring die de verdachte op 8 oktober 2010 heeft afgelegd evenmin voor het bewijs mag worden gebruikt, aangezien de raadsman niet van dit verhoor op de hoogte was gesteld.

Gelet hierop is er onvoldoende bewijs en dient de verdachte van alle ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

De verdachte is als gevolg van het ongeval in het ziekenhuis opgenomen. Op 30 oktober 2009 is [verdachte] in het ziekenhuis als verdachte gehoord. De rechtbank overweegt omtrent het verweer van de raadsman het volgende.

Het recht voor een verdachte om een advocaat te raadplegen alvorens hij voor het eerst door verbalisanten wordt gehoord geldt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad voor aangehouden verdachten.

In dit geval was verdachte op moment van verhoor niet aangehouden. Echter, de omstandigheid dat hij werd verhoord in het ziekenhuis, waar hij ten gevolge van zijn opgelopen verwondingen was opgenomen, en hij dientengevolge ten tijde van het verhoor zodanig in zijn vrijheid was beperkt dat hij zich redelijkerwijs niet zonder meer kon onttrekken aan het verhoor, acht de rechtbank zozeer vergelijkbaar met de situatie van een aangehouden verdachte, dat voornoemde jurisprudentie ook toepasselijk is op deze situatie. Het is daarom strijdig met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) om de verdachte hier niet het recht op consultatie toe te kennen. Vaststaat dat de verdachte niet op dit recht is gewezen, voorafgaande aan het verhoor, zodat dit recht is geschonden. Door schending van dit recht op consultatie is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid Sv, wat dient te leiden tot uitsluiting van bewijs van deze verklaring. Het verweer van de raadsman treft derhalve doel en de rechtbank zal deze verklaring niet voor het bewijs bezigen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer dat aan de rechtmatigheid van het verhoor van 8 oktober 2010 niet afdoet dat de raadsman kennelijk niet op de hoogte was gesteld van dit verhoor. Voor zover de raadsman stelt dat op politie en/of justitie steevast de verplichting rust voorafgaande aan het verhoor van een zich in vrijheid bevindende verdachte diens raadsman op de hoogte te stellen van dat verhoor, vindt die stelling geen steun in het recht.

De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring voor het bewijs kan worden gebruikt.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af.

Op 29 oktober 2009 omstreeks 22.02 uur kregen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een melding van een aanrijding op de Rijksweg N9 ter hoogte van de Stolpen in Schagerbrug. De verbalisanten begaven zich naar de opgegeven locatie en zagen in de rechterberm een groot beschadigd verkeersbord. Tevens was in de berm een autospoor te zien vanaf de rijbaan in de richting van het verkeersbord. Vanaf het verkeersbord liep een ravagespoor door tot aan het kanaal. In de berm zagen de verbalisanten twee personen: één persoon zat gehurkt voorovergebogen en de andere persoon stond zwaaiende bewegingen naar de verbalisanten te maken. De verbalisanten zijn naar de gehurkte persoon gelopen en hoorden hem in gebrekkig Nederlands zeggen “koud, koud” en zagen dat hij geen broek aan had. De onderzijde van de bovenkleding van de man was nat en de man rilde. Met behulp van de tolkentelefoon is door verbalisanten meerdere malen aan deze man gevraagd of er nog meer mensen in het voertuig zaten. De verbalisant hoorde de tolk zeggen dat de man meerdere keren antwoordde dat hij dat niet wist. De man bleek te zijn de verdachte [verdachte]. Tijdens dit gesprek met de verdachte rook de verbalisant dat de adem van de verdachte riekte naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank. De verdachte is per ambulance naar het MCA gebracht. In het ziekenhuis heeft de verdachte tegenover het verplegend personeel verklaard dat hij drugs heeft gebruikt. Uit toxicologisch onderzoek is gebleken dat de verdachte een hoeveelheid van 0,76 mg alcohol per ml bloed en een werkzame concentratie amfetamine in zijn bloed had.

Door duikers van de brandweer werd in het Noordhollands Kanaal gezocht naar het voertuig. Omstreeks 22.49 uur berichtte de duikploeg dat zij een auto hadden gevonden, die op zijn kop in het water lag. Omstreeks 23.22 uur haalde het duikteam een persoon uit het kanaal. Het slachtoffer is door zijn vrienden en vriendin in het mortuarium herkend als [slachtoffer]. Het slachtoffer is overleden aan een schedelbasisfractuur in combinatie met verdrinking.

Bij onderzoek van het voertuig door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] is gezien dat de gordel bij de bestuurdersstoel uitgerold was, waaruit geconcludeerd kan worden dat deze gordel waarschijnlijk is gebruikt door de bestuurder van het voertuig ten tijde van het ongeval. De gordel bij de passagiersstoel was niet uitgerold en strak gespannen, waaruit kan worden geconcludeerd dat het onmogelijk is dat een passagier deze autogordel heeft kunnen gebruiken. De gordels op de achterbank konden ten tijde van het ongeval door eventuele passagiers op de achterbank niet worden gebruikt, nu de sluitingen van de gordels zich onder de achterbank bevonden.

Verder is bij het onderzoek naar de toedracht van het ongeval geconstateerd dat de bestuurder op de Rijksweg N9 in noordelijke richting reed en dat hij een stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt. Daarbij zijn sporen op het wegdek ontstaan. Het voertuig is dwars in de berm terechtgekomen en heeft na ongeveer 30 meter het stangenstelsel van het ANWB-bord geraakt. Het voertuig is onder het bord door geschoven en is in botsing gekomen met een aantal bomen. Daarna is het voertuig aan de oostzijde van de bomen in het Noordhollands Kanaal terechtgekomen.

Op 2 november 2009 om 15.30 uur werd [verdachte] in het ziekenhuis onderzocht door forensisch geneeskundige B. Schaap. In de conclusie van Schaap staat onder andere geschreven dat de streepvormige verkleuringen en huidletsel op de borstkas kunnen passen bij de afdruk van een autogordel van linksboven naar rechtsonder. Daarnaast heeft Schaap letsel op de linkerheup en onderbuik aangetroffen bij [verdachte], welk letsel past bij schurend uiterlijk geweld zoals door auto-onderdelen. Bij de rechter-commissaris heeft Schaap op 21 maart 2012 op grond van de foto’s die hem worden getoond verklaard dat hij een blauwe plek op het linkersleutelbeen van [verdachte] ziet, welk letsel kan worden opgelopen als een autogordel met kracht tegen een sleutelbeen wordt aangedrukt.

Het slachtoffer [slachtoffer] had geen sporen op zijn lichaam die in verband konden worden gebracht met het dragen van een gordel.

De verdachte beschikte ten tijde van het ongeval niet over een geldig rijbewijs.

De verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van het ongeval niet de bestuurder van het voertuig was, maar dat hij op de passagiersstoel heeft gezeten. De rechtbank ziet echter geen reden om uit te gaan van het scenario dat de verdediging heeft geschetst. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft letsel op zijn heup, sleutelbeen en borstkas opgelopen, welk letsel door de forensisch geneeskundige is geconstateerd. Dit letsel past niet bij de verklaring van de verdachte dat hij op de passagiersstoel heeft gezeten, nu – gelet op de algemene ervaringsregels – bij een dergelijke aanrijding zonder het dragen van een gordel het bekomen van zo weinig letsel hoogst onwaarschijnlijk is. Het slachtoffer is komen te overlijden door een schedelbasisfractuur en hij is onder water aangetroffen op de hoedenplank van de auto. Bij het slachtoffer is geen letsel dat mogelijk is veroorzaakt door het gebruik van een gordel of van het stuur op zijn bovenlijf aangetroffen. Door de verbalisanten is vastgesteld dat de gordel van de bestuurdersstoel op het moment van de aanrijding gebruikt is, in tegenstelling tot de gordel van de passagiersstoel, die ten tijde van de aanrijding ongebruikt was.

Gelet op het letsel van de verdachte en het slachtoffer acht de rechtbank boven redelijke twijfel verheven dat de verdachte de bestuurder van het voertuig is geweest en het slachtoffer de passagier.

De verdachte heeft door zijn rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt waarbij zijn passagier is komen te overlijden. De verdachte was ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol en amfetamine en beschikte niet over een geldig rijbewijs. Uit het geheel van feiten en omstandigheden bij het ongeval blijkt dat de verdachte geen controle heeft gehad over zijn voertuig en dat hij niet normaal de rijbaan van de weg heeft gevolgd. In plaats daarvan is de verdachte met de auto in de berm geraakt, tegen een verkeersbord aangereden, tegen bomen aan gereden en vervolgens met de auto in het kanaal terechtgekomen. De rechtbank kwalificeert dit handelen van de verdachte als roekeloos.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de onder 1. primair en onder 3. ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van wat hem onder feit 2 ten laste is gelegd, nu de verdachte in zijn verklaring van 8 oktober 2010 bij de politie niet spreekt over de kentekenplaat en zich overigens onvoldoende wettig bewijs in het dossier bevindt.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook dient te worden vrijgesproken van wat hem onder feit 4 ten laste is gelegd.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

(primair)

hij op 29 oktober 2009 te Schagerbrug, gemeente Zijpe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, Rijksweg N9, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door roekeloos te rijden over genoemde weg,

- terwijl aan hem, verdachte, door de bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994, geen rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen waartoe het door hem bestuurde voertuig behoorde en

- niet normaal de rijbaan van die weg te volgen en

- de controle over het door hem bestuurde voertuig te verliezen en niet in staat te zijn de handelingen te verrichten die van hem als bestuurder mochten worden vereist, maar met het door hem bestuurde voertuig aan de rechterzijde van die weg in de berm is gereden over een afstand van ongeveer 30 meter en vervolgens tegen een in die berm staand verkeersbord is aangereden en vervolgens tegen een boom is aangereden waarna het voertuig in een naastgelegen kanaal is geraakt, waardoor zijn passagier (genaamd [slachtoffer]) werd gedood,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste en/of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

3.

hij op 29 oktober 2009 te Schagerbrug, gemeente Zijpe, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) heeft gereden op de weg, Rijksweg N9, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, eerste en tweede lid, van deze wet.

Ten aanzien van feit 3:

overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

7. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de verdachte dient te worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden. De officier van justitie is hierbij uitgegaan van het standpunt dat het rijgedrag van de verdachte dient te worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig. Voor de overtreding van het rijden zonder rijbewijs heeft de officier van justitie een geldboete ter hoogte van € 250,- gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op zijn pleidooi waarin hij integrale vrijspraak voor de verdachte heeft bepleit, geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door roekeloos rijgedrag, ten gevolge waarvan zijn passagier – en tevens goede vriend – is komen te overlijden. Aan de nabestaanden van het slachtoffer is door dit handelen van de verdachte onherstelbaar leed toegebracht. De verdachte was ten tijde van het ongeval onder invloed van alcohol en amfetamine en beschikte niet over een geldig rijbewijs. De rechtbank overweegt dat dit een hogere straf rechtvaardigt dan door de officier van justitie is gevorderd.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 september 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

De rechtbank neemt in haar overwegingen omtrent de strafmaat mee dat het feit dateert van 29 oktober 2009 en dat er inmiddels geruime tijd is verstreken. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de verdachte al een aanzienlijke straf zal hebben ondervonden door het overlijden van zijn goede vriend.

De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te noemen duur op haar plaats is.

Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde is de rechtbank tevens van oordeel dat als bijkomende straf een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen dient te worden opgelegd van na te noemen duur.

Ten aanzien van het onder feit 3 bewezen verklaarde rijden zonder rijbewijs acht de rechtbank een geldboete van na te noemen hoogte passend.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 107, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder feiten 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder feiten 1 en 3 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek Bewezenverklaring aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feiten 1 en 3 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek Bewezenverklaring bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek Strafbaarheid van het bewezen verklaarde vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het onder 1 bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 18 (achttien) maanden.

Ontzegt de verdachte wegens het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 (drie) jaren.

Veroordeelt de verdachte voor het onder 3 bewezen verklaarde tot een geldboete van

€ 250,- (tweehonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 5 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L. Boonstra, voorzitter,

mr. L.J. Saarloos en mr. M.L.M. van der Voet, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. de Jong, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2012.

Mr. Van der Voet is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.