Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW4365

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
01-05-2012
Zaaknummer
11/1686
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op het vertrouwensbeginsel. (Onjuist) standpunt van verzekeringsarts, inhoudende dat betrokkene voor 80-100% arbeidsongeschikt werd beschouwd, is per brief aan eiseres kenbaar gemaakt. In het licht van vaste jurisprudentie inzake het vertrouwensbeginsel is de rechtbank van oordeel dat in de schriftelijke mededeling aan eiseres de tekst weliswaar uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is geweest, doch niet ongeclausuleerd. In de brief staat dat bezwaar kan worden gemaakt zodra die brief officieel is bevestigd. Dit betekent dat het standpunt in de brief nog niet definitief is. Voorts is de informatie in de brief voor eiseres niet gedragsbepalend geweest, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1686

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Alkmaar), verweerder,

(gemachtigde: W.M.G. van Nieuwburg).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 1998 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij met ingang van

16 maart 1998 niet in aanmerking komt voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Bij besluit van 18 januari 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om terug te komen op het besluit van 16 maart 1998 afgewezen.

Bij besluit van 6 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2012. Eiseres is in persoon verschenen, vergezeld van [naam I] en [naam II]. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres is werkzaam geweest als ziekenverzorgende voor 38 uur per week. Op 22 oktober 1997 heeft zij een WAO-uitkering aangevraagd. Op 21 januari 1008 heeft een medisch onderzoek plaatsgevonden en op 16 februari 1998 een arbeidskundig onderzoek. Eiseres is op 17 februari 1998 in detentie geraakt (tot 15 oktober 1998). Verweerder heeft bij besluit van 16 maart 1998 de WAO-uitkering geweigerd, omdat eiseres minder dan 15% arbeidsongeschikt was in het kader van die wet. Tegen het besluit van 16 maart 1998 zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Bij brief van 6 mei 2009 heeft eiseres verweerder verzocht om toekenning van een WAO-uitkering. Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder een psychiatrisch-psychologisch onderzoek laten verrichten door psychiater N. van Loenen en psycholoog E.H. Ameling te Bergen. Deze deskundigen hebben op 10 november 2009 hun rapport uitgebracht. Vervolgens heeft op 24 december 2009 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek door verweerder plaatsgevonden. Omdat uit dat rapport onvoldoende duidelijk wordt wat de eerste ziektedag is, heeft op 12 januari 2011 opnieuw een medisch onderzoek plaatsgevonden. Uit dit rapport komt naar voren dat er geen reden is om van de medische beoordeling in 1998 af te wijken en dat er geen aanwijzingen zijn dat eiseres in de vijf jaar na maart 1998 toegenomen arbeidsongeschikt is geworden. Het laatstgenoemde rapport heeft verweerder aan het primaire besluit ten grondslag gelegd, waarin is beslist dat verweerder niet terugkomt op zijn besluit van 16 maart 1998.

2. De rechtbank zal allereerst in deze zaak beoordelen of verweerder bevoegd was om met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht het verzoek van eiseres om herziening van het besluit van 16 maart 1998 af te wijzen. Vervolgens zal de rechtbank de vraag dienen te beantwoorden of verweerder terecht en op goede gronden heeft gesteld dat eiseres in de vijf jaar na weigering van de WAO-uitkering per 16 maart 1998 niet toegenomen arbeidsongeschikt is geworden.

Het verzoek om terug te komen op het besluit van 16 maart 1998

3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 31 mei 2011, op het standpunt gesteld dat hetgeen door eiseres is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als nieuw feit of veranderde omstandigheid. Volgens verweerder waren de psychische klachten van eiseres ten tijde van het nemen van het besluit van 16 maart 1998 haar reeds bekend en had zij – dan wel haar belangenbehartiger ten tijde van het gerechtelijk onderzoek – binnen de bezwaarperiode aan verweerder kunnen melden dat de psychische situatie van eiseres niet juist was ingeschat.

4. Eiseres is van mening dat de feiten en omstandigheden, zoals opgenomen in het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC) en het rapport van het psychiatrisch-psychologisch onderzoek van november 2009, maken dat de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in 1998 in een nieuw licht komt te staan. Volgens eiseres verklaart de informatie van het PBC waarom eiseres in 1998 niet met verweerder heeft gesproken over haar psychische en psychosociale problemen.

5.1 De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Awb een aanvrager is gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan, ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking.

5.2 Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) – zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 februari 2010 (LJN: BL5449) – dat het terugkomen van besluiten die in rechte onaantastbaar zijn geworden een bevoegdheid is, waarbij de wijze waarop van die bevoegdheid gebruik wordt gemaakt door de rechtbank slechts terughoudend kan worden beoordeeld. Een toetsing ten volle zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan is niettemin geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

6. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat door eiseres geen nieuw gebleken feiten en of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, die verweerder aanleiding hadden moeten geven terug te komen op het besluit van 16 maart 1998. De rechtbank ziet niet in dat eiseres haar psychische klachten dan wel het onderzoek door het PBC niet voorafgaand aan dan wel in een bezwaarschrift tegen het besluit van 16 maart 1998 in het geding had kunnen brengen dan wel had kunnen laten brengen door haar moeder, die ten tijde van de detentie van eiseres haar belangen behartigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij ten tijde van het arbeidskundig en medische onderzoek begin 1998 ten gevolge van haar psychische toestand geen klachten van psychische aard naar voren heeft kunnen brengen.

7. Gelet op het voorgaande was verweerder naar het oordeel van de rechtbank bevoegd om het verzoek van eiseres om terug te komen op het besluit van 16 maart 1998 af te wijzen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Het verzoek om toekenning van een WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid

8. De rechtbank zal thans beoordelen of verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is voor toekenning van een WAO-uitkering in verband met toegenomen klachten binnen vijf jaar na weigering van de WAO-uitkering per 16 maart 1998.

9. Voor deze beoordeling acht de rechtbank de volgende regelgeving met name van belang.

In artikel 43a van de WAO is bepaald, voor zover hier van belang, dat indien degene die aan het einde van de in artikel 19, bedoelde wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, maar geen recht had op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij niet arbeidsongeschikt was, binnen vijf jaar na het bereiken van het einde van die wachttijd arbeidsongeschikt wordt en deze arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waaruit de arbeidsongeschiktheid ter zake waarvan hij ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte of gebreken, toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering steeds plaatsvindt, zodra die arbeidsongeschiktheid onafgebroken vier weken heeft geduurd.

10.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen gegevens zijn waaruit blijkt dat de beperkingen van eiseres door de handklachten in de vijf jaar na maart 1998 zijn toegenomen. Verweerder heeft aan dit standpunt het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 31 mei 2011 ten grondslag gelegd. Eiseres is van mening dat er sprake is van een duurzame psychische aandoening die de belastbaarheid van eiseres voor arbeid in sterke mate beperkt en heeft beperkt. Volgens eiseres blijkt dit uit het rapport van het PBC van augustus 1998 en uit het psychiatrisch-psychologisch onderzoek uit 2009.

10.2 De rechtbank stelt vast dat uit het verzekeringsgeneeskundig rapport van 26 januari 1998 blijkt dat eiseres zich heeft gemeld met polsklachten die een beperking van de handbelasting opleveren. De verzekeringsarts heeft in het Functie Informatie Systeem van 26 januari 1998 geen beperking vastgesteld voor psychische belastende factoren. Uit de toelichting van eiseres blijkt voorts dat er bij het medisch onderzoek ook niet is gesproken over psychische klachten. Volgens eiseres was het haar bewuste keuze destijds om dit niet naar voren te brengen, omdat zij bang was dat haar kinderen bij haar weggehaald zouden worden.

10.3 Verzekeringsarts T. Counts concludeert in zijn rapport van 12 januari 2011 dat uit het verzekeringsgeneeskundig verslag van 1998 blijkt dat vooral CTS (Carpale Tunnel Syndroom) klachten op de voorgrond stonden. Volgens Counts werd een aantal beperkingen op psychisch vlak bij de beoordeling betrokken, hoewel bij het onderzoek geen tekens van psychopathologie werden vastgesteld. Volgens Counts is er geen reden om van de beoordeling in 1998 af te wijken en zijn er geen aanwijzingen dat de klachten binnen vijf jaar na maart 1998 zijn toegenomen. In het kader van de bezwaarprocedure heeft bezwaarverzekeringsarts J. Coehoorn onderzoek verricht en de conclusies van verzekeringsarts Counts bevestigd. Blijkens het rapport van

31 mei 2011 is Coehoorn van mening dat er geen gegevens zijn waaruit blijkt dat de beperkingen door de handklachten in de periode vijf jaar na 1998 zijn toegenomen ten gevolg van dezelfde oorzaak.

10.4 De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het medische onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat blijkens zijn rapport van 12 januari 2011 verzekeringsarts Counts eiseres heeft gezien en dossierstudie heeft verricht. Bezwaarverzekeringsarts Coehoorn, zo blijkt uit het rapport van 31 mei 2011, heeft eveneens dossierstudie verricht en heeft de hoorzitting bijgewoond. Voorts hebben de (bezwaar)verzekeringsartsen de conclusies van de psychiatrische expertise van november 2009 betrokken bij hun onderzoek. De rechtbank heeft voorts geen reden om te twijfelen aan de juistheid van het oordeel van de (bezwaar)verzekeringsarts. Daarbij neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat de onderzoeksmethoden, argumentatie en bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts schriftelijk zijn vastgelegd, dat het onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest en dat de conclusies naar behoren zijn gemotiveerd.

Ten aanzien van het eerste medische onderzoek van februari 1998 oordeelt de rechtbank dat het op de weg van eiseres heeft gelegen om ook psychische klachten aan te kaarten indien daarvan sprake was. Dat eiseres stelt dat in 1995 al was geconstateerd dat zij psychisch niet in orde was en dat de arts daar in 1998 uit zichzelf naar had moeten vragen, maakt dat niet anders. De ziekmelding van eiseres voorafgaande aan de WAO-keuring had enkel betrekking op hand/pols-klachten. De rechtbank concludeert dan ook dat ook dit medisch onderzoek niet als onzorgvuldig of onvolledig kan worden aangemerkt.

10.5 De rechtbank overweegt dat voor de toekenning van een WAO-uitkering op grond van artikel 43a van de WAO is vereist dat de huidige klachten voortkomen uit dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank stelt vast dat bij de beoordeling in 1998 rekening is gehouden met polsklachten en dat uit het rapport van 26 januari 1998 noch uit de Fis van gelijke datum is op te maken dat eiseres beperking is ten gevolge van psychische klachten. Daargelaten of de psychische klachten van eiseres reeds in 1998 bestonden en in welke mate, voor de rechtbank staat vast dat deze klachten niet zijn meegenomen in de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 16 maart 1998. Derhalve kan een claim op basis van toegenomen psychische klachten alleen hierom reeds niet worden gehonoreerd. Voorts heeft eiseres geen medische informatie ingebracht waaruit blijkt dat sprake is van objectiveerbare afwijkingen op basis waarvan toegenomen beperkingen ten aanzien van de pols/handklachten zouden moeten worden aangenomen. Dat eiseres last zou hebben van reuma blijkt niet uit enig gedingstuk. De rechtbank ziet op grond van het vorenstaande dan ook geen reden om te twijfelen aan de bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar nadat de WAO-uitkering is geweigerd. Artikel 43a van de WAO is derhalve niet van toepassing.

11.1. Eiseres doet tevens een beroep op het vertrouwensbeginsel. Zij stelt dat zij niet begrijpt dat in 2010 per brief is toegezegd dat zij een WAO-uitkering zou krijgen. Ook telefonisch is toegezegd “dat het wel goed zou komen”.

11.2. Verweerder erkent dat aan eiseres is meegedeeld dat zij voor 80-100% arbeidsongeschikt werd beschouwd. Deze toezegging is volgens verweerder gedaan op basis van het verzekeringskundig onderzoek van 24 december 2009. Zoals blijkt uit de medische rapportages van 12 januari 2011 en 31 mei 2011 heeft de eerste verzekeringsarts een onjuist standpunt ingenomen. Verweerder is niet aan de mededeling gebonden omdat er geen sprake is van een “gedragsbepalende toezegging”. Verweerder doelt hiermee op het feit dat eiseres zich nog niet naar de mededeling heeft gedragen.

11.3. De rechtbank overweegt dat in vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep inzake het vertrouwensbeginsel (onder meer LJN: BN2453, BC1473 en BH4809) tot uitdrukking is gebracht dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarin toepassing van wettelijke voorschriften van dwingendrechtelijke aard in strijd kan komen met het ongeschreven recht. Tot deze bijzondere omstandigheden kan behoren het geval waarin het bevoegd gezag ten aanzien van een belanghebbende uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd (onjuiste) inlichtingen heeft verschaft die gerechtvaardigde en gedragsbepalende verwachtingen hebben gewekt.

11.4. De rechtbank is van oordeel dat in de schriftelijke mededeling aan eiseres van

21 juni 2010 de tekst weliswaar uitdrukkelijk en ondubbelzinnig is geweest, doch niet ongeclausuleerd. In de brief staat dat bezwaar kan worden gemaakt zodra die brief officieel is bevestigd. Dit betekent dat het standpunt in de brief nog niet definitief is. Voorts is de informatie in de brief voor eiseres niet gedragsbepalend geweest, zodat de rechtbank het standpunt van verweerder onderschrijft. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval geen sprake, zodat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.

12. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat het beroep tevergeefs is ingesteld. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Liefting-Voogd, rechter, in aanwezigheid van

O. Bergmans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2012.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.