Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW3989

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
14.811005-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

14-jarige jongen wordt veroordeeld tot een gedeeltelijk voorwaardelijke jeugddetentie van 210 dagen voor een tweetal gewapende overvallen op een buschauffeur alsmede de diefstal van een scooter.

De eerste keer was er een mededader bij betrokken en werd gedreigd met een (nep)vuurwapen. De tweede keer bedreigde de jongen de buschauffer met een mes.

Aan de jeugdige dader, die een blanco strafblad heeft, wordt daarnaast verplicht contact met de jeugdreclassering opgelegd en ten slotte de gedragsbeínvloedende maatregel voor de duur van 12 maanden.

Ten slotte is een gedeelte van de vorderingen van diverse benadeelde partijen, deels hoofdelijk, toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.811005-12 (P)

Datum uitspraak: 25 april 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor kinderstrafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in de RIJ De Heuvelrug, loc. Eikenstein te Zeist.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

11 april 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte, mr. L.J.P. Mentink, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 27 oktober 2011 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met ongeveer 300 euro) en/of een portemonnee (met een rijbewijs en/of een connixxionpas en/of een vervoersbewijs en/of een bankpas) en/of een of meerdere (blanco) vervoersbewij(s)(zen), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of Connexxion, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (met ongeveer 300 euro) en/of een portemonnee (met een rijbewijs en/of een connixxionpas en/of een vervoersbewijs en/of een bankpas) en/of een of meerdere (blanco) vervoersbewij(s)(zen), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of Connexxion, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader tegen die [slachtoffer 1] zei "Je geld nu alles" en/of dat verdachte en/of zijn mededader, in het zicht van die [slachtoffer 1], een (nep)vuurwapen pakte en deze doorlaadde;

2.

hij op of omstreeks 17 december 2011 te Middenmeer, gemeente Wieringermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met ongeveer 200 euro en/of (blanco) buskaartje(s)), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of Connexxion, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (met ongeveer 200 euro en/of (blanco) buskaartje(s)), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of Connexxion, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte een (scherp) mes toonde en/of tegen die [slachtoffer 2] zei "Overval, geld";

3.

hij op of omstreeks 02 november 2011 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Yamaha Aerox), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Bewezenverklaring en bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De verdachte heeft de feiten bekend. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

De rechtbank acht op basis van:

- de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv, afgelegd op de terechtzitting van 11 april 2012;

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van de politie Noord-Holland Noord,

nummer PL10RR 2011126060-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] (map onderzoek 10Xanne p. 227 e.v.);

- p. 124-126 van het ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte, [medeverdachte], van de politie Noord-Holland Noord, nummer 20120110.VE.SCHIS94.001, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (map onderzoek 10Xanne p. 111 e.v.);

- p. 148 van het ambtsedig proces-verbaal van verhoor verdachte, [medeverdachte], van de politie Noord-Holland Noord, nummer 20120110.VE.SCHIS94.003, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3] (map onderzoek 10Xanne p. 147 e.v.);

wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij op 27 oktober 2011 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (met ongeveer 200 euro) en een portemonnee (met een rijbewijs en een Connexxionpas en een vervoersbewijs en een bankpas) en blanco vervoersbewijzen, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of Connexxion, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte tegen die [slachtoffer 1] zei "Je geld nu alles" en dat zijn mededader, in het zicht van die [slachtoffer 1], een (nep)vuurwapen pakte en deze doorlaadde;

De rechtbank acht op basis van:

- de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv, afgelegd op de terechtzitting van 11 april 2012;

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van de politie Noord-Holland Noord,

nummer PL10RR 2011147306-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] (map onderzoek 10Xanne p. 305 e.v.);

wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij op 17 december 2011 te Middenmeer, gemeente Wieringermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee en blanco buskaartjes, toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of Connexxion,

welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte een scherp mes toonde en tegen die [slachtoffer 2] zei "Overval, geld";

Partiële vrijspraak

De rechtbank is zowel ten aanzien van feit 1 als feit 2 van oordeel dat de gedragingen van verdachte als "wegnemen" in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (en niet als "afnemen" in de zin van artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht) dienen te worden gekwalificeerd. Dit betekent dat verdachte van zowel het onder 1 tweede alternatief/cumulatief als het onder 2 tweede alternatief/cumulatief zal worden vrijgesproken.

De rechtbank acht op basis van:

- de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv, afgelegd op de terechtzitting van 11 april 2012;

- het ambtsedig proces-verbaal van aangifte van de politie Noord-Holland Noord,

nummer PL10FR 2011128401-1, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 5] (proces-verbaal registratienummer PL10SW 201003955 p. 10-12);

wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

hij op 2 november 2011 te Wieringerwerf, gemeente Wieringermeer, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bromfiets (merk Yamaha Aerox) toebehorende aan [slachtoffer 3], waarbij hij het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel.

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld door bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld door bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

6. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

7. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een jeugddetentie van 8 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering dient te houden. Daarnaast heeft de officier van justitie oplegging van een gedragsbeïnvloedende maatregel (GBM) geëist voor de duur van één jaar, zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming, subsidiair 12 maanden vervangende jeugddetentie.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De verdachte en de raadsvrouw hebben aangegeven dat zij het eens zijn met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming om een gedragsbeïnvloedende maatregel op te leggen. De raadsvrouw refereert zich ten aanzien van het opleggen van de maatregel aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van een onvoorwaardelijke jeugddetentie heeft de raadsvrouw bepleit deze maximaal gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis te laten zijn.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

De verdachte heeft zich in een kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan twee gewelddadige overvallen op (beide keren) een buschauffeur. De eerste keer was verdachte samen met een ander en werd de buschauffeur bedreigd met een (nep)vuurwapen. Anderhalve maand daarna heeft verdachte nogmaals een buschauffeur beroofd, dit maal alleen. De verdachte heeft hierbij een mes getoond om de buschauffeur angst aan te jagen en zo de beroving gemakkelijk te maken.

Buschauffeurs bevinden zich tijdens hun werk in een kwetsbare positie: zij zitten achter het stuur in een kleine ruimte en kunnen letterlijk geen kant op wanneer zij zich geconfronteerd zien met agressie. De verdachte heeft hier op ernstige wijze misbruik van gemaakt. De ervaring leert dat de slachtoffers van gewapende overvallen hier heel lang last van kunnen blijven houden, in de zin dat het hun leven daadwerkelijk verandert. In dit geval weegt dit nog zwaarder, omdat beide slachtoffers tijdens hun werk werden overvallen, zodat voor de hand ligt dat als zij weer aan het werk zijn, zij aan de overval herinnerd zullen worden. Een van de slachtoffers heeft een schriftelijke slachtofferverklaring opgesteld waarin dit ook heel duidelijk naar voren komt.

Daarnaast heeft verdachte een scooter gestolen uit de fietsenstalling van een school.

De rechtbank stelt ten aanzien van de strafmaat voorop dat het een 14-jarige verdachte betreft, die volgens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 maart 2012 niet eerder is veroordeeld. Dit heeft tot gevolg dat er ongeacht de ernst van de feiten een strafmaximum geldt van 12 maanden jeugddetentie en dat het pedagogisch karakter van straf en maatregel zwaar meewegen bij de strafbepaling.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank verder in het bijzonder gelet op:

- het over de verdachte uitgebrachte rapport raadsonderzoek strafzaken, gedateerd 3

april 2012, van P. Tesselaar, als raadsonderzoekster verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland en de daarvan onderdeel uitmakende bijlagen ‘Psychodiagnostisch onderzoek’ opgemaakt door drs. B. Ruijssenaars (GZ-Psycholoog) en drs. J. Koeman (Orthopedagoog), beiden verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming, en het advies ‘onderzoek GBM’, gedateerd 29 maart 2012 van T. Dieleman, als jeugdreclasseringswerker verbonden aan Bureau Jeugdzorg Noord-Holland.

Blijkens het psychodiagnostisch onderzoek dat bij verdachte is verricht, is de persoonlijkheids- en morele ontwikkeling van verdachte zorgelijk verlopen en zou een gedragsbeïnvloedende maatregel een geschikt kader zijn om de benodigde behandeling vorm te kunnen geven. De jeugdreclassering heeft op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) onderzoek gedaan naar de mogelijkheden daartoe en heeft geconcludeerd dat oplegging van een GBM mogelijk is. De jeugdreclassering wil op basis van het persoonlijkheidsonderzoek en het systeemonderzoek inzetten op de volgende modules:

- behandeling bij de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) van de GGZ Noord-Holland, zowel individueel als systeemgericht;

- intensieve trajectbegeleiding harde kern jongeren (ITBHK);

- dagbesteding in de vorm van school.

De Raad heeft zich hiermee verenigd en voegt daaraan toe dat ook van belang is dat de verdachte inzicht en begeleiding krijgt in zijn middelengebruik, waarin de Brijder Verslavingszorg mogelijk een rol kan spelen. De Raad is van mening dat een gedragsbeïnvloedende maatregel de voorkeur verdient boven een voorwaardelijk strafdeel met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van het zich houden aan de aanwijzingen, te geven door of namens Bureau Jeugdzorg. Gelet op de recidivekans en de problematiek is een langdurig en intensief behandel- en begeleidingstraject essentieel om tot verandering te komen. De rechtbank neemt de bovengenoemde adviezen over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan misdrijven die gezien de ernst daarvan een maatregel betreffende het gedrag rechtvaardigt. De kans op recidive is zonder adequate begeleiding en behandeling groot. De gedragsdeskundige adviseert om aan verdachte een maatregel betreffende het gedrag op te leggen. Ook de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg hebben geadviseerd om deze maatregel op te leggen. Ten slotte hebben verdachte en zijn ouders zich ter terechtzitting positief uitgelaten over de maatregel zoals deze nu wordt geadviseerd.

De rechtbank acht, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige passend en geboden, nu de ernst van de begane misdrijven hiertoe aanleiding geeft en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. Gelet op de tijd die gemoeid zal zijn met het realiseren van de modules zal de maatregel overeenkomstig het advies worden opgelegd voor de duur van 12 maanden. Indien de verdachte niet of niet naar behoren meewerkt aan de maatregel, acht de rechtbank een vervangende jeugddetentie passend en geboden, maar anders dan door de officier van justitie gevorderd zal de rechtbank de duur daarvan beperken tot zes maanden, nu dit - mede gelet op de motivatie van de verdachte en zijn ouders - naar het oordeel van de rechtbank voldoende mogelijkheden biedt tot het effectueren van de maatregel.

Daarnaast zal de rechtbank een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen te geven door of namens Bureau Jeugdzorg, zodat de jeugdreclassering ook na afloop van de maatregel de mogelijkheid heeft om – indien nodig – verdachte gedurende de proeftijd verder te begeleiden. De rechtbank komt alles afwegende tot een enigszins lagere straf dan door de officier van justitie geëist. Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat het van groot belang is dat de verdachte, en ook zijn familie, zo spoedig mogelijk kunnen beginnen met de uitvoering van de gedragsbeïnvloedende maatregel.

8. Vordering van de benadeelde partijen

8.1 De advocaat mr. F. Boor heeft als gemachtigde namens de benadeelde partij, Connexxion Openbaar Vervoer N.V. (hierna ook te noemen: Connexxion), vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 5.373,96 aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het schadeveroorzakende feit. Voorafgaand aan de terechtzitting heeft mr. Boor een overzicht aan de procesdeelnemers overgelegd, waarin voornoemd schadebedrag is uitgesplitst naar feit 1 en feit 2.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich in zoverre leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbare feiten, door de handelingen van de verdachte - ook al is bij feit 1 een andere dader betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal hierna de door Connexxion opgevoerde schadeposten afzonderlijk beoordelen.

Ten aanzien van feit 1:

Zonder een nadere bewijslevering die een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, acht de rechtbank het ter zake de schade aan inhoud portemonnee gevorderde niet toewijsbaar. De rechtbank acht thans onvoldoende onderbouwd wat de waarde is van de blanco vervoersbewijzen en wie de daarmee samenhangende schade mogelijk heeft geleden.

Uit de aangiften van de chauffeurs, in samenhang met de toelichting op de vordering door Connexxion, lijkt immers te volgen dat door de chauffeurs de schade wordt geleden wegens diefstal van de in consignatie ontvangen goederen, zij het dat die schade door Connexxion wordt vergoed. Daargelaten deze vraag naar de rechtstreeks in het belang getroffene is echter op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet voldoende komen vast te staan dat daadwerkelijk schade is, of zal worden geleden door Connexxion als gevolg van het in de handel komen van bruikbare vervoersbewijzen.

De rechtbank zal dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat een nadere bewijslevering daarover een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

De posten Inzet Calamiteitendienst, Inzet MER en inzet rayonpersoneel en medische keuring acht de rechtbank voldoende onderbouwd en toewijsbaar.

De posten kosten bedrijfsmaatschappelijk werk en chauffeur vrijmaken gesprek OvJ acht de rechtbank voldoende onderbouwd en toewijsbaar, mede omdat deze niet zijn betwist.

De gevorderde vergoeding voor de attentie van Connexxion voor gedupeerde reizigers levert geen schade op die het rechtstreekse gevolg is van het strafbare feit. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.

De rechtbank zal zodoende het deel van de vordering dat betrekking heeft op feit 1 toewijzen tot een bedrag van € 770,84. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2011. De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, om voornoemde redenen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededader aan de benadeelde partij is voldaan.

Ten aanzien van feit 2:

Zonder een nadere bewijslevering die een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, acht de rechtbank het ter zake de schade aan inhoud portemonnee gevorderde niet toewijsbaar. De rechtbank acht thans onvoldoende onderbouwd wat de waarde is van de blanco vervoersbewijzen en wie de daarmee de daarmee samenhangende schade mogelijk heeft geleden.

Uit de aangiften van de chauffeurs, in samenhang met de toelichting op de vordering door Connexxion, lijkt immers te volgen dat door de chauffeurs de schade wordt geleden wegens diefstal van de in consignatie ontvangen goederen, zij het dat die schade door Connexxion wordt vergoed. Daargelaten deze vraag naar de rechtstreeks in het belang getroffene is echter op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet voldoende komen vast te staan dat daadwerkelijk schade is, of zal worden geleden door Connexxion als gevolg van het in de handel komen van bruikbare vervoersbewijzen.

De posten Inzet Calamiteitendienst en inzet rayonpersoneel acht de rechtbank voldoende onderbouwd en toewijsbaar.

De post opvangdienst t.b.v. chauffeur acht de rechtbank eveneens voldoende onderbouwd en toewijsbaar. De post verzuim van chauffeur kan echter niet worden toegewezen. Nu de daar tegenover staande opvangdienst t.b.v. chauffeur wordt toegewezen, kan deze post niet tevens worden toegewezen. Connexxion zou, naar het zich laat aanzien, ook zonder het strafbare feit de kosten van genoemde chauffeursdiensten (16 uur) hebben moeten maken. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.

De gevorderde vergoeding voor de attentie van Connexxion voor gedupeerde reizigers levert geen schade op die het rechtstreekse gevolg is van het strafbare feit. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in dit deel van de vordering.

De rechtbank zal zodoende het deel van de vordering dat betrekking heeft op feit 2 toewijzen tot een bedrag van € 459,61. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 december 2011. De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, om voornoemde redenen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

8.2 De benadeelde partij [slachtoffer 2], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 600,00 wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 2. bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2011.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

8.3 De benadeelde partij [slachtoffer 3], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 855,16 wegens materiële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal hierna de door het slachtoffer opgevoerde schadeposten afzonderlijk beoordelen.

De door het slachtoffer gemaakte reparatiekosten en reiskosten zijn voldoende onderbouwd en toewijsbaar.

De gevorderde vergoeding voor het regenpak en de handschoenen levert – zonder nadere onderbouwing – geen schade op die het rechtstreekse gevolg is van het strafbare feit.

De gevorderde vergoeding voor het 1 dag niet kunnen werken acht de rechtbank thans eveneens onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal deze delen van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, omdat een nadere bewijslevering daarover een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

De rechtbank zal zodoende de vordering toewijzen tot een bedrag van € 818,40. Dit bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2011. De rechtbank zal het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, om voornoemde redenen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

9. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelden. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77i, 77w, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

De rechtbank:

o Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

o Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

o Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

o Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

o Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een jeugddetentie voor de tijd van 210 dagen.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 103 dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, de afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

o Legt voorts op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van twaalf (12) maanden, inhoudende dat veroordeelde zal meewerken aan:

- (ambulante) behandeling bij de FPA van GGZ Noord-Holland, of een andere soortgelijke instelling;

- Intensieve Traject Begeleiding – Harde Kern (ITB-HK);

- dagbesteding (school).

Beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel zal hebben meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 6 (zes) maanden.

o Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 600,00 (zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2011, als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] te betalen een som geld ten bedrage van € 600,00 (zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2011, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 12 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

o Wijst toe de vordering van de benadeelde partij Connexxion Openbaar Vervoer N.V. tot de hierna te noemen bedragen.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 770,84 (zevenhonderdzeventig euro en vierentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2011, als schadevergoeding.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover dit verschuldigde bedrag reeds door de mededader is voldaan.

Veroordeelt de verdachte voorts tot het betalen van een bedrag van € 459,61 (vierhonderdnegenenvijftig euro en eenenzestig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2011, als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Connexxion Openbaar Vervoer N.V. te betalen:

- een som geld ten bedrage van € 770,84 (zevenhonderdzeventig euro en vierentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2011, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 8 dagen.

- een som geld ten bedrage van € 459,61 (vierhonderdnegenenvijftig euro en eenenzestig cent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2011, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 9 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

o Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot de hierna te noemen bedragen.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 818,40 (achthonderdachttien euro en veertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2011, als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] te betalen een som geld ten bedrage van € 818,40 (achthonderdachttien euro en veertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 november 2011, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 16 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

o Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. H.E.C. de Wit en mr. W.C. Oosterbroek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schouten, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 april 2012.

Mr. De Wit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.