Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW3267

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
14.906435-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

OM niet-ontvankelijk wegens een combinatie van een buitensporige schending van de redelijke termijn en een ernstige scheniding van de beginselen van een goede procesorde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2012/171

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.906435-07 (P)

Datum uitspraak: 17 april 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige economische strafkamer, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonend [adres en woonplaats].

1. Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 april 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen door de officier van justitie, en door verdachte en haar raadsman, mr. J.C. Hesen, advocaat te Utrecht naar voren is gebracht.

2. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De verdenking

Verdachte is ten laste gelegd - kort gezegd - het medeplegen van een aantal opzettelijke overtredingen van de Diergeneesmiddelenwet, begaan in de periode van 19 oktober 2006 tot en met 2 oktober 2007.

Verweer

De raadsman heeft ter terechtzitting allereerst een verweer gevoerd, strekkend tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Het verweer is gebaseerd op een combinatie van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen de vervolging van een strafbaar feit dient te zijn afgerond, en een aantal processuele onzorgvuldigheden aan de zijde van het openbaar ministerie. De raadsman heeft in zijn pleidooi ter onderbouwing van zijn standpunt een chronologische opsomming gegeven van de procedurele gang van zaken.

Beoordeling van het verweer: schending van de redelijke termijn

De vervolging van verdachte heeft een aanvang genomen op 2 oktober 2007. Op die dag is een doorzoeking geweest in een pand aan [adres] in Schagerbrug waarin verdachte en haar partner op dat moment een entrainement voor drafpaarden hadden. Verdachte is vervolgens in oktober 2007 driemaal verhoord.

Na verder onderzoek is het relaas proces-verbaal afgesloten op 8 mei 2008.

Op 26 augustus 2010 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Daar heeft de raadsman verzocht één getuige-deskundige te doen horen door de rechter-commissaris. De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft uiteindelijk plaatsgevonden tijdens de terechtzitting van 3 april 2012.

Gelet op het voorgaande is de redelijke termijn waarbinnen de berechting had dienen plaats te vinden dus overschreden met ruim dertig maanden.

Beoordeling van het verweer: opeenstapeling van onzorgvuldigheden

De raadsman heeft feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat de vervolging van verdachte door het openbaar ministerie niet met de vereiste voortvarendheid is geschied. De rechtbank vat deze als volgt samen.

De raadsman heeft in 2008 diverse malen contact opgenomen met het parket teneinde uitsluitsel te krijgen over de status van de vervolging dan wel van het dossier. Het parket berichtte hem in 2008: “De zaak staat op dagvaarden.”

Op 11 december 2008 heeft de raadsman het parket schriftelijk verzocht hem uitsluitsel te geven over de status van het dossier. Het parket heeft hem op 15 december 2008 schriftelijk meegedeeld dat de zaak op dat moment werd beoordeeld en dat de verwachting was dat die beoordeling voor het einde van dat jaar gereed zou zijn.

In een brief van het parket aan verdachte, gedateerd 4 juni 2009, werd meegedeeld dat de officier van justitie voornemens was haar binnen afzienbare termijn een dagvaarding te sturen. Hierbij werd een concept van de tenlastelegging gevoegd.

In een brief van 19 november 2009 deelt de officier van justitie de raadsman mee voornemens te zijn de zaak van verdachte voor te leggen aan de strafrechter en verdachte te dagvaarden voor de zitting op 28 april 2010. Kort voor 28 april 2010 deelt een medewerker van het Functioneel Parket de raadsman echter mee dat de zitting geen doorgang zou vinden, zonder dat daarvoor een duidelijke reden werd aangegeven.

Verdachte is in juni 2010 geïnformeerd dat de zitting zou plaatsvinden op 26 augustus 2010. Pas kort voor deze zitting werd bekend dat dit een regiezitting betrof.

De inhoudelijke behandeling van de zaak heeft uiteindelijk op 3 april 2012 plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie op de terechtzitting de door de raadsman geschetste gang van zaken niet heeft weersproken.

Conclusie van de rechtbank

De voorgaande feiten en omstandigheden leiden tot het oordeel dat niet alleen sprake is van een buitensporige schending van de redelijke termijn, maar tevens van een ernstige schending van jegens de verdachte in acht te nemen beginselen van een goede procesorde doordat van de zijde van het openbaar ministerie meermalen toezeggingen aan verdachte zijn gedaan c.q. verwachtingen bij haar zijn gewekt omtrent de termijn waarop haar zaak inhoudelijk zou worden berecht, zonder dat die toezeggingen gestand werden gedaan respectievelijk die verwachtingen werden gehonoreerd. De combinatie van deze factoren leidt ertoe dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte.

3. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C. Haverkate, voorzitter,

mr. L.J. Saarloos en mr. G.D.M. Hoedemaker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Huisman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 april 2012.

Mr. Hoedemaker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.