Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW2468

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
14.811001-12 + 14.701060-11 (tul) + 14.700509-11 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van openlijke geweldpleging. Bewezenverklaring van diefstal van een fiets. Ondanks de vrijspraak van de openlijke geweldpleging legt de rechtbank een GBM op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.811001-12 + 14.701060-11 (tul) + 14.700509-11 (tul) (P)

Datum uitspraak: 6 april 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van de verdachte, mr. R. Polderman, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 01 januari 2012 in de gemeente Heerhugowaard met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Middenweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], welk geweld bestond uit het een of meerdere malen slaan en/of stompen op/tegen het hoofd en/of in/tegen het gezicht van die [slachtoffer 1] waardoor deze ten val kwam en/of het een of meerdere malen slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen op/tegen het hoofd en/of op/tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] terwijl deze op de grond lag;

2.

hij op of omstreeks 01 januari 2012 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets (Gazelle) en/of een portemonnee (met inhoud) en/of een paspoort en/of Iphone en/of een of meerdere sleutel(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

4.1 Inleiding

De verdachte wordt verweten dat hij zich op 1 januari 2012 schuldig heeft gemaakt aan het openlijk en in vereniging plegen van geweld tegen [slachtoffer 1]. Voorts wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij na deze openlijke geweldpleging de fiets van de vriendin van [slachtoffer 1] heeft weggenomen.

4.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

4.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat niet is komen vast te staan dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de openlijke geweldpleging, omdat niet kan worden bewezen dat hij zelf geweldshandelingen heeft verricht.

Voorts is de raadsman van mening dat het onder 2 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

4.4 Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Ten aanzien van feit 1 (vrijspraakoverweging):

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zelf geweld heeft toepast op [slachtoffer 1]. De verdachte heeft verklaard dat zijn medeverdachte [medeverdachte 1] het slachtoffer een klap gaf, waarna de medeverdachte [medeverdachte 2] eveneens naar het slachtoffer toeliep. Deze verklaring wordt door [medeverdachte 1] bevestigd. Ook [medeverdachte 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op het slachtoffer zijn afgegaan. Hoewel de vriendin van het slachtoffer heeft verklaard dat zij zag dat haar vriend door een jongen werd geslagen en dat vervolgens twee andere jongens naar haar vriend toeliepen, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs voorhanden dat de verdachte één van deze jongens is geweest die naar het slachtoffer is toegegaan.

Nu verder ook niet is komen vast te staan dat de verdachte op enigerlei andere wijze een wezenlijke en significante bijdrage aan het geweld heeft geleverd, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2:

Op grond van:

- de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, Sv, ter terechtzitting van 23 maart 2012 afgelegd;

- het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2], d.d. 1 januari 2012 (dossierpagina 128);

heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte op 1 januari 2012 te Heerhugowaard heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan [slachtoffer 3], met in de fietstas van deze fiets de handtas van [slachtoffer 2] met daarin haar portemonnee (met inhoud), haar paspoort en haar Iphone.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2.

hij op 1 januari 2012 in de gemeente Heerhugowaard, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een fiets (Gazelle) en een portemonnee (met inhoud) en een paspoort en Iphone, toebehorende aan [slachtoffer 2] of [slachtoffer 3].

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal.

7. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

8.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling jeugdreclassering en met de oplegging van de maatregel hulp en steun. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om een Gedragsbeïnvloedende Maatregel (GBM) voor de duur van één jaar op te leggen, subsidiair zes maanden vervangende jeugddetentie.

8.2 Standpunt van de verdediging

Gelet op de door hem bepleite vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde is de raadsman van mening dat de oplegging van een GBM disproportioneel is. Derhalve verzoekt de raadsman de voorwaarden die worden geadviseerd bij de GBM te koppelen aan een voorwaardelijke jeugddetentie. Daarnaast acht de raadsman een onvoorwaardelijke jeugddetentie die gelijk is aan de duur die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend.

8.3 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede op grond van de persoon van de verdachte zoals dit is gebleken uit het onderzoek op de terechtzitting en het Uittreksel Justitieel Documentatieregister, gedateerd 27 februari 2012. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de over de verdachte uitgebrachte rapportages te weten het rapport, gedateerd 22 maart 2012, opgesteld door P.J. Kempenaar, als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming en het adviesrapport, gedateerd 23 maart 2012, opgesteld door G. Meerstad, als jeugdreclasseerder werkzaam bij Bureau Jeugdzorg.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van een fiets en de goederen die in de fietstas van deze fiets zaten. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij deze fiets heeft gestolen van een meisje die haar fiets onafgesloten had achter gelaten om haar vriend te hulp te schieten die op dat moment door vrienden van de verdachte werd geslagen en geschopt.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming blijkt dat bij de verdachte al langere tijd sprake is van gedragsproblemen en dat hij meerdere malen fysiek agressief gedrag heeft vertoond. In 2011 is de verdachte onder toezicht van Bureau Jeugdzorg gesteld en heeft hij enkele maanden in Triversum verbleven. Daar is bij de verdachte een oppositioneel-opstandige gedragsstoornis gediagnosticeerd. Sinds half december 2011 verblijft de verdachte weer thuis. Door de Multi Dimensionele Familie Therapie (MDFT) wordt er nu duidelijk gecommuniceerd binnen het gezin, werken ouders beter samen en proberen zij dezelfde aanpak te hanteren. Ook is positief dat de verdachte sinds een paar weken drie dagen per week werkt en dat hij zijn diploma AKA niveau 1 heeft gehaald. Van belang is dat deze positieve ontwikkeling wordt voorgezet.

Net als uit het Risico Taxatie Instrument, welke de jeugdreclassering hanteert, komt ook uit de pre-screen, welke de Raad hanteert, naar voren dat de kans op recidive als hoog wordt ingeschat. Er zijn veel zorgen en duidelijk is dat de verdachte gebaat is bij veel toezicht, begeleiding en structuur van buitenaf. Dit betekent dat begeleiding in een strak en duidelijk kader geboden moet worden.

Binnen het kader van het Raadsonderzoek heeft een onderzoek plaatsgevonden naar de persoon van de verdachte door drs. S. Navon-Hage en drs. B.G.P. Ruijssenaars, beiden GZ-psycholoog. Zij komen tot de conclusie dat een GBM is geïndiceerd voor in beginsel een termijn van één jaar. Daarbij wordt als invulling van de GBM gedacht aan de Intensieve Traject begeleiding Harde Kern (ITB-HK), de MDFT en een behandeling bij de Divisie Forensische Psychiatrie (DFP).

De Raad adviseert dan ook om de verdachte een GBM voor de duur van één jaar op te leggen. Binnen het kader van de GBM acht de Raad het noodzakelijk dat de MDFT wordt voortgezet.

Verder is er bij de verdachte ODD gediagnosticeerd. De Raad vindt daarom dat hier hulpverlening moet worden ingezet vanuit de DFP van de GGZ Noord-Holland Noord. Aangezien zij ook een langere periode behandeling kunnen bieden dan het MDFT traject van ongeveer zes maanden, kunnen zij ook een onderdeel zijn van de nazorg. Hierbij kunnen doelen worden opgepakt die vanuit de MDFT onvoldoende behaald zijn.

Verder is ondersteuning in het dagelijks leven van de verdachte bij zijn middelengebruik, vriendenkeuze, dagbesteding en toekomstperspectief belangrijk. Gezien het feit dat de verdachte nu goed gedijt onder de voorwaarden gekoppeld aan de schorsing van de voorlopige hechtenis, vindt de Raad het passend dat soortgelijke voorwaarden opnieuw gesteld kunnen worden indien er signalen zijn dat deze nodig zijn. Dit kan middels de ITB-HK van de jeugdreclassering. Dit ITB-HK traject zal in een aangepaste vorm aangeboden worden, waarbij niet wordt begonnen met een maand huisarrest. Wel zal het de verdachte duidelijk gemaakt worden dat dit (deels) ingezet kan worden als er signalen zijn dat dit noodzakelijk is. Het ITB-HK traject zal door de jeugdreclassering afgestemd worden met de andere hulpverleners. Zo kan er ook een verbod op middelen ingesteld worden, met eventuele urinecontroles door het MDFT. De Raad vindt ook passend dat dit zal gebeuren, zodat er duidelijkheid komt over het middelengebruik van de verdachte en dat er gekeken kan worden hoe hij handelt en zich gedraagt zonder deze middelen.

Bovengenoemd advies wordt ook door Bureau Jeugdzorg ondersteund. Verder blijkt uit het rapport van de Raad dat zowel de verdachte als zijn ouders positief staan ten opzichte van een GBM. De externe stok achter de deur van jeugddetentie kan maken dat de verdachte en zijn ouders de positieve verandering in stand kunnen houden en dat zij deze verder kunnen uitbouwen. Nu de verdachte heeft vastgezeten, langer dan hij eerder gedetineerd was, is hij erg van de gevolgen geschrokken en wil hij niet naar detentie terug.

Ten aanzien van de geadviseerde GBM oordeelt de rechtbank als volgt. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gezien de ernst daarvan – gelet op omstandigheden waaronder de verdachte het feit heeft gepleegd – een maatregel betreffende het gedrag rechtvaardigt. De kans op recidive wordt zowel door de Raad als door de Jeugdreclassering als hoog ingeschat. De gedragsdeskundigen drs. S. Navon-Hage en drs. B.G.P. Ruijssenaars adviseren om aan de verdachte de maatregel betreffende het gedrag op te leggen. Ook de Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg hebben geadviseerd om deze maatregel op te leggen, in welk advies zij op de terechtzitting hebben gepersisteerd. De verdachte en zijn ouders hebben zich ter zitting positief uitgelaten over de maatregel zoals deze nu wordt geadviseerd.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, de oplegging van de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige passend en geboden, nu de ernst van het misdrijf hiertoe aanleiding geeft en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Gelet op de rapportages en de verklaringen van de getuigen ter zitting zal de maatregel worden opgelegd voor de duur van één jaar. Indien de verdachte niet of niet naar behoren meewerkt aan de maatregel, acht de rechtbank een vervangende jeugddetentie passend en geboden voor de duur van één maand. Gelet op de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, komt de rechtbank tot de oplegging van een vervangende jeugddetentie van kortere duur dan door de officier van justitie is geëist.

Verder blijkt uit het rapport van de Raad en Bureau Jeugdzorg dat begeleiding door Bureau Jeugdzorg afdeling jeugdreclassering wordt geadviseerd in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf. Gelet op de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde alsmede de aard en de ernst van het bewezen verklaarde acht de rechtbank, naast de oplegging van een GBM, de oplegging van een (gedeeltelijke) voorwaardelijke jeugddetentie niet passend. Nu de rechtbank de begeleiding door Bureau Jeugdzorg wel wenselijk acht, zal de rechtbank deze voorwaarde koppelen aan de proeftijd van een eerder voorwaardelijke opgelegde straf, waarvan de rechtbank de proeftijd – zoals hieronder onder punt 11.3 zal blijken– zal verlengen.

9. Vordering van de benadeelde partijen

[Slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.500,- wegens immateriële schade die de verdachte met zijn mededaders aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

[Slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van tussen de € 50,- en € 100,- wegens materiële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

[Slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 121,95 wegens materiële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

9.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle drie de vorderingen kunnen worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering omdat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.3 Oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vorderingen van de benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich lenen voor behandeling in deze strafzaak.

[Slachtoffer 1]

Nu niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, kan de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

[Slachtoffer 2]

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 50,- kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij zal de rechtbank afwijzen.

[Slachtoffer 3]

Nu voorts is komen vast te staan dat ook de benadeelde partij [slachtoffer 3] als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelden. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

11. Vordering tot tenuitvoerlegging

11.1 Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van parketnummer 14.701060-11:

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van Kinderrechter van deze rechtbank van 20 september 2011 in de zaak met parketnummer 14.7010060-11 aan de verdachte opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Ten aanzien van parketnummer 14.700509-11:

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van Kinderrechter van deze rechtbank van 20 juni 2011 in de zaak met parketnummer 14.700509-11 aan de verdachte opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

11.2 Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 14.701060-11:

De raadsman heeft opgemerkt dat de verdachte bereid is deze openstaande werkstraf te voldoen.

Ten aanzien van parketnummer 14.700509-11:

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de officier van justitie moet worden afgewezen. Deze voorwaardelijke straf is opgelegd voor een overtreding van de Leerplichtwet. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het momenteel goed gaat met de verdachte op school. Derhalve acht de raadsman het niet passend dat deze voorwaardelijke straf nu ten uitvoer wordt gelegd.

11.3 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vorderingen te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

Ten aanzien van parketnummer 14.701060-11:

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 12 oktober 2011 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 5 oktober 2011 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Daarom behoort in beginsel de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf te worden gelast.

De rechtbank vindt echter in de persoon van de verdachte en het karakter van het thans bewezen verklaarde aanleiding om de proeftijd te verlengen. Zoals de rechtbank hierboven onder punt 9.3 heeft overwogen, acht de rechtbank het van belang dat de verdachte wordt begeleid door de afdeling jeugdreclassering van Bureau Jeugdzorg. Derhalve zal de rechtbank de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf verlengen onder wijziging van de voorwaarden, en wel aldus dat als bijzondere voorwaarde aan deze proeftijd zal worden toegevoegd dat de verdachte zich dient te houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling jeugdreclassering, met oplegging van de maatregel hulp en steun.

Ten aanzien van parketnummer 14.700509-11:

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 31 augustus 2011 aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 5 juli 2011 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat de verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

Daarom behoort in beginsel de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer

gelegde straf te worden gelast.

De rechtbank acht gelet op het karakter van het thans bewezen verklaarde, de persoon van de verdachte en de op te leggen maatregel betreffende het gedrag, de toewijzing van de vordering van de officier van justitie echter niet opportuun. De rechtbank zal de vordering derhalve afwijzen.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77w, 77wc, 77aa en 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

13. Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

• Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

• Legt op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 1 (één) jaar, bestaande uit:

- de Multi Dimensionele Familie Therapie (MDFT) van de Brijder;

- een behandeling bij de Divisie Forensische Psychiatrie (DFP) van de GGZ Noord-Holland Noord;

- de Intensieve Trajectbegeleiding - Harde Kern (ITB-HK) door Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering;

- een fulltime dagbesteding.

Beveelt, voor het geval de veroordeelde niet naar behoren aan de tenuitvoerlegging van de maatregel zal hebben meegewerkt, dat de maatregel zal worden vervangen door jeugddetentie voor de duur van 1 (één) maand.

• Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk in de vordering.

• Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 50,- (vijftig euro) als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Wijst de vordering voor het overige af.

• Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] te betalen een som geld ten bedrage van € 50,- (vijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 1 (één) dag.

Bepaalt dat betalingen door de verdachte aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen door de verdachte aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

• Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 121,95 (honderdeenentwintig euro en vijfennegentig cent) vergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

• Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] te betalen een som geld ten bedrage van € 121,95 (honderdeenentwintig euro en vijfennegentig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) dagen.

Bepaalt dat betalingen door de verdachte aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen door de verdachte aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

• Wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd, bij voormeld vonnis van de Kinderrechter van 20 september 2011 in de zaak met parketnummer 14.701060-11.

Verlengt de in dat vonnis op twee jaar vastgestelde proeftijd met 1 (één) jaar.

Voegt toe als bijzondere voorwaarde aan deze voorwaardelijke straf dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt.

Verstrekt aan de genoemde instelling opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze bijzondere voorwaarde.

• Wijst af de vordering van de officier van justitie strekkende tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd, bij voormeld vonnis van Kinderrechter van 20 juni 2011 in de zaak met parketnummer 14.700509-11.

• Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.M. Nusselder, voorzitter,

mr. P.H.B. Littooy en mr. A.J.M. van Roy, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 april 2012.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.