Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BW1052

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
11/788
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De vraag of er tussen eiser en de Stichting een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het BW of een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW was gesloten beantwoordt de rechtbank ontkennend. Er is sprake geweest van werkzaamheden om in het kader van een reintegratietraject vakbekwaamheid te verwerven en werkervaring op te doen teneinde uit te stromen naar regulier werk. Terecht is de weigering eiser een WIA-uitkering toe te kennen gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/788

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 maart 2012 in de zaak tussen

[naam], te [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. M. Attaibi),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (districtskantoor Alkmaar), verweerder

(gemachtigde: mr. P. Nicolai).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2010 heeft verweerder geweigerd aan eiser met ingang van 5 februari 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) te verstrekken.

Bij besluit van 21 februari 2011 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft met enige onderbrekingen in de periode van 2000 tot halverwege 2007 een uitkering ontvangen onder meer op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB). Via de gemeente Hoorn is eiser aangemeld bij de Stichting Rentree Werkt (hierna: de Stichting). In het kader van de WWB is met eiser een arbeidsovereenkomst afgesloten voor de periode van 7 juli 2008 tot 7 november 2008. Aansluitend is er sprake van een tweede overeenkomst voor de periode van 7 november 2008 tot 7 februari 2009. Tijdens deze overeenkomsten is eiser op 12 augustus 2008 door bemiddeling van de Stichting gestart met de opleiding beveiliger II gedurende 1 dag per week bij Noord-Holland bewaking. Eiser is in totaal 9 weken naar les geweest en heeft op 20 januari 2009 de laatste opleidingsdag gevolgd. In de periode van 19 januari 2009 tot en met 12 februari 2009 heeft eiser 6 dagen gewerkt als bewaker op een school. Daarnaast is eiser één dag ingezet als verkeersregelaar. Op 7 februari 2009 heeft eiser zich ziek gemeld en is hem een ziektewetuitkering toegekend. Op 9 oktober 2010 heeft eiser een aanvraag voor een WIA-uitkering gedaan. Deze aanvraag is bij besluit van 5 november 2010 door verweerder afgewezen, omdat eiser als stagiaire/leerling niet onder de WIA-verzekering viel.

2. Verweerder stelt dat eiser niet in verzekerde arbeid werkzaam is geweest, maar dat hij arbeid heeft verricht in het kader van een traject om de re-integratie in het arbeidsproces te bevorderen. Verweerder geeft aan dat eiser in de periode van 7 juli 2008 tot 7 februari 2009 een opleiding heeft gevolgd en in totaal zeven dagen praktijkervaring heeft opgedaan. Volgens verweerder is er dan ook sprake van een stage, hetgeen wordt bevestigd door de inlener ([de vrouw] van Noord-Holland bewaking). Verweerder acht van belang dat de inlener verklaart dat eiser de opleiding beveiliger II volgde, dat aan die opleiding een verplichte stageperiode verbonden was en dat het werken enkel was bedoeld om ervaring op te doen. Voorts speelt mee dat het de taak van de gemeente is om bijstandsgerechtigden voorzieningen aan te bieden die zijn gericht op arbeidsinschakeling en de gemeente een initiërende rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de overeenkomsten. Bovendien is eiser verplicht gebruik te maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Dit maakt dat de door eiser gesloten overeenkomsten niet strekken tot het verrichten van arbeid maar zijn gericht op het aanbieden van- en het deelnemen aan re-integratieactiviteiten met als oogmerk te komen tot uitstroom naar betaalde arbeid. De omstandigheid dat de overeenkomsten eiser verplichten tot het uitvoeren van werkzaamheden voor en onder leiding en toezicht van één van de opdrachtgevers van de Stichting doet daaraan niet af. Verweerder concludeert dat eiser niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot de Stichting en dus niet verzekerd was voor de WIA.

3. Eiser stelt – samengevat – dat de Stichting zich presenteert als een re-integratiebureau maar dat de gemeente Hoorn bijna elke WWB-aanvraag afwijst en de bijstandsgerechtigden direct doorverwijst naar een baan bij de Stichting. Op grond van de met de Stichting gesloten privaatrechtelijke overeenkomst was eiser verplicht om gedurende vijf dagen in de week arbeid te verrichten en had de werkgever de plicht om loon te betalen. Er was sprake van loon, gezag en arbeid in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk wetboek (BW). Eiser werkte zelfstandig als beveiliger en verkeersregelaar zonder enige begeleiding. Hij hoefde niet mee te doen aan een sollicitatietraining, zodat mede om die reden niet kan worden gesproken van een stageperiode. Het feit dat de contactpersonen op de werkplaatsen geen duidelijke verklaring hebben over de frequentie van de arbeid die door eiser is verricht en dat zij niet hebben kunnen aantonen hoe eiser gedurende zijn werkzaamheden als verkeersregelaar en als beveiliger heeft gefunctioneerd bewijst temeer dat van begeleiding geen sprake was. Er was dan ook geen sprake van een werkervaringsplaats maar louter van een ‘arbeidsplaats’. Eiser heeft inkomen genoten waarvan de wettelijke premies zijn ingehouden en afgedragen. Eiser vertrouwde erop en mocht erop vertrouwen dat ook de rechten en plichten, zoals een WIA-uitkering, aan de arbeidsovereenkomst waren gekoppeld. De Stichting heeft bij hem de indruk gewekt dat er sprake is van arbeid door met eiser een arbeidsovereenkomst aan te gaan. De Stichting wordt als werkgever gezien door de mensen, die naar de Stichting worden doorgestuurd.

4. Voor de beoordeling van deze zaak zijn de volgende bepalingen van belang.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de WIA is de werknemer verplicht verzekerd.

Werknemer is ingevolge artikel 8, eerste lid, van deze wet de werknemer in de zin van de Ziektewet, met uitzondering van de werknemer die zijn werknemerschap ontleent aan artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van die wet.

Werknemer in de zin van de Ziektewet is ingevolge artikel 3 van die wet de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, onderdeel g, van de Ziektewet wordt als dienstbetrekking mede beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene, die als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede degene, die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt, een en ander indien een beloning wordt genoten, die niet uitsluitend bestaat in het ontvangen van onderricht.

5. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van de Wet WIA, die in geval van arbeidsongeschiktheid recht heeft op een uitkering ingevolge deze wet. Gelet op artikel 7 en 8 van de Wet WIA in samenhang met artikel 3 van de Ziektewet (ZW) is daartoe – voor zover hier van belang – vereist dat eiser tot de Stichting in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet sprake zijn van een verplichting tot persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon.

6. Voor de beoordeling of tussen partijen een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het BW of een uitzendovereenkomst in de zin van artikel 7:690 van het BW tot stand is gekomen is niet de tekst van de schriftelijke overeenkomst bepalend. Van belang is hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond en ook de wijze waarop zij feitelijk aan de overeenkomst uitvoering hebben gegeven en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. De rechtbank wijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 juni 2010, LJN: BM9286.

7. De vraag of in de periode van 7 juli 2008 en 7 februari 2009 tussen eiser en de Stichting een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 van het BW of een uitzendovereenkomst als bedoeld in artikel 7:690 van het BW was gesloten beantwoordt de rechtbank ontkennend. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

In zowel de overeenkomst tussen eiser en de Stichting gesloten op 16 juli 2008 als in de overeenkomst van 10 november 2008 is overwogen dat de Stichting, aangewezen als rechtspersoon in het kader van de WWB, jongeren, uitkeringsgerechtigden en langdurig werklozen in dienst neemt en detacheert bij inleners, met als doel het versterken van de positie op de reguliere arbeidsmarkt. In artikel 9 van beide overeenkomsten is bepaald dat de werkgever de werknemer in de gelegenheid zal stellen om te solliciteren naar regulier werk en dat het volgen van de sollicitatietraining vanuit de Stichting op maandagmiddag verplicht is. Voorts bepaalt dit artikel dat werkgever en werknemer zich verplichten te handelen overeenkomstig de afspraken en verplichtingen die zijn vastgelegd in de trajectovereenkomst tussen partijen en de gemeente. In de tussen eiser, de Stichting en de gemeente Hoorn gesloten trajectovereenkomst van 16 juli 2008 is als doel van het traject aangegeven: uitstroom naar regulier werk. Voorts is in de trajectovereenkomst onder meer bepaald en afgesproken dat eiser zich tijdens de arbeidsovereenkomst zal inzetten voor uitstroom naar regulier werk, gedurende het re-integratietraject bij de Stichting ingeschreven zal blijven bij het CWI en de sollicitatieclub bij de Stichting op maandagmiddag volgt. Dat, zoals ter zitting door eiser naar voren is gebracht, hij de sollicitatieclub niet daadwerkelijk heeft gevolgd doet daar niet aan af.

Voorts slaat de rechtbank acht op de telefoonnotitie van de medewerker bezwaar van 18 februari 2011, waaruit blijkt dat de inlener, [de vrouw] van Noord-Holland bewaking, heeft verklaard dat eiser de opleiding beveiliger II volgde. Deze opleiding begint met een theoriegedeelte van ongeveer drie maanden, waarna men drie dagen per week stage moet lopen. Deze stage, met behoud van uitkering, is verplicht om het praktijkgedeelte af te ronden. Eiser is stage gaan lopen op een school in Purmerend. Dit werk was bedoeld als stage en het was zeker niet de bedoeling dat de stagiaires na de opleiding op die school gingen werken.

Het door eiser gestelde, dat hij zelfstandig werkte als beveiliger en geen begeleiding kreeg tijdens zijn stageperiode is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd om daaraan het gewicht toe te kennen, dat eiser daaraan gegeven wenst te zien. Dat de overeenkomst tussen eiser en de Stichting eiser ook verplicht tot het verrichten van werkzaamheden bij door de Stichting aan te geven detacheringsplaatsen, doet hieraan niet af. In de context van de overeenkomst zijn dergelijke werkzaamheden geen doel op zich maar een middel om de re-integratie van eiser in het arbeidsproces te bevorderen.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat in de van belang zijnde periode er geen reguliere privaatrechtelijke dienstbetrekking, arbeidsovereenkomst of uitzendovereenkomst bestond tussen eiser en de Stichting, maar dat bij het sluiten van de overeenkomsten van 16 juli 2008 en 10 november 2008 en de wijze waarop zij daaraan feitelijk uitvoering en inhoud hebben gegeven, sprake is geweest van werkzaamheden om in het kader van een re-integratietraject vakbekwaamheid te verwerven en werkervaring op te doen teneinde uit te stromen naar regulier werk. Gelet hierop heeft verweerder terecht en op goede gronden in het bestreden besluit de weigering gehandhaafd om eiser vanaf 5 februari 2011 een WIA-uitkering toe te kennen. Het beroep van eiser zal ongegrond worden verklaard.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Luigjes, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. L.N. Nijhuis, leden, in aanwezigheid van mr. S.C. Jacobs, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.