Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV9809

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
22-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
12/520 en 12/521
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aan de pleegouders (grootouders van moederszijde) is een verklaring van geen bezwaar afgegeven in verband met hun wens verzoekers dochter op te voeden en verzorgen. Verzoeker (de vader) heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit tot afgifte van de verklaring van geen bezwaar. Verweerder heeft terecht het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb is. Niet gebleken is dat verzoeker door het besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. Verzoeker beroept zich alleen op de gevolgen die het besluit mogelijkerwijs voor zijn dochter zal hebben, zodat er sprake is van een afgeleid belang. De afgifte van een verklaring van geen bezwaar aan de grootouders betekent bovendien nog niet zonder meer dat verzoekers dochter ook bij de grootouders zal worden geplaatst. Beroep ongegrond en afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/520 en AWB 12/521

uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 maart 2012 in de zaak van tussen

[naam verzoeker], te [plaatsnaam], verzoeker,

(gemachtigde: mr. S.D. Bhagwandin),

en

de Raad voor de Kinderbescherming, verweerder,

(gemachtigde: mr. S. van den Ende).

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2011 heeft verweerder aan de heer [naam 1] en mevrouw

[naam 2] een verklaring van geen bezwaar afgegeven.

Bij besluit van 3 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door verzoeker gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Op 23 februari 2012 heeft verzoeker een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. Bij tussenbeslissing van 9 maart 2012 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist dat de beperking van de kennisneming van de stukken waarvoor verweerder geheimhouding heeft verzocht gerechtvaardigd is. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter toestemming gegeven om mede op de grondslag van de stukken waarvan de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is geacht uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het verzoek strekt er

- na wijziging ter zitting - toe het bestreden besluit te schorsen en verweerder op te dragen het dossier inzake de afgifte van de verklaring van geen bezwaar aan de gemachtigde van verzoeker af te geven, binnen een dag na de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening, op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek een voorlopige voorziening te treffen de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden in dit geding aan de orde zijn geweest, is de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter zal dan ook gebruik maken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Verzoeker is de vader van [naam 3], geboren op 7 juli 2008 te [geboorteplaats] uit een relatie met [naam 4] (de moeder). De moeder is belast met het eenhoofdig gezag over [naam 3]. Met ingang van 22 december 2010 heeft de kinderrechter [naam 3] onder toezicht gesteld en op 8 juni 2011 is een machtiging tot uithuisplaatsing afgegeven. Bij beschikking van 28 september 2011 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd. Bij beschikking van 13 december 2011 zijn zowel de ondertoezichtstelling als de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam 3] verlengd tot 22 december 2012.

3. Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Regeling pleegzorg, gelezen in samenhang met artikel 22, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg, beschikken een pleegouder en alle personen van twaalf jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven, over een verklaring van geen bezwaar die voor de aanvang van de opvoeding en verzorging van een pleegkind is afgegeven door verweerder, waaruit blijkt dat er geen sprake is van bezwarende feiten en omstandigheden voor het verzorgen en opvoeden van een pleegkind.

Bij besluit van 7 oktober 2011 heeft verweerder op grond van artikel 2, tweede lid, van de Regeling pleegzorg en met toepassing van het Protocol Afstand, Screening, Adoptie en Afstammingsvragen ten behoeve van de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2], de grootouders van [naam 3] aan moederszijde (de grootouders), een verklaring van geen bezwaar afgegeven voor het pleegouderschap in verband met hun wens om hun kleindochter in het gezin op te nemen. De afgegeven verklaring van geen bezwaar betreft in dit geval een zogenoemde geïndividualiseerde verklaring van geen bezwaar, namelijk een verklaring van geen bezwaar die enkel betrekking heeft op de plaatsing van een specifiek pleegkind, te weten [naam 3]. De grootouders aan moederszijde vormen in dit geval een zogenoemd netwerkpleeggezin, een pleeggezin dat bestaat uit familieleden of bekenden van het pleegkind of diens ouders.

Verzoeker heeft tegen de afgifte van een verklaring van geen bezwaar aan de grootouders gemaakt. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard, omdat verzoeker volgens verweerder bij het besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

Ter beoordeling staat of dit besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.

4. Verzoeker heeft in de eerste plaats naar voren gebracht dat het bestreden besluit onbevoegd is genomen, nu in dit geval niet de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Haarlem, maar de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Alkmaar, bevoegd was tot de afgifte van een verklaring van geen bezwaar. [naam 3] en haar grootouders van moederszijde hebben namelijk hun woonplaats in [geboorteplaats], derhalve binnen het arrondissement Alkmaar.

Dit betoog kan niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Dat de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Alkmaar, mogelijk bevoegd was tot de afgifte van de verklaring van geen bezwaar en het primaire besluit daarom onbevoegd zou zijn genomen, laat onverlet dat het bezwaarschrift is ingediend bij de locatie Haarlem, zodat deze locatie bevoegd was op het bezwaar te beslissen. Het bestreden besluit is derhalve bevoegd genomen.

5. Verzoeker heeft verder betoogd dat de termijn die hem gegeven is voor het indienen van de gronden van het bezwaar, namelijk een week, in dit geval als onredelijk kort is aan te merken.

De voorzieningenrechter volgt verzoeker hierin niet. Nu het op 21 december 2011 ingediende bezwaarschrift niet was voorzien van gronden, diende verweerder op grond van het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb verzoeker een termijn te stellen voor het alsnog indienen van gronden. Deze termijn diende zodanig te zijn dat de gemachtigde van verzoeker haar taak naar behoren kon vervullen. In dit geval wordt weliswaar gesteld dat de gegeven termijn onredelijk kort is, maar gesteld noch gebleken is dat verzoekers gemachtigde haar taak daardoor niet kon vervullen. Zo is onder meer niet gebleken dat verzoeker als gevolg van de gegeven termijn van een week in bezwaar onvoldoende in staat is geweest naar voren te brengen wat hij naar voren had willen brengen. De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat het bezwaarschrift al op 21 december 2011 is ingediend en dat verzoeker tot

24 januari 2012 in de gelegenheid is geweest de gronden aan te vullen. Verzoeker heeft derhalve na het indienen van het bezwaarschrift ruim een maand de tijd gehad voor het indienen van gronden. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit om deze reden de rechterlijke toets niet kan doorstaan.

6. Ter beoordeling staat voorts de vraag of verweerder het bezwaar van verzoeker terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Deze eis is door de wetgever gesteld om te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid dan ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit, in dit geval een besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoeker niet als belanghebbende in vorengenoemde zin kan worden aangemerkt, omdat verzoeker geen geadresseerde is van het besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar en verzoeker volgens verweerder geen rechtstreeks belang heeft bij dat besluit. Verweerder beslist namelijk niet over de plaatsing van een pleegkind bij pleegouders, maar toetst alleen op objectieve gronden de geschiktheid van potentiële pleegouders en bekijkt in dat verband of potentiële pleegouders op grond van hun gedragingen, mentaliteit of omstandigheden een gevaar kunnen opleveren voor het welzijn van het pleegkind.

8. Verzoeker heeft hiertegen aangevoerd dat hij wel degelijk als belanghebbende bij het besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar aan de grootouders is aan te merken, nu hij de biologische vader is van [naam 3] en het besluit gevolgen heeft voor haar leefsituatie en haar woonplek. Verzoeker is belanghebbende in de civiele procedure over de hoofdverblijfplaats van [naam 3] en acht de grootouders aan moederszijde niet geschikt als pleegouders. In de civiele procedure speelt de afgifte van een verklaring van geen bezwaar volgens verzoeker een belangrijke rol.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder verzoeker terecht niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij het besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar heeft aangemerkt. Aangenomen moet worden dat dit besluit enkel de geadresseerden daarvan, de grootouders, rechtstreeks raakt. Van enig rechtstreeks gevolg van het besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar voor verzoeker is de voorzieningenrechter niet gebleken.

De stelling van verzoeker dat het besluit tot gevolg zal hebben dat de verblijfplaats van zijn dochter [naam 3] bij de grootouders zal zijn, en zij daarmee niet haar hoofdverblijfplaats bij verzoeker zal hebben, leidt niet tot de conclusie dat verzoeker door dit besluit rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. Verzoeker beroept zich hiermee immers op de gevolgen die het besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar mogelijkerwijs voor zijn dochter zal hebben. Aldus ontleent hij zijn belang uitsluitend aan het belang van zijn dochter, zodat sprake is van een afgeleid belang. Aan het vereiste van een rechtstreeks belang is volgens de jurisprudentie niet voldaan zodra er sprake is van een afgeleid belang. De voorzieningenrechter acht in dit verband verder van belang dat de afgifte van een verklaring van geen bezwaar aan de grootouders nog niet zonder meer betekent dat verzoekers dochter ook bij de grootouders zal worden geplaatst. Verweerder beslist immers uitsluitend op objectieve gronden of potentiële pleegouders geschikt zijn voor het verzorgen en opvoeden van een pleegkind en is niet bevoegd om te beslissen over de plaatsing van een pleegkind bij een specifiek pleeggezin. De plaatsingsbeslissing wordt namelijk - na indicatiestelling door het bureau jeugdzorg - genomen door de aanbieder van pleegzorg. Bij het nemen van die beslissing wordt niet alleen gekeken of aan de formele eis van de aanwezigheid van een verklaring van geen bezwaar is voldaan, maar wordt tevens bezien of ook aan de overige voorwaarden voor geschiktheid tot plaatsing van een pleegkind, zoals genoemd in het vierde lid van artikel 2 van de Regeling pleegzorg, is voldaan.

In de omstandigheid dat verzoeker wel als belanghebbende wordt behandeld bij de civiele rechter ziet de voorzieningenrechter geen reden om tot een ander oordeel te komen. Voor een civielrechtelijke procedure gelden andere wettelijke vereisten dan voor de onderhavige bestuursrechtelijke procedure. Aan de eis van belanghebbendheid in de zin van artikel 1:2 van de Awb kan niet voorbij worden gegaan.

10. Nu verzoeker niet als belanghebbende bij het besluit tot afgifte van een verklaring van geen bezwaar kan worden aangemerkt, heeft verweerder terecht het door hem tegen dat besluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit kan derhalve de rechterlijke toets doorstaan en het beroep dient ongegrond te worden verklaard. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. J.I. Vleeming-Wever, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2012.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak op het beroep kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak op het verzoek staat geen hoger beroep open.