Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV9569

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
21-03-2012
Zaaknummer
14.810517-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld voor onder meer het, al dan niet na toediening/verstrekking van verdovende middelen en/of bedwelmende middelen, meermalen seksueel binnendringen en de seksuele exploitatie van zijn elfjarige dochter alsmede het seksueel binnendringen van zijn 19-jarige stiefdochter terwijl zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde.

Vrijspraak van de verkrachting en de seksuele exploitatie van zijn stiefdochter wegens onvoldoende wettig bewijs.

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.810517-10 (P)

Datum uitspraak: 21 maart 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd te P.I. Flevoland - HvB Almere Binnen te Almere.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 maart 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van de verdachte, mr. R.J. Wortelboer, advocaat te Alkmaar, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 september 2008 tot en met 31 augustus 2010 op een of meer verschillende tijdstippen te Sijbekarspel en/of Opperdoes, gemeente Medemblik en/of te Garderen, gemeente Barneveld, (telkens) met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, [al dan niet na het toedienen of verstrekken van verdovende en/of bedwelmende middelen aan die [slachtoffer 1] een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte (telkens)

-zich doen of laten pijpen door die [slachtoffer 1] en/of

-die [slachtoffer 1] gevingerd en/of

-die [slachtoffer 1] (een) tongzoen(en) gegeven en/of

-die [slachtoffer 1] gebeft en/of

-zijn penis geduwd/gebracht tegen de vagina, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of

-zich doen of laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en/of

-die [slachtoffer 1] gedwongen, althans er toe gebracht, haar vinger in zijn anus te steken en/of

-zijn penis doen of laten betasten door die [slachtoffer 1] en/of

-de borsten en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] betast en/of

-zich afgetrokken in het bijzijn van die [slachtoffer 1];

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2010 tot en met 31 augustus 2010 op een of meer verschillende tijdstippen te Opperdoes, gemeente Medemblik en/of te Garderen, gemeente Barneveld, in elk geval in Nederland, (telkens)

[slachtoffer 2] met één van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten dan wel onder één of meer van de onder lid 1, sub 1° van voornoemd artikel genoemde omstandigheden enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten, immers heeft verdachte die [slachtoffer 2] verdovende en/of bedwelmende middelen verstrekt en/of toegediend en/of was er sprake van een dochter-stiefvader verhouding en/of maakte verdachte misbruik van de geestelijke toestand van die [slachtoffer 2] en/of van de situatie dat die [slachtoffer 2] financiële problemen had en/of bedreigde verdachte die [slachtoffer 2] door te zeggen: dat hij ervoor zou zorgen dat ze opgenomen zou worden in een GGZ-instelling, en/of dat hij belastende informatie met betrekking tot die [slachtoffer 2] zou doorgeven aan de politie, en/of dat hij de zus van die [slachtoffer 2] (te weten: [zus slachtoffer 2]) in de prostitutie zou brengen (althans -telkens- woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking), waardoor die [slachtoffer 2] zich beschikbaar heeft gesteld voor het hebben van sex met mannen,

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een ander, genaamd [slachtoffer 2], immers heeft verdachte geld ontvangen en/of zich toegeëigend nadat man(nen) seksuele contacten had(den) gehad met die [slachtoffer 2];

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2009 tot en met 31 augustus 2010 op een of meer verschillende tijdstippen te Opperdoes, gemeente Medemblik, en/of te Garderen, gemeente Barneveld, in elk geval in Nederland,

(telkens)

een ander, te weten [zijn dochter] [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handeling(en) met of voor een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van die ander enige handeling, te weten door die [slachtoffer 1] verdovende en/of bedwelmende middelen te verstrekken en/of toe te dienen, heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handeling(en), terwijl die ander de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

en/of

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit één of meer seksuele handeling(en) van een ander, genaamd [zijn dochter] [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], met of voor een derde tegen betaling, terwijl die ander de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft verdachte geld ontvangen en/of zich toegeëigend nadat man(nen) seksuele contacten had(den) gehad met die [slachtoffer 1];

4.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2010 tot en met 31 augustus 2010 op één of meer verschillende tijdstippen te Opperdoes, gemeente Medemblik en/of te Garderen, gemeente Barneveld, in elk geval in Nederland, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), die [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] hebbende verdachte (telkens)

-zijn penis gebracht in de mond van die [slachtoffer 2] en/of

-zijn penis gebracht in de vagina van die [slachtoffer 2]

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte (telkens):

- tegen die [slachtoffer 2] (welke op dat moment in een zwakke geestelijke toestand verkeerde) heeft gezegd dat hij ervoor zou zorgen dat ze opgenomen zou worden in een GGZ-instelling, en/of dat verdachte belastende informatie met betrekking tot die [slachtoffer 2] zou doorgeven aan de politie, en/of dat hij de zus van die [slachtoffer 2] (te weten: [zus slachtoffer 2]) in de prostitutie zou brengen. (althans – telkens- woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking)

en/of (aldus) voor die [slachtoffer 2] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 01 mei 2010 tot en met 31 augustus 2010 op een of meer verschillende tijstippen te Opperdoes, gemeente Medemblik en/of te Garderen, gemeente Barneveld, (telkens) met [slachtoffer 2], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 2] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn/haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer 2] niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte (telkens)

-zijn penis gebracht in de mond van die [slachtoffer 2] en/of

-zijn penis gebracht in de vagina van die [slachtoffer 2];

5.

[medeverdachte 1] in of omstreeks de periode van 01 februari 2010 tot en met 30 april 2010 op een of meer verschillende tijdstippen te Opperdoes, gemeente Medemblik, (telkens) met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende die [medeverdachte 1] zich (telkens) doen of laten pijpen door die [slachtoffer 1],

tot en/of bij het plegen van bovenomschreven misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, door zijn dochter [slachtoffer 1] aan die [medeverdachte 1] voor het hebben van seks aan te bieden, althans ter beschikking te stellen;

6.

[medeverdachte 2] in of omstreeks de periode van 01 februari 2010 tot en met 30 april 2010 te Opperdoes, gemeente Medemblik, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit

-het doen of laten steken van een vinger van die [slachtoffer 1] in haar anus en/of vagina en/of

-het geheel of gedeeltelijk ontkleed liggen tegen het geheel of gedeeltelijk naakte lichaam van die [slachtoffer 1],

tot en/of bij het plegen van bovenomschreven misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, door zijn dochter [slachtoffer 1] voor het hebben van seks aan die [medeverdachte 2] aan te bieden, althans ter beschikking te stellen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

4.1 Inleiding

De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij seksuele handelingen heeft gepleegd met zijn dochter [slachtoffer 1] (hierna ook te noemen: [slachtoffer 1]), die toen de leeftijd van twaalf jaar nog niet had bereikt. Deze handelingen zouden mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van [slachtoffer 1]. Daarnaast wordt de verdachte verweten dat hij [slachtoffer 1] ter beschikking heeft gesteld aan derden tegen betaling en hieruit opzettelijk voordeel heeft getrokken. [slachtoffer 1] zou bij gelegenheid van bovengenoemde feiten door de verdachte onder invloed zijn gebracht van verdovende en/of bedwelmende middelen. Tevens is ten laste gelegd dat de verdachte medeplichtig is geweest aan het seksueel binnendringen van [slachtoffer 1] gepleegd door [medeverdachte 1] (hierna ook te noemen: [medeverdachte 1]) en aan het plegen van ontucht met [slachtoffer 1] door [medeverdachte 2] (hierna ook te noemen: [medeverdachte 2]) door [slachtoffer 1] aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan te bieden voor het hebben van seks.

Voorts wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij [slachtoffer 2] (hierna ook te noemen: [slachtoffer 2]) heeft verkracht dan wel bij [slachtoffer 2] seksueel is binnengedrongen terwijl zij onder invloed was van verdovende en/of bedwelmende middelen. Ook wordt de verdachte verweten dat hij [slachtoffer 2] heeft gedwongen of bewogen te werken in de prostitutie en dat hij daaruit opzettelijk voordeel heeft getrokken.

De rechtbank dient te oordelen of bewezen kan worden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan voornoemde feiten.

4.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten (waaronder feit 4 primair) bewezen kunnen worden verklaard.

4.3 Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen objectief bewijs voorhanden is dat de beschuldigingen ondersteunt en dat het bewijs uitsluitend kan bestaan uit de verklaringen die hierover zijn afgelegd. Ten aanzien van de verklaringen die zijn afgelegd heeft de raadsman het volgende opgemerkt.

Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik

De verklaring die [medeverdachte 2] heeft afgelegd bij gelegenheid van haar aangifte is in strijd met de richtlijnen niet opgenomen en derhalve ontbreekt een belangrijk controlemechanisme ten aanzien van deze verklaring. Voorts is aan [slachtoffer 2] in strijd met de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, die per 1 januari 2011 van kracht is geworden, een kopie van haar aangifte verstrekt. Nu [slachtoffer 2] de beschikking heeft gehad over haar dossier en blijkens haar verklaring haar aangifte ook nog heeft nagelezen, kan haar verklaring ten overstaan van de rechter-commissaris niet langer als betrouwbaar worden gezien omdat niet duidelijk is of wat zij verklaart uit haar herinnering voortkomt of dat het voorkomt uit wat zij in het dossier heeft gelezen.

Hoewel het verbod op het verstrekken van stukken niet geldt voor [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], omdat zij zelf ook als verdachte zijn aangemerkt en zij uit dien hoofde recht hebben op hun dossier, doet daar naar de mening van de raadsman niet af aan het controleprobleem.

Gelet op het voorgaande is de raadsman van mening dat de verklaringen waarvan de inhoud niet kan worden gecontroleerd omdat niet aan de voorschriften uit de Aanwijzing is voldaan, niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

De raadsman heeft gewezen op diverse tegenstrijdigheden in de verklaringen die door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn afgelegd. De verdediging is van mening dat deze tegenstrijdigheden rechtstreeks afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen.

Voorts heeft de raadsman een aantal kanttekeningen geplaatst bij het rapport van de deskundige dr. K.I.M. van Oorsouw. Ten eerste heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de deskundige de inconsistenties in de beoordeelde verklaringen ten onrechte heeft toegeschreven aan het gebruik van verdovende middelen. De deskundige heeft in haar rapport alleen het NFI rapport van 1 maart 2011 betrokken en niet het rapport van 17 augustus 2011 waaruit naar de mening van de raadsman blijkt dat het maar zeer de vraag is of er middelen zijn gebruikt of toegediend.

Ten tweede wijst de raadsman erop dat de deskundige enerzijds heeft gesteld dat aan de hand van de gebruikte CBCA-methode pas valide uitspraken kunnen worden gedaan over de accuraatheid van de verklaringen als de opnamen van deze verhoren zijn bekeken, maar anderzijds heeft opgemerkt dat zij de opnamen van de verhoren van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niet heeft gebruikt bij de toepassing van de CBCA methode. De raadsman heeft de vraag opgeworpen in hoeverre de deskundige aldus haar eigen uitgangspunten met betrekking tot de hantering van de CBCA-methode heeft ondergraven.

De raadsman concludeert op grond van het voorgaande dat onvoldoende is vast te stellen wat er van de afgelegde verklaringen als wettig en overtuigend bewijs kan worden gebruikt en dat de verdachte derhalve van alle ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

4.4 Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik

De nieuwe Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik is per 1 januari 2011 van kracht geworden. Deze richtlijn verving de richtlijn die tot 1 januari 2011 van kracht was. Eén van de verschillen is dat in de nieuwe richtlijn is bepaald dat aan aangevers van een zedendelict geen afschrift van het proces-verbaal van aangifte wordt verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat in strijd met de nieuwe richtlijn is gehandeld. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben uit hoofde van hun positie als verdachte een afschrift van het dossier ontvangen en hebben hun eerdere verklaringen derhalve rechtmatig in hun bezit gehad.

[slachtoffer 2] is op 5 oktober 2010 voor het laatst door de politie als getuige gehoord. Daarna is zij op 23 maart 2011 en 4 juli 2011 als verdachte gehoord door de politie. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt wanneer een kopie van het proces-verbaal van haar aangifte aan [slachtoffer 2] is verstrekt. Aannemelijk is echter dat deze verstrekking niet lang na het bewuste verhoor heeft plaatsgevonden, derhalve op een tijdstip waarop de nieuwe Aanwijzing nog niet in werking was getreden, ofwel op een later moment, toen zij door de politie als verdachte werd aangemerkt. Aldus is niet komen vast te staan dat is gehandeld in strijd met de nieuwe Aanwijzing en is geen sprake van een vormverzuim.

Betrouwbaarheid van de verklaringen

De rechtbank stelt voorop dat het aan de zittingsrechter is om de betrouwbaarheid van het bewijs te waarderen en te toetsen. Bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaringen heeft de rechtbank in aanmerking genomen het rapport van de deskundige dr. K.I.M. van Oorsouw (hierna ook te noemen: de deskundige of Van Oorsouw), die onderzoek heeft gedaan naar de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaringen. Van Oorsouw komt in haar rapport tot de volgende conclusie.

“De verklaringen van [slachtoffer 1, [slachtoffer 2], [medeverdachte 2], en [medeverdachte 1] zijn in grote mate consistent binnen de verklaringen. Hoewel zij op sommige elementen niet consistent zijn met wat zij onderling verklaren, doet dat niet af aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen over het plaatsvinden van bepaalde seksuele handelingen tussen hen/verdachte en slachtoffer [slachtoffer 1]. Inconsistenties in de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kunnen ook geweten worden aan de gebruikte middelen (GHB, mefedron) waarvan bekend is dat deze het geheugen negatief kunnen beïnvloeden. Middelengebruik zou ook een rol kunnen spelen in de gebrekkige herinneringen van [medeverdachte 1], en de inconsistenties in de verklaringen van [medeverdachte 2]. Er zijn onvoldoende aanwijzingen te vinden in het dossier dat de verklaringen van slachtoffer [slachtoffer 1] een resultaat zouden zijn van onderlinge beïnvloeding (collaborative storytelling). Hoewel [slachtoffer 1] volgens sommige betrokkenen aanwezig was bij de gesprekken die gevoerd werden over de seksuele handelingen tussen verdachte, [slachtoffer 2], [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1], nemen haar verklaringen over de feiten niet dezelfde vorm aan als de verklaringen die bovengenoemde anderen hierover afleggen. Alle vier betrokkenen leggen over het algemeen hun eigen specifieke verklaring af, en vertellen ieder afzonderlijk gedetailleerd over momenten waarop seksuele handelingen tussen hen en verdachte en/of slachtoffer plaatsvonden. Gelet op de ontstaansgeschiedenis van de verklaringen van [slachtoffer 1] wordt duidelijk dat zij zonder al te veel druk met de verklaring op de proppen kwam. Hoewel zij initieel ontkende, werd zij vrij snel na de confrontatie ermee door [slachtoffer 2] en [medeverdachte 2] in bijzijn van moeder emotioneel en bevestigde dat vader haar seksueel zou hebben misbruikt. De reden voor initiële ontkenning, zo zegt [slachtoffer 1], was omdat verdachte had gedreigd haar moeder iets aan te zullen doen. Een CBCA analyse laat zien dat in ieder geval een aantal van de door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] afgelegde verklaringen een hoge mate van accuraatheid vertonen.”

De raadsman heeft aangevoerd dat de deskundige de inconsistenties in de verklaringen ten onrechte toeschrijft aan het gebruik van verdovende middelen. De deskundige stelt in haar rapport voorop dat inconsistenties in verklaringen niet per definitie afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van de getuige in zijn geheel. Voorts blijkt uit het rapport van de deskundige dat zij de inconsistenties niet alleen wijt aan het gebruik van verdovende middelen. Inconsistenties in de verklaringen kunnen volgens de deskundige in deze zaak ook toegeschreven worden aan het tijdsverloop en het eigen belang dat de getuigen kunnen hebben waar het bijvoorbeeld gaat om handelingen die met [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden en waar zij zelf bij betrokken zijn geweest. Overigens acht de rechtbank, zoals hieronder bij de bespreking van de feiten zal blijken, bewezen dat wel degelijk sprake is geweest van toediening van verdovende en/of bedwelmende middelen.

Over de door de deskundige gebruikt CBCA methode merkt de rechtbank het volgende op. De deskundige geeft in haar rapport aan dat deze methode makkelijker is toe te passen wanneer de verhoren digitaal zijn vastgelegd. Anders dan waarvan de verdediging kennelijk uitgaat, heeft zij niet gesteld dat het bij het ontbreken van opnamen van het verhoor niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de accuraatheid van de verklaring. De deskundige heeft aangegeven dat van de negentien CBCA criteria er negen zijn die een grotere predictieve waarde hebben voor de betrouwbaarheid van een verklaring. In haar rapport heeft de deskundige bij de beoordeling van de verklaringen van [slachtoffer 2], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan de hand van de CBCA criteria telkens aangegeven aan hoeveel van de criteria is voldaan, waarbij zij er ook melding van maakt aan hoeveel van de negen criteria met een grotere predictieve waarde is voldaan. Gelet op de CBCA scores heeft de deskundige geoordeeld dat de genoemde verklaringen van [slachtoffer 2], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] als accuraat kunnen worden gezien.

De rechtbank verenigt zich met deze conclusies van de deskundige.

Over de mogelijke beïnvloeding van [slachtoffer 2], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] door het lezen van hun eerder afgelegde verklaringen overweegt de rechtbank het volgende. [slachtoffer 2], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben hun eerder afgelegde verklaringen in grote lijnen bij de rechter-commissaris bevestigd. Uit de wijze van verhoren door de rechter-commissaris blijkt dat rekening is gehouden met het verstrekken aan de getuigen van hun eerder afgelegde verklaringen, waardoor dit naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de later afgelegde verklaringen. Ook voor zover bij de rechter-commissaris niet expliciet ter sprake is gekomen of een verklaring voortkomt uit hetgeen de getuige zich zelf herinnert of uit hetgeen de getuige heeft gelezen, oordeelt de rechtbank dat dit geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen.

Al het voorgaande in overweging nemende acht de rechtbank de verklaringen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] wat de kern van de zaak betreft betrouwbaar en zal zij hun verklaringen gebruiken voor het bewijs.

“Unus testis”

Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) - waarin op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (HR) wordt gedoeld op de gehele tenlastelegging en niet slechts op een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling verbiedt de rechter tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gerelateerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Dat zal ook in deze zaak gebeuren.

Bij de beoordeling of een verklaring van een getuige voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, moet een onderscheid worden gemaakt tussen een verklaring die uitsluitend de betrouwbaarheid van de getuige kan ondersteunen en een verklaring die als zelfstandig bewijsmiddel kan worden gebezigd voor de betrokkenheid van de verdachte bij het ten laste gelegde feit. Zo is een verklaring van horen zeggen van een getuige een verklaring die uitsluitend de betrouwbaarheid van die getuige kan ondersteunen. Een dergelijke verklaring is immers uit dezelfde bron afkomstig als de oorspronkelijke getuigenverklaring en kan dan ook niet als zelfstandig bewijsmiddel worden gebruikt. Waar de verklaring van horen zeggen uit een andere bron dat die van de getuige voortkomt, kan deze verklaring wel als zelfstandig bewijsmiddel worden gebruikt.

Tot slot dient het ondersteunende bewijs betrekking te hebben op de kern van het ten laste gelegde delict. Daarbij merkt de rechtbank op dat noch in de wet, noch in de jurisprudentie de eis wordt gesteld dat het steunbewijs betrekking heeft op alle in de ten laste gelegde genoemde handelingen.

Ten aanzien van feit 1:

Pleegplaats en pleegperiode

Op 16 augustus 2010 heeft [moeder slachtoffer 1], de moeder van [slachtoffer 1] melding gemaakt van seksueel misbruik gepleegd door de verdachte met hun dochter [slachtoffer 1]. Vervolgens heeft op 21 augustus 2010 een informatief gesprek plaatsgevonden. [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] , is tweemaal gehoord in een kindvriendelijke studio. [slachtoffer 1] heeft kort samengevat verklaard dat haar vader, zijnde de verdachte, diverse seksuele handelingen met haar heeft gepleegd, welke handelingen mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. Haar vader begon aan haar te zitten toen zij bij haar vader in Sijbekarpsel woonde, maar het werd erger toen zij in Opperdoes gingen wonen. Blijkens de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1], [moeder slachtoffer 1], is [slachtoffer 1] na de echtscheiding in oktober 2008 bij haar vader gaan wonen en zijn [slachtoffer 1] en haar vader vervolgens in februari 2009 naar Opperdoes verhuisd. Ook heeft [slachtoffer 1] verklaard dat haar vader seksuele handelingen met haar verricht toen zij op de camping in Garderen waren.

Seksuele handelingen

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij de verdachte heeft moeten pijpen , hij met zijn vinger in haar plasser heeft gezeten , zij met de verdachte moest tongzoenen , hij heeft geprobeerd zijn piemel in haar plasser te steken maar dat dit niet lukte omdat het pijn deed en hij aan haar borsten heeft gevoeld .

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij zelf heeft gezien dat de verdachte seksuele handelingen heeft verricht met [slachtoffer 1]. Zij heeft gezien dat [slachtoffer 1] de verdachte moest pijpen, dat de verdachte [slachtoffer 1] heeft gevingerd, dat [slachtoffer 1] en de verdachte met elkaar zoenden, dat [slachtoffer 1] naakt over de naakte penis van de verdachte moest ‘rijden’, dat [slachtoffer 1] de verdachte tijdens het pijpen af en toe ook aftrok, dat de verdachte de borsten van [slachtoffer 1] heeft betast en dat de verdachte zich heeft afgetrokken in het bijzijn van haar en [slachtoffer 1].

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij heeft gezien dat [slachtoffer 1] de verdachte moest pijpen, dat [slachtoffer 1] met de verdachte moest tongzoenen, dat [slachtoffer 1] door de verdachte is gebeft, dat [slachtoffer 1] de verdachte heeft afgetrokken, dat [slachtoffer 1] haar vinger in de anus van de verdachte moest steken en dat de verdachte de borsten van [slachtoffer 1] heeft betast.

Tot slot heeft ook [medeverdachte 1] verklaard dat hij seksuele handelingen heeft waargenomen tussen de verdachte en [slachtoffer 1], namelijk dat [slachtoffer 1] de verdachte moest pijpen, [slachtoffer 1] met de verdachte heeft gezoend en de verdachte [slachtoffer 1] heeft gebeft.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] dat de verdachte seksuele handelingen met haar heeft gepleegd die mede bestonden uit het seksueel binnendringen in voldoende mate wordt ondersteund door de verklaringen [slachtoffer 2], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1].

Hoewel alleen [medeverdachte 2] verklaart dat [slachtoffer 1] haar vinger in de anus van de verdachte heeft gestoken acht de rechtbank dit ook bewezen. Niet alleen is het geen vereiste dat het bewijs van alle seksuele handelingen wordt ondersteund door een verklaring van een getuige, de rechtbank heeft mede in aanmerking genomen dat [medeverdachte 2] op dit punt zeer specifiek, uitgebreid en ook op voor haarzelf belastende wijze heeft verklaard welke verklaring de rechtbank betrouwbaar acht.

Verdovende en/of bedwelmende middelen

Blijkens de verklaring van [slachtoffer 1] was zij ten tijde van de seksuele handelingen meestal onder invloed verdovende en/of bedwelmende middelen. Zij verklaart dat zij van de verdachte ronde groene en driehoekige rode pilletjes kreeg. Ook kreeg zij regelmatig poeder van de verdachte. Dat moest zij op haar vinger doen, dan op haar tong en dan water drinken. Volgens [slachtoffer 1] bewaarde de verdachte de pillen in een rond bakje met een sprookjesplaatje er op.

[slachtoffer 2] verklaart dat de verdachte XTC-pillen had, eerst had hij groen/blauwkleurige pillen en later had hij rode driehoekige pillen. Daarnaast had de verdachte ook een soort narcosemiddel dat eruit zag als wit poeder. Zij heeft voorts gezien dat de verdachte [slachtoffer 1] tijdens het pinksterweekend 2010 in de auto op weg naar de camping in Garderen een halve pil gaf. [slachtoffer 2] geeft aan dat [slachtoffer 1] met een pilletje op een heel ander meisje werd, dat alles deed op het gebied van seks als een volwassene. De dinsdag na het pinksterweekend heeft de verdachte [slachtoffer 1] volgens [slachtoffer 2] ziek gemeld bij school omdat ze teveel drugs had gekregen. Blijkens de gegevens van de school van [slachtoffer 1] is [slachtoffer 1] de dag na het pinksterweekend inderdaad ziek gemeld.

Voorts beschrijft [slachtoffer 2] een andere situatie in Opperdoes waarbij [slachtoffer 1] twee blauwe pillen kreeg. De verdachte had die avond eerst heel lang met zijn vinger in de vagina van [slachtoffer 1] had gezeten. Vervolgens gaf de verdachte [slachtoffer 1] een narcosemiddel waardoor [slachtoffer 1] geen pijn meer voelde en de verdachte zei dat [slachtoffer 1] ‘bijna wijd genoeg was’.

[medeverdachte 1] beschrijft een situatie waarin [slachtoffer 1] de verdachte en hem moest pijpen in Opperdoes. Hij verklaart dat [slachtoffer 1] ook XTC-pillen had gekregen omdat ze dan geiler zou worden. De verdachte heeft zelf [medeverdachte 1] verteld dat [slachtoffer 1] XTC had gehad. Ook zag [medeverdachte 1] aan de ogen van [slachtoffer 1] dat zij XTC had gebruikt.

Op 12 september 2010 zijn er twee strengen haar afgenomen bij [slachtoffer 1], een heeft het nummer AADT7986NL gekregen, de ander het nummer AADT7987NL. Uit het ter zake opgemaakt NFI-rapport van 1 maart 2011 blijkt dat in de haarstreng met nummer AADT7986NL een geringe GHB “piek”is waargenomen rond de periode van ongeveer een maand voor de haarafname, dus augustus 2010.

Uit een voorlopig NFI-rapport van 16 mei 2011 blijkt dat in de haarstreng met nummer AADT7987NL sprake is van een GHB “piek” rond de periode van 3,25 maanden voor de haarafname, dus in juni 2010.

Op 17 augustus 2011 wordt door de deskundige van het NFI definitief gerapporteerd over de haarstreng met nummer AADT7987NL. Uit dit onderzoek is opnieuw gebleken dat – overeenkomend met het eerdere onderzoeksrapport van 16 mei 2011 – een GHB “piek” is gemeten rond 3,25 maanden voor de haarafname. Hoewel niet kan worden vastgesteld of de GHB “piek” in het haar door een tijdelijk verhoogde endogene blootstelling is ontstaan of dat de GHB “piek” door inname dan wel toediening is ontstaan, geven de gemeten GHB “pieken” een aanwijzing voor een verhoogde blootstelling aan GHB in een bepaalde periode.

De verdachte heeft op de terechtzitting erkend dat hij XTC-pillen in zijn bezit heeft gehad. Hij heeft deze pillen omschreven als groen/blauwkleurige pillen en gebruikte deze pillen voor de seks. Ook heeft hij vroeger amfetamine gebruikt.

Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij de pillen kreeg in een doosje met een sprookjesachtig plaatje er op. Hoewel de verdachte heeft ontkend aan zijn kinderen drugs verstrekt dan wel toegediend te hebben, heeft hij wel toegegeven de destijds vijftienjarige [zus slachtoffer 2] een XTC-pil te hebben gegeven.

Op grond van de hiervoor genoemde wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte meermalen, al dan niet na toediening of verstrekking van verdovende en/of bedwelmende middelen, handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] welke handelingen mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 1].

Ten aanzien van feit 2:

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat haar stiefvader, zijnde de verdachte, haar heeft gedwongen dan wel heeft bewogen om te werken in de prostitutie. De verdachte dreigde dat hij ervoor zou zorgen dat ze opgenomen zou worden in een GGZ-instelling, dat hij belastende informatie over haar zou doorgeven aan de politie en dat hij haar zus [zus slachtoffer 2] in de prostitutie zou brengen. Daarom zou ze hebben meegewerkt aan het ontvangen van klanten voor seks. Voorts verklaart ze dat de verdachte haar verdovende en bedwelmende middelen gaf en het in die periode niet goed met haar ging waarvan de verdachte misbruik heeft gemaakt. [slachtoffer 2] zegt aan haar werk in de prostitutie maar ongeveer € 300,- te hebben overgehouden, terwijl de verdachte vele duizenden euro’s aan haar heeft verdiend.

De rechtbank oordeelt dat de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij in de prostitutie heeft gewerkt, in voldoende mate steun vindt in overige bewijsmiddelen. Daarmee staat echter nog niet vast dat zij daartoe is gedwongen of bewogen door de verdachte. Nog daargelaten of de bestanddelen van de delictsomschrijving in voldoende feitelijke vorm in de tenlastelegging zijn opgenomen, acht de rechtbank niet bewezen dat [slachtoffer 2] door de verdachte is gedwongen dan wel bewogen tot het werken in de prostitutie. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [slachtoffer 2] over de bedreigingen die de verdachte zou hebben geuit, niet wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Afgezien van het feit dat [slachtoffer 2] ten overstaan van de rechter-commissaris expliciet alleen deze bedreigingen noemt als reden waarom zij meewerkte aan het ontvangen van klanten, acht de rechtbank ook de andere in de tenlastelegging omschreven omstandigheden niet bewezen dan wel niet instrumenteel met betrekking tot het dwingen of bewegen van [slachtoffer 2].

De verklaring van [slachtoffer 2] dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van haar geestelijke toestand vindt geen ondersteuning in de overige verklaringen. Voorts bewijst de verklaring van [medeverdachte 2] - dat zij heeft gehoord dat de verdachte tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat [slachtoffer 2] maar zelf klanten moest regelen omdat zij geen geld van de verdachte kreeg - niet dat de verdachte door misbruik te maken van haar financiële situatie [slachtoffer 2] heeft gedwongen of bewogen in de prostitutie te werken. Hoewel feitelijk juist is dat er sprake was van een dochter-stiefvader relatie, is niet gebleken dat dit gegeven een factor is geweest bij het dwingen of bewegen van [slachtoffer 2] om te werken in de prostitutie. Ditzelfde geldt voor het verstrekken van verdovende middelen, omdat uit het dossier onvoldoende blijkt in hoeverre [slachtoffer 2] vrijwillig de drugs innam dan wel in hoeverre het druggebruik in directe relatie stond tot het werken van [slachtoffer 2] in de prostitutie.

Dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het werk van [slachtoffer 2] in de prostitutie acht de rechtbank evenmin bewezen. De enige ondersteuning voor het ontvangen van geld door de verdachte kan worden gevonden in de verklaring van [slachtoffer 1]. Zij verklaart dat zij samen met [slachtoffer 2] klanten moest ontvangen. [slachtoffer 1] verklaart dat [slachtoffer 2] bijna de helft van het geld kreeg en zij alleen niets kreeg omdat ze nog te jong was. Hierin kan naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende ondersteuning worden gevonden voor het bewijs dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit het werk van [slachtoffer 2] in de prostitutie.

De rechtbank acht de verklaring van [slachtoffer 2] weliswaar geloofwaardig, maar er is onvoldoende ondersteunend bewijs voorhanden dat betrekking heeft op de kern van het ten laste gelegde delict, te weten het dwingen of bewegen om te werken in de prostitutie en het opzettelijk voordeel trekken uit het werk van [slachtoffer 2] in de prostitutie. Derhalve zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 3:

Mensenhandel

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] , heeft kort samengevat verklaard dat zij van haar vader, zijnde de verdachte, klanten moest ontvangen. Zij moest bij die klanten aan hun piemel voelen en tongzoenen. Verder gingen die klanten ook bij haar met de piemel bij de plasser en gingen het met hun vingers doen. De klanten moesten dan aan de verdachte geld betalen. Zij verklaart dat zij drie keer een klant heeft gehad.

[slachtoffer 1] verklaart dat de klanten voor het eerst langskwamen een paar weken nadat zij naar Opperdoes waren verhuisd. Blijkens de verklaring van de moeder van [slachtoffer 1], [moeder slachtoffer 1], zijn [slachtoffer 1] en haar vader in februari 2009 naar Opperdoes verhuisd.

Voorts verklaart [slachtoffer 1] dat ze samen met [slachtoffer 2] en [medeverdachte 2] naar een site genaamd Bullchat moest gaan en daar klanten moest regelen. Vervolgens kwamen de klanten naar Opperdoes toe. Ook op de camping in Garderen moesten ze klanten via het internet regelen. Die klanten woonden dan in de buurt van Garderen.

[slachtoffer 2] verklaart dat zij, [slachtoffer 1] en de verdachte op twee verschillende laptops met ene [naam] hebben gesproken over het hebben van seks met [slachtoffer 1]. Die [naam] mocht van de verdachte alles met [slachtoffer 1] doen, maar hij mocht haar alleen nog niet neuken. In het dossier zit een uitdraai van dit chatgesprek die de verklaring van [slachtoffer 2] ondersteunt. Ook moesten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op de camping in Garderen zoeken naar klanten, maar bleek later dat het internet het toen niet deed. In tegenstelling tot [slachtoffer 1] verklaart [slachtoffer 2] dat zij er nooit bij is geweest dat [slachtoffer 1] klanten ontving. Zij verklaart wel dat niet alleen [slachtoffer 1] maar ook de verdachte tegen haar heeft gezegd dat [slachtoffer 1] daadwerkelijk klanten ontving. Volgens [slachtoffer 2] heeft de verdachte tegen haar gezegd dat hij op zoek was naar klanten voor [slachtoffer 1] die discreet waren.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij een aantal fietsen voor de verdachte had gerepareerd en dat hij daarvoor een nota van negentig euro bij de verdachte had ingeleverd. Vervolgens zei de verdachte tegen [medeverdachte 1] dat [slachtoffer 1] de nota in natura zou voldoen.

De moeder van [slachtoffer 1], [moeder slachtoffer 1], heeft verklaard dat [slachtoffer 1] aan haar heeft verteld dat zij het ook met andere mannen moest doen, samen met haar vader, en dat ze er een nieuwe laptop voor zou krijgen.

Hoewel geen van de getuigen heeft verklaard dat zij er bij zijn geweest dat [slachtoffer 1] daadwerkelijk klanten heeft ontvangen, vindt de verklaring van [slachtoffer 1] voldoende ondersteuning in de verklaringen van bovengenoemde getuigen. De rechtbank heeft in dit verband ook acht geslagen op de opmerkingen die de deskundige Van Oorsouw heeft gemaakt in haar rapport over de schaamte en het eigen belang die de getuigen op sommige punten tot een terughoudende verklaring hebben gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij klanten tegen betaling moest ontvangen in voldoende mate wordt ondersteund door ander bewijs. Hoewel de verklaring van [moeder slachtoffer 1] slechts de betrouwbaarheid van [slachtoffer 1] ondersteunt, kan de verklaring van [slachtoffer 2] dat zij van de verdachte heeft gehoord dat [slachtoffer 1] klanten ontving wel als ondersteunend bewijs worden gebezigd, nu dit bewijs voortkomt uit een andere bron dan [slachtoffer 1], te weten de verdachte.

Dat [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de verdachte tegen haar heeft gezegd dat hij klanten voor [slachtoffer 1] ging regelen, ‘maar nu nog niet’ doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank merkt op dat deze verklaring van [medeverdachte 2] waarschijnlijk betrekking heeft op een eerdere periode, omdat uit meerdere verklaringen blijkt dat eerst [medeverdachte 2] in de prostitutie werkte en dat pas later [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in de prostitutie werden betrokken.

Voorts heeft de rechtbank door de overige hierboven genoemde verklaringen ook de overtuiging gekregen dat de verdachte [slachtoffer 1] aanbood voor het hebben van seks met derden tegen betaling.

Verdovende en/of bedwelmende middelen

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij, voordat de klanten langskwamen, poeder en pillen moest innemen van de verdachte. [slachtoffer 1] kreeg als er klanten kwamen juist heel veel poeder.

De getuigen hebben allen verklaard dat zij niet hebben gezien dat [slachtoffer 1] daadwerkelijk klanten ontving. Derhalve hebben zij ook niet gezien dat [slachtoffer 1] verdovende en/of bedwelmende middelen werd verstrekt of toegediend in relatie tot klanten. In de met betrekking tot feit 1 opgenomen bewijsmiddelen vindt de rechtbank echter wel de ondersteuning dat [slachtoffer 1] bij herhaling verdovende en/of bedwelmende middelen werden verstrekt en toegediend.

Opzettelijk voordeel trekken

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de klanten moesten betalen voor de handelingen die ze met haar mochten verrichten. De verdachte heeft aan haar het geld laten zien. Het was meer dan € 500,-, een keer was het bijna € 1.000,-. [slachtoffer 2] kreeg de helft van het geld. Zij kreeg niets omdat ze nog te jong was. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de verdachte tegen haar heeft verteld dat pedofielen bereid waren om veel voor [slachtoffer 1] te betalen. Aldus acht de rechtbank bewezen dat de verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seks die [slachtoffer 1] met derden moest hebben tegen betaling.

Gelet op de hierboven genoemde wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diverse vormen van mensenhandel met betrekking tot [slachtoffer 1] die op dat moment de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt.

Ten aanzien van feit 4:

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde

Zoals de rechtbank hierboven bij feit 2 heeft vastgesteld, wordt de verklaring [slachtoffer 2], hoewel er op zich geen reden is voor twijfel omtrent de betrouwbaarheid daarvan, over de bedreigingen die de verdachte zou hebben geuit, niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Derhalve acht de rechtbank onvoldoende wettig bewijs voorhanden om te komen tot een bewezenverklaring van het onder 4 primair ten laste gelegde en zal de rechtbank de verdachte van dit feit vrijspreken.

Seksuele handelingen in een staat van verminderd bewustzijn

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij met de verdachte in de auto zat op weg naar de camping in Garderen, toen de verdachte haar een half pilletje gaf en zelf de andere helft nam. Dit pilletje was groen/blauwig van kleur. Later die avond heeft ze nog meer pillen gekregen van de verdachte. Vervolgens begon de verdachte over seks te praten, werd ze daar geil van en kon ze alleen nog maar ‘ja’ zeggen. [slachtoffer 2] beschrijft het alsof het leek alsof ze gehersenspoeld was en ze haar lichaam niet meer in bedwang kon houden. Op de camping zei de verdachte dat ze over haar eerdere verkrachting heen moest komen en ze hem moest pijpen. Hij duwde haar hoofd naar beneden en ze moest hem pijpen. Vervolgens heeft ze daar ook met de verdachte geneukt. [slachtoffer 2] vertelt dat ze door de pillen totaal de weg kwijt was en hele stukken van de avond mist in haar geheugen.

De verdachte heeft op de terechtzitting erkend dat hij alleen met [slachtoffer 2] op de camping in Garderen is geweest. Hij ontkent dat ze daar seks hebben gehad en dat hij haar drugs heeft gegeven.

[slachtoffer 1] heeft echter verklaard dat zij heeft gezien dat de verdachte, toen zij met [slachtoffer 2] en de verdachte in Garderen was, seks heeft gehad met [slachtoffer 2]. Voorts heeft de verdachte op de terechtzitting erkend dat hij XTC-pillen in zijn bezit heeft gehad. Hij heeft deze pillen omschreven als groen/blauwkleurige pillen en gebruikte deze pillen voor de seks. Hoewel de verdachte heeft ontkend aan zijn kinderen of aan de kinderen van zijn huidige partner [naam] drugs te hebben verstrekt, heeft de verdachte wel toegegeven dat hij de destijds vijftienjarige [zus slachtoffer 2] een XTC-pil heeft gegeven.

Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen heeft de rechtbank de overtuiging bekomen dat de verdachte op de camping in Garderen handelingen heeft verricht die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2], terwijl zij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde.

Hoewel [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] verklaren dat [slachtoffer 2] meerdere malen seks zou hebben gehad met de verdachte, acht de rechtbank niet bewezen dat zij daarbij verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] niet consistent verklaart over de vraag in hoeverre zij heeft gezien dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen [slachtoffer 2] en de verdachte in Opperdoes. Voorts blijkt uit de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] onvoldoende in hoeverre [slachtoffer 2] in die andere situaties waarin zij seks zou hebben gehad met de verdachte verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn dat zij onvoldoende in staat was om haar wil te bepalen dan wel kenbaar te maken of weerstand te bieden aan de verdachte.

Ten aanzien van feit 5:

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] , heeft verklaard dat zij de buurman [medeverdachte 1] moest pijpen van de verdachte. Zij hoefde [medeverdachte 1] alleen maar te pijpen als haar vader er bij was. [slachtoffer 1] zegt dat zij drie of vier keer bij [medeverdachte 1] is geweest met de verdachte.

[medeverdachte 1] heeft bekend dat hij meermalen door [slachtoffer 1] is gepijpt in Opperdoes. Hij verklaart dat het kan kloppen dat dit drie à vier keer heeft plaatsgevonden. [slachtoffer 1] was eerst de verdachte aan het pijpen, daarna ging ze hem pijpen en toen hij hem niet omhoog kreeg ging [slachtoffer 1] weer verder met het pijpen van de verdachte. [medeverdachte 1] kan zich nog herinneren dat de verdachte tegen [slachtoffer 1] zei, dat zij bij de buurman een vol zaadmondje moest gaan halen.

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat de handelingen tussen hem en [slachtoffer 1] hebben plaatsgevonden in de periode februari/maart 2010 en dat het contact tussen hem en de verdachte half april 2010 is verbroken.

De moeder van [slachtoffer 1], [moeder slachtoffer 1], verklaart in haar aangifte dat [slachtoffer 1] in de auto uit zichzelf vertelde dat zij ook de buurman [medeverdachte 1] moest pijpen. De rechtbank heeft in dit verband ook acht geslagen op het rapport van Van Oorsouw waarin deze aangeeft dat kinderen over het algemeen terughoudend zijn bij het verklaren over seksueel misbruik, vooral als de dader een familielid is, als er bedreigingen worden geuit door verdachte, en als er veel schaamte over het misbruik is. Wanneer kinderen eenmaal beginnen te verklaren over het misbruik, zo is uit onderzoek gebleken, is het zeldzaam dat later blijkt dat deze verklaring verzonnen is.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode meermalen medeplichtig is geweest aan het seksueel binnendringen van [slachtoffer 1] door [medeverdachte 1], door [slachtoffer 1] aan [medeverdachte 1] aan te bieden.

Ten aanzien van feit 6:

[slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] , heeft verklaard dat zij heeft deelgenomen aan seksuele handelingen tussen [medeverdachte 2] en de verdachte. [slachtoffer 1] geeft aan dat zij van haar vader haar vinger in de plasser van [medeverdachte 2] moest steken.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij op een avond, toen zij bij [medeverdachte 1] woonde, bij de verdachte in Opperdoes langsging en op zijn initiatief seks met de verdachte heeft gehad. Tijdens de seks tussen [medeverdachte 2] en de verdachte kwam [slachtoffer 1] de kamer binnen. De verdachte zei tegen [slachtoffer 1] dat zij zich moest uitkleden en dat ze tegen [medeverdachte 2] aan moest gaan liggen. [medeverdachte 2] en [slachtoffer 1] waren op dat moment allebei naakt. Vervolgens hebben [medeverdachte 2] en de verdachte seks gehad. Tijdens de seks moest [slachtoffer 1] van de verdachte een vinger in de anus van [medeverdachte 2] steken. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij er zeker van is dat [slachtoffer 1] haar vinger in haar anus heeft gestoken en niet in haar vagina, omdat [medeverdachte 2] – op het moment dat [slachtoffer 1] haar vinger bij haar naar binnen stak – vaginaal door de verdachte werd gepenetreerd.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat zij [medeverdachte 1] heeft leren kennen in februari 2010 en dat het laatste seksuele contact tussen haar en de verdachte in april 2010 is geweest.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte in de ten laste gelegde periode medeplichtig is geweest aan het plegen van ontucht door [medeverdachte 2] met [slachtoffer 1], door [slachtoffer 1] aan [medeverdachte 2] aan te bieden.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 september 2008 tot en met 31 augustus 2010 op verschillende tijdstippen te Sijbekarspel en/of Opperdoes, gemeente Medemblik en/of te Garderen, gemeente Barneveld, telkens met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, al dan niet na het toedienen of verstrekken van verdovende en/of bedwelmende middelen aan die [slachtoffer 1], handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte

-zich doen pijpen door die [slachtoffer 1] en

-die [slachtoffer 1] gevingerd en

-die [slachtoffer 1] tongzoenen gegeven en

-die [slachtoffer 1] gebeft en

-zijn penis geduwd/gebracht tegen de vagina van die [slachtoffer 1] en

-zich doen aftrekken door die [slachtoffer 1] en

-die [slachtoffer 1] gedwongen haar vinger in zijn anus te steken en

-zijn penis doen betasten door die [slachtoffer 1] en

-de borsten van die [slachtoffer 1] betast en

-zich afgetrokken in het bijzijn van die [slachtoffer 1];

3.

hij in de periode van 1 februari 2009 tot en met 31 augustus 2010 op verschillende tijdstippen te Opperdoes, gemeente Medemblik, en te Garderen, gemeente Barneveld, in elk geval in Nederland, telkens

zijn dochter [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, te weten door die [slachtoffer 1] verdovende en/of bedwelmende middelen toe te dienen of te verstrekken, waarvan hij wist dat die ander zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handelingen, terwijl die ander de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van zijn dochter [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], met een derde tegen betaling, terwijl die ander de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, immers heeft verdachte geld ontvangen nadat mannen seksuele contacten hadden gehad met die [slachtoffer 1];

4.

Subsidiair

hij in de periode van 1 mei 2010 tot en met 31 augustus 2010 te Garderen, gemeente Barneveld, met [slachtoffer 2], van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer 2] in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, dat die [slachtoffer 2] onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], hebbende verdachte

-zijn penis gebracht in de mond van die [slachtoffer 2] en

-zijn penis gebracht in de vagina van die [slachtoffer 2];

5.

[medeverdachte 1] in de periode van 1 februari 2010 tot en met 30 april 2010 op verschillende tijdstippen te Opperdoes, gemeente Medemblik, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende die [medeverdachte 1] zich telkens laten pijpen door die [slachtoffer 1],

tot het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door zijn dochter [slachtoffer 1] aan die [medeverdachte 1] voor het hebben van seks aan te bieden;

6.

[medeverdachte 2] in de periode van 1 februari 2010 tot en met 30 april 2010 te Opperdoes, gemeente Medemblik, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum], die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit

-het laten steken van een vinger van die [slachtoffer 1] in haar anus en

-het geheel ontkleed liggen tegen het geheel naakte lichaam van die [slachtoffer 1],

tot het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door zijn dochter [slachtoffer 1] voor het hebben van seks aan die [medeverdachte 2] aan te bieden.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd, de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4 subsidiair:

Met iemand van wie hij weet dat zij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Ten aanzien van feit 5:

Medeplichtigheid aan het met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 6:

Medeplichtigheid aan het met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

7. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

8.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

8.2 Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit.

8.3 Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede op grond van de persoon van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek op de terechtzitting en het Uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, gedateerd 9 november 2010. Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de over de verdachte uitgebrachte rapportages te weten het Psychiatrische Pro Justitia Rapport, gedateerd 6 mei 2011, opgesteld door A.C. Bruins, psychiater en het over de verdachte uitgebrachte beknopte reclasseringsrapport, gedateerd 10 november 2010, van G. Lautenberg, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diverse vormen van ernstig seksueel misbruik. De verdachte heeft, al dan niet na toediening of verstrekking van verdovende en/of bedwelmende middelen, gedurende langere tijd vergaande seksuele handelingen met zijn dochter [slachtoffer 1] gepleegd en haar seksueel geëxploiteerd. [slachtoffer 1] was op het moment dat het seksueel misbruik begon tien jaar oud. Voorts heeft de verdachte [slachtoffer 1] aangeboden aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor het hebben van seks.

Daarnaast heeft de verdachte na verstrekking van verdovende en/of bedwelmende middelen seksuele handelingen verricht met zijn stiefdochter [slachtoffer 2].

De rechtbank is op grond van de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten van oordeel dat slechts een straf die vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt, passend is.

Bij de bepaling van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank in aanmerking genomen de zeer jonge leeftijd van [slachtoffer 1], de duur van het misbruik, de vergaande seksuele handelingen die de verdachte met haar heeft verricht en de grote hoeveelheid verdovende en/of bedwelmende middelen die de verdachte [slachtoffer 1] heeft toegediend of verstrekt. Voorts rekent de rechtbank het de verdachte zwaar aan dat de feiten zijn gepleegd ten opzichte van zijn eigen dochter en met name in de woning waar hij met [slachtoffer 1] woonde, derhalve op een plek waar zij zich bij uitstek veilig hoorde te voelen. De verdachte heeft op zeer ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn jonge dochter, zijn ouderlijke zorgplicht en verantwoordelijkheid jegens haar op grove wijze geschonden en haar de mogelijkheid van een ongestoorde ontwikkeling (in seksueel opzicht en ook anderszins) ontnomen.

Tevens heeft de verdachte, terwijl hij op de hoogte was van het feit dat [slachtoffer 2] door negatieve ervaringen in het verleden in sociaal/psychisch opzicht kwetsbaar was seks met haar gehad terwijl hij wist dat zij door de inname van verdovende middelen niet goed in staat was om haar wil kenbaar te maken. Aldus heeft hij op uiterst laakbare wijze misbruik gemaakt van de omstandigheden.

De verdachte heeft, zonder enige compassie, de bewezen verklaarde feiten gepleegd ter bevrediging van zijn eigen seksuele lusten en daarbij ernstig misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de slachtoffers in hem, als (stief)vader, stelden. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke feiten vaak grote gevolgen kunnen hebben voor de slachtoffers, waarbij tevens sprake kan zijn van ernstige en zeer langdurige psychische schade. Blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring die [slachtoffer 2] op de zitting heeft voorgelezen alsmede uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer 1] blijkt dat dit in deze zaak ook het geval is.

Daarnaast rekent de rechtbank het de verdachte zeer aan, dat hij – blijkens het in een proces-verbaal van bevindingen weergegeven telefoongesprek tussen de verdachte en [slachtoffer 1] – zelfs vanuit het huis van bewaring nog heeft getracht psychische druk op [slachtoffer 1] uit te oefenen met het doel om [slachtoffer 1] er toe te brengen haar reeds afgelegde belastende verklaring in te trekken. Hieruit blijkt dat de verdachte enkel uit eigen belang heeft gehandeld, zonder daarbij rekening te houden met het loyaliteitsconflict waar hij [slachtoffer 1] mee heeft geconfronteerd.

De rechtbank komt tot een lagere vrijheidsstraf dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank houdt er rekening mee dat de verdachte van een tweetal feiten zal worden vrijgesproken.

Al het voorgaande in overweging nemende acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en geboden.

9. Vordering van de benadeelde partijen

9.1 Vordering van [slachtoffer 1]

De wettelijke vertegenwoordiger (moeder) van de benadeelde partij [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum] (hierna ook te noemen: het slachtoffer), heeft via haar gemachtigde, mr. E.M. Hoorenman, advocaat te Zwaag, vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak met betrekking tot de ten laste gelegde feiten bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering van € 148.676,53 als vergoeding van de materiële schade (vergoeding voor studievertraging, verlies aan verdienvermogen, verlies aan pensioenopbouw en vergoeding in verband met de seksuele exploitatie van [slachtoffer 1]) en € 20.000,- als voorschot op de immateriële schade. Ten slotte wordt gevorderd het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade en vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.

Daarbij heeft de benadeelde verzocht om storting van de vergoeding op een BEM-rekening en om toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering ter zake van de materiële schade. De gevorderde immateriële schade kan geheel worden toegewezen, nu deze voldoende is onderbouwd. De officier van justitie heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.1.2 Standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging vrijspraak bepleit en daarmee ook de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van de materiële kosten eveneens beroepen op de niet-ontvankelijkheid, omdat de vaststelling van de diverse schadeposten zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman geen standpunt ingenomen.

9.1.3 Oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij in ieder geval voor een deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Voor de begroting van de materiële schade is noodzakelijk dat deze is geleden of dat redelijkerwijs komt vast te staan dat deze zal worden geleden. De uitdrukkelijk herhaalde stelling van de benadeelde partij dat zij door de gebeurtenissen een jaar studievertraging op de basisschool heeft opgelopen, wordt afdoende onderbouwd door de verklaring in de brief van 16 januari 2012 van het Kinder- en Jeugdtraumacentrum te Haarlem. Bij de berekening van de vergoeding voor die vertraging volgt de rechtbank de richtlijnen van de Letselschade Raad, zoals deze golden in 2011, het jaar waarin de schade werd geleden. Het gevorderde bedrag van € 5.490,- is op grond daarvan toewijsbaar.

Dat het slachtoffer ook tijdens het voortgezet onderwijs studievertraging zal oplopen, is op dit moment nog allerminst duidelijk, in ieder geval onvoldoende duidelijk om reeds nu een vergoeding toe te kunnen wijzen wegens de eventueel nog op te lopen vertraging. Dat deel van de vordering is daarom niet toewijsbaar.

Dit geldt ook voor de vorderingen met betrekking tot het verlies aan verdienvermogen en het verlies aan pensioenopbouw. Daarvan is op dit moment niet vast te stellen dat die schade zal worden geleden en evenmin hoe groot die schade dan zal zijn, zelfs niet bij benadering. De vaststelling van de diverse schadeposten zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in deze onderdelen van de vordering. Te zijner tijd staat voor de benadeelde partij de weg via de civiele rechter open.

De rechtbank acht de door verdachte ontvangen vergoeding voor de seksuele diensten van zijn dochter geen schade die door het slachtoffer is geleden als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit. Anders dan in de rechtspraak erkende vergoedingen gaat het hier niet om overeengekomen prostitutie, waarvan de aan de prostituee toekomende vergoeding niet aan haar wordt uitbetaald.

Daarom zal dit deel van de vordering worden afgewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade geldt dat het een algemene ervaringsregel is dat slachtoffers van feiten zoals door de rechtbank bewezen verklaard schade ondervinden. Dat geldt hier temeer, nu het gaat om een meisje van tien/elf jaar. De benadeelde partij heeft gesteld dat zij ten gevolge van het feit psychische schade heeft geleden. Deze schade wordt onderbouwd door een verklaring van 7 juli 2011 van het Kinder- en Jeugdtraumacentrum in Haarlem, waaruit onder meer het volgende blijkt:

- het slachtoffer heeft nog steeds last van de beelden van wat zich heeft afgespeeld, slaapt slecht en droomt er regelmatig van;

- ze is op school erg moe, als gevolg van tekort aan (nacht)rust;

- ze heeft last van loyaliteitsconflicten;

- het slachtoffer volgt een individuele training en neemt deel aan een groepsbehandeling voor kinderen die seksueel misbruik hebben meegemaakt.

Bij de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met de volgende factoren:

- het slachtoffer was ten tijde van het misbruik tien en elf jaar oud;

- het misbruik werd gepleegd door haar vader;

- het misbruik heeft gedurende een langere periode van twee jaar regelmatig plaatsgevonden;

- de aard van het misbruik heeft een zeer ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer opgeleverd;

- het slachtoffer was in ieder geval een aantal malen gedrogeerd door verdachte, haar vader;

- het slachtoffer heeft ook seksuele handelingen moeten verrichten met andere mannen;

- het slachtoffer is op deze wijze beroofd van haar natuurlijke eerste eigen seksuele ervaringen, terwijl te verwachten is dat zij – in ieder geval nog geruime tijd – moeite zal hebben op het relationele vlak;

- het slachtoffer heeft een seksueel overdraagbare aandoening opgelopen (chlamydia).

De rechtbank begroot de immateriële schade op grond van de thans bekende gegevens en met inachtneming van de jurisprudentie op een bedrag van € 20.000,-.

De rechtbank zal zodoende de vordering toewijzen tot een bedrag van € 25.490,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2010, de datum van de melding bij de politie van de strafbare feiten, nu niet kan worden vastgesteld dat voormelde schade eerder is geleden.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. Voor de toewijzing van de proceskosten zal de rechtbank aanknopen bij het forfaitaire kantongerecht liquidatietarief, zoals dat in civielrechtelijke zaken wordt toegepast, gekoppeld aan het toegewezen bedrag. In dit geval is dat tarief vastgesteld op € 400,-. Voor de verrichte werkzaamheden worden twee punten toegekend, namelijk één punt voor het opstellen en indienen van het voegingsformulier en één punt voor het bijwonen van de behandeling ter zitting, zodat de rechtbank als proceskosten zal toewijzen een bedrag van € 800,-.

9.2 Vordering van [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum] (hierna ook te noemen: het slachtoffer), heeft via haar gemachtigde, mr. J.W.E. Groot, advocaat te Grootebroek, vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak met betrekking tot de ten laste gelegde feiten bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering van € 5.141,- als vergoeding van de materiële schade en € 4.000,- als voorschot op de immateriële schade. Daarbij heeft de benadeelde verzocht om toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Ter zitting heeft de gemachtigde de vordering ter zake van de materiële schade aangevuld met een bedrag van € 75,73, zodoende in totaal € 5.216,73. Bovendien wordt de vergoeding van de wettelijke rente gevorderd.

9.2.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ter zake van de materiële en immateriële schade integraal kan worden toegewezen, nu deze voldoende is onderbouwd. De officier van justitie heeft verzocht het toe te wijzen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9.2.2 Standpunt van de verdediging

Primair heeft de verdediging vrijspraak bepleit en daarmee dus ook de afwijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Subsidiair heeft de verdediging zich ten aanzien van de vordering eveneens beroepen op de niet-ontvankelijkheid, omdat de vaststelling van de diverse schadeposten zou leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces.

9.2.3 Oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het grootste deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

De rechtbank dient te beoordelen of en in hoeverre de door de benadeelde partij opgegeven schade een rechtstreeks gevolg is van het in dit vonnis onder 4 bewezen verklaarde feit.

Ten aanzien van de posten medische kosten en creatieve therapie is dat het geval. Die kosten zijn bovendien voldoende onderbouwd. Mede gelet op het feit dat deze kosten slechts in algemene zin zijn betwist, kan daarom een bedrag van € 545,73 worden toegewezen.

De post reiskosten ziet op de vergoeding voor de reiskosten naar politie, advocaat en therapie. De rechtbank kan in verband met het geheime adres van de benadeelde partij de daadwerkelijke gereisde afstand niet precies bepalen. Ook kan niet precies worden beoordeeld in hoeverre de gevolgde therapie het gevolg is geweest van het onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit; het slachtoffer was immers ook al vóór het contact met verdachte onder behandeling van GGZ en de recent door haar gevolgde therapie lijkt mede betrekking te hebben op het ten laste gelegde feit 2, waarvan verdachte zal worden vrijgesproken.

Daarom zal deze post niet geheel worden overgenomen. De rechtbank begroot de schade op dit punt schattenderwijs op een bedrag van € 1.000,- dat zal worden toegewezen. Het meer gevorderde zal worden afgewezen.

De vordering ter zake van de niet door verdachte afgedragen inkomsten ziet op feit 2, waarvan verdachte zal worden vrijgesproken. Daarom zal de benadeelde partij in dat onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van de immateriële schade geldt dat het een algemene ervaringsregel is dat slachtoffers nog geruime tijd schade ondervinden van het feit zoals door de rechtbank bewezen verklaard. De benadeelde partij stelt ook dat zij ten gevolge van het feit psychische schade heeft geleden. Uit de overgelegde stukken blijkt dat zij al geruime tijd therapieën volgt in verband met een posttraumatische stressstoornis.

Bij de begroting van de immateriële schade heeft de rechtbank rekening gehouden met de volgende factoren:

- het misbruik heeft plaatsgevonden door haar stiefvader;

- het gaat om indringende seksuele handelingen van de verdachte;

- het misbruik vond plaats nadat het slachtoffer door verdachte door middelen (in ieder geval GHB) onder invloed was gebracht;

- het slachtoffer was in verband met andere omstandigheden al een kwetsbaar persoon.

De rechtbank begroot de immateriële schade op grond van de thans bekende gegevens en vergeleken met min of meer soortgelijke gevallen op een bedrag van € 2.000,-. De benadeelde partij heeft haar vordering van € 4.000,- op dit punt onderbouwd door te stellen dat zij nog steeds psychische schade lijdt als gevolg van het incident. Dat wordt echter niet gestaafd door bescheiden, zoals bijvoorbeeld door een verklaring van een arts. Om tot een goed gemotiveerd oordeel op dit punt te komen, zou een nader (psychologisch of psychiatrisch) onderzoek van het slachtoffer noodzakelijk zijn. Daarbij zou aan de orde moeten komen of en zo ja in hoeverre de door het slachtoffer geleden schade het gevolg is geweest van het onder 3 bewezen verklaarde feit. Uit de schriftelijke verklaring van 29 maart 2011 van haar therapeut blijkt dat de affectieve verwaarlozing in de voorgeschiedenis van het slachtoffer en het feit dat sprake is van een gering steunsysteem daarbij complicerende factoren zijn. Een dergelijk nader onderzoek zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarom in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal zodoende de vordering toewijzen tot een bedrag van € 3.545,73, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2010, de datum waarop de onrechtmatige daad heeft plaatsgevonden.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken, tot heden begroot op nihil.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelden.

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 48, 57, 243, 244, 247 en 273f van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. Beslissing

De rechtbank:

• Verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

• Verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 3, 4 subsidiair, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek DE STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

• Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 7 (zeven) jaren.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

• Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], geboren [geboortedatum], tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 25.490,- (vijfentwintigduizend vierhonderdnegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2010 tot de dag der algehele voldoening, als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op € 800,- (achthonderd euro).

Wijst af de vordering af tot een bedrag van € 10.000,- (tienduizend euro), bestaande uit de gevorderde vergoeding voor de verdiensten van [slachtoffer 1].

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk in de vordering.

• Bepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding zal worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen spaarrekening met een BEM-clausule.

• Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 25.490,- (vijfentwintigduizend vierhonderdnegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2010 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 162 (honderdtweeënzestig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

• Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2], geboren [geboortedatum] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 3.545,73 (drieduizend vijfhonderdvijfenveertig euro en drieënzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2010 tot de dag der algehele voldoening, als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering ter zake van immateriële schade voor zover deze meer dan € 2.000,- bedraagt.

Wijst af wat meer of anders is gevorderd.

• Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] te betalen een som geld ten bedrage van € 3.545,73 (drieduizend vijfhonderdvijfenveertig euro en drieënzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 mei 2010 tot de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. A.C. Haverkate en mr. E.J.M. Tuijp, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 maart 2012.