Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV9403

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
11/1642
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeken om tegemoetkoming in door grauwe ganzen aangerichte schade afgewezen, omdat sprake is van natuurpacht. Geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan, ondanks aanwezigheid van dwingende weigeringsgrond, toch een tegemoetkoming had moeten worden verleend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: 11/1642 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2012 in de zaak tussen

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. L.J. van Pelt),

en

het bestuur van het Faunafonds, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 20 juli 2010 en van 6 december 2010 heeft verweerder de verzoeken van eiser om een tegemoetkoming in de door grauwe ganzen op percelen van eiser aangerichte schade afgewezen. Eiser heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 mei 2011 heeft verweerder het tegen het besluit van 6 december 2010 door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. N.G.M. Spanjer en [naam].

Overwegingen

1. Eiser pacht van de Stichting Landschap Noord-Holland percelen weideland in de gemeente Schermer. Deze percelen zijn gelegen in het natuurreservaat [naam natuurreservaat]. Op 14, 28 en 30 juli 2010 heeft eiser verzoeken ingediend om een tegemoetkoming in de schade op een aantal van deze percelen, veroorzaakt door grauwe ganzen.

Bij besluit van 20 juli 2010 heeft verweerder het schadeverzoek van 14 juli 2010 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser op 5 augustus 2010 bezwaar gemaakt. Op 6 december 2010 heeft verweerder de schadeverzoeken van 28 en 30 juli 2010 afgewezen. In dit besluit heeft verweerder echter eveneens opnieuw afwijzend beslist op het verzoek van 14 juli 2010. Ook tegen dat besluit is bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 20 mei 2011 ongegrond is verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet bevoegd was om bij het besluit van 20 mei 2011 op het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van het schadeverzoek van 14 juli 2010 te beslissen. Nu verweerder immers reeds bij besluit van 20 juli 2010 in primo op dat verzoek had beslist, dient het besluit van 6 december 2010 - waar het gaat om het schadeverzoek van 14 juli 2010 - als een beslissing op bezwaar te worden aangemerkt. Verweerder had derhalve het tegen het besluit van 6 december 2010 gerichte bezwaarschrift - voor zover dat bezwaarschrift betrekking had op het verzoek van 14 juli 2010 - aan de rechtbank dienen door te zenden ter behandeling als beroepschrift. Aangezien het bestreden besluit in zoverre onbevoegd is genomen, is het beroep gegrond en zal het besluit van 20 mei 2011, voor zover daarin is beslist op het bezwaar tegen de afwijzing van het schadeverzoek van 14 juli 2010 bij besluit van 6 december 2010, worden vernietigd.

2. Nu het besluit van 6 december 2010 als een beslissing op bezwaar dient te worden aangemerkt, voor zover het betreft het schadeverzoek van 14 juli 2010, zal de rechtbank het daartegen gerichte bezwaar behandelen als een ontvankelijk beroep. Daarnaast dient de rechtbank te beoordelen of de beslissing op bezwaar van 20 mei 2011 in stand kan blijven, voor zover het de schadeverzoeken van 28 en 30 juli 2010 betreft.

3. In artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (de Ffw)

- voor zover hier van belang - is bepaald dat het Faunafonds tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

In artikel 84, eerste lid, van de Ffw is bepaald dat een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts wordt verleend voor zover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder h, sub I, van de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (de Regeling) - zoals deze luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit - wordt geen tegemoetkoming verleend indien schade is aangericht op gronden waarvoor met een pachtovereenkomst ingevolge artikel 7:388 van het Burgerlijk Wetboek (het BW; verpachting binnen reservaten) is afgesloten.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Regeling kan het bestuur van het Faunafonds in bijzondere gevallen besluiten, in afwijking van hetgeen in dit artikel is bepaald, een tegemoetkoming te verlenen.

4. Aan de weigering om eiser een tegemoetkoming in de schade te verstrekken heeft verweerder het bepaalde in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder h, sub I, van de Regeling ten grondslag gelegd. Aan de orde is of deze weigering de rechterlijke toets kan doorstaan.

Vast staat dat in dit geval sprake is van een pachtovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 7:388 van het BW (voorheen artikel 70a van de Pachtwet), een zogenoemde natuurpachtovereenkomst, zodat de in de Regeling onder artikel 9, eerste lid, aanhef en onder h, sub I, van de Regeling opgenomen weigeringsgrond voor een tegemoetkoming in de schade van toepassing is. Nu verweerder op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) is gehouden om te handelen overeenkomstig het eigen beleid, diende verweerder derhalve de verzoeken van eiser om een tegemoetkoming in de schade op deze grond af te wijzen. Dit lijdt - gelet op artikel 4:84 van de Awb en artikel 9, tweede lid, van de Regeling - slechts uitzondering in het geval dit voor eiser gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de in het beleid te dienen te doelen. Eiser heeft zich desgevraagd ter zitting op het standpunt gesteld dat in zijn geval van dergelijke bijzondere omstandigheden sprake is en dat verweerder daarom in afwijking van het beleid tot het verlenen van een tegemoetkoming in zijn schade diende over te gaan.

5. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat er in zijn geval sprake is van bijzondere omstandigheden naar voren gebracht dat de percelen waarop de schadeverzoeken betrekking hebben al jarenlang agrarisch worden gebruikt. Eiser heeft er in dit verband op gewezen dat er sprake is van een situatie van zogenoemd overgangsbeheer, waarin het aan eiser als pachter is toegestaan om met betrekking tot de percelen beheerscontracten af te sluiten. Dergelijke beheerscontracten kunnen uitsluitend worden afgesloten wanneer sprake is van agrarische gronden. Eiser heeft verder naar voren gebracht dat er rekening dient te worden gehouden met de omstandigheden waaronder hij de onderhavige natuurpachtovereenkomst heeft afgesloten. Voor de betreffende percelen werden namelijk jarenlang reguliere pachtovereenkomsten afgesloten, maar in 2005 is eiser door omstandigheden gedwongen tot het aangaan van natuurpacht in plaats van een reguliere pacht. Het is eisers bedoeling om na afloop van de huidige pachtovereenkomst wederom een reguliere pachtovereenkomst voor de betreffende percelen af te sluiten. Ten slotte heeft eiser erop gewezen dat verweerder hem tot en met het voorjaar van 2010, derhalve ook onder de huidige natuurpachtovereenkomst, tegemoetkomingen in door grauwe ganzen aangerichte schade op zijn percelen heeft verleend.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen reden heeft hoeven zien om in afwijking van het beleid eiser toch een tegemoetkoming in de schade op zijn percelen toe te kennen. Van afwijking van het beleid kan slechts sprake zijn in bijzondere gevallen waarmee bij het vaststellen van het beleid geen rekening is gehouden, derhalve alleen in gevallen die niet reeds in de beleidsregels zijn verdisconteerd. Daarvan is in dit geval geen sprake. Gelet op artikel 84, eerste lid, van de Ffw en de toelichting op de Regeling geldt immers in beginsel het uitgangspunt dat schade alleen voor vergoeding in aanmerking komt indien deze redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste hoort te blijven van degene die schade lijdt. Bij natuurpacht is dat niet het geval. Niet kan worden gezegd dat op percelen die worden gepacht van natuurterreinbeherende organisaties landbouw in volle omvang kan worden uitgeoefend. Voor dergelijke percelen heeft immers de natuurdoelstelling prioriteit en niet de landbouwactiviteit, hetgeen vaak is verdisconteerd in de pachtprijs. Bovendien gelden er voor dergelijke percelen beperkingen, onder meer met betrekking tot de toepassing van bepaalde schadebestrijdingsmaatregelen. De kans op schade door beschermde inheemse diersoorten ligt op dergelijke percelen dan ook meer voor de hand dan op reguliere percelen en dient daarom als voorzienbaar te worden aangemerkt. De schade die ontstaat op percelen gepacht van natuurterreinbeherende organisaties wordt dan ook geacht te behoren tot het bewust genomen ondernemersrisico, zodat de grondgebruiker voor deze schade niet wordt gecompenseerd.

Dat eiser de door hem gepachte percelen voor agrarisch gebruik aanwendt en in dat kader beheersovereenkomsten heeft afgesloten, is - gelet op het voorgaande - niet aan te merken als een bijzondere omstandigheid waarin verweerder aanleiding heeft moeten zien om af te wijken van het beleid. Deze omstandigheid laat immers onverlet dat er sprake is van natuurpacht, waarbij het natuur- en landschapsbehoud in principe voorop staan en landbouw in volle omvang niet mogelijk is door de beperkingen - hoe summier deze mogelijk ook zijn - die er op bepaalde punten gelden.

In de omstandigheid dat eiser zich gedwongen voelde om - in tegenstelling tot voorgaande jaren - een natuurpachtovereenkomst te sluiten, heeft verweerder evenmin reden hoeven zien om van het beleid af te wijken. Eiser moet worden geacht welbewust de natuurpachtovereenkomst te hebben afgesloten, met alle positieve, maar ook negatieve gevolgen van dien. Dat één van deze gevolgen is dat eiser niet voor een tegemoetkoming in de door hem geleden schade in aanmerking komt, is geen omstandigheid die voor rekening van verweerder dient te worden gebracht. Eiser moet worden geacht hiermee bij het afsluiten van de pachtovereenkomst rekening te hebben gehouden.

Ten slotte heeft verweerder de omstandigheid dat in de periode tot en met 2010 diverse schadeverzoeken van eiser in strijd met het beleid zouden zijn gehonoreerd evenmin hoeven aanmerken als een bijzondere omstandigheid die noopte tot afwijking van het beleid. Verweerder heeft in dit verband ter zitting onbestreden naar voren gebracht dat de aanvrager op het schadeformulier onder meer dient aan te vinken of er sprake is van een natuurpachtovereenkomst. Wanneer dat is aangevinkt, wordt er geen tegemoetkoming toegekend. Wanneer de aanvrager niet aanvinkt dat er sprake is van een natuurpachtovereenkomst, bestaat er in beginsel aanleiding om een tegemoetkoming toe te kennen voor de geleden schade. In het geval van eiser heeft zich dit volgens verweerder voorgedaan. Omdat niet bij alle door eiser ingediende schadeverzoeken duidelijk was dat er sprake was van een natuurpachtovereenkomst, heeft verweerder tot en met 2010 meermalen abusievelijk aan eiser een tegemoetkoming in de door grauwe ganzen op zijn percelen veroorzaakte schade toegekend. De rechtbank ziet geen aanleiding om deze toelichting van verweerder voor onjuist te houden. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder in zijn eerder gemaakte fouten zou moeten volharden en een tegemoetkoming in de schade zou moeten blijven verlenen, vooral nu verweerder op grond van zijn beleid gehouden is om een schadeverzoek in geval van natuurpachtovereenkomst af te wijzen.

7. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerders weigering om eiser een tegemoetkoming in de op zijn percelen door grauwe ganzen aangerichte schade toe te kennen de rechterlijke toets kan doorstaan. Het besluit van 6 december 2010, voor zover daarin het tegen de afwijzing van het verzoek van 14 juli 2010 gerichte bezwaar ongegrond is verklaard, en het besluit van 20 mei 2011, voor zover daarin het tegen de afwijzing van de verzoeken van 28 en 30 juli 2010 gerichte bezwaar ongegrond is verklaard, kunnen dan ook in stand blijven. Het tegen het besluit van 6 december 2010 gerichte beroep dient ongegrond te worden verklaard.

8. Op grond van hetgeen hiervoor onder 2 is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser voor de behandeling van zijn beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft de rechtbank de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,00. Hierbij heeft de rechtbank zowel voor het opstellen van het beroepschrift als voor het verschijnen ter zitting één punt toegekend en het gewicht van de zaak aangemerkt als gemiddeld.

9. De rechtbank ziet tevens aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 20 mei 2011, gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 mei 2011, voor zover daarin op het bezwaar van eiser tegen de afwijzing van het schadeverzoek van 14 juli 2010 is beslist;

- verklaart het beroep, gericht tegen het besluit van 6 december 2010, ongegrond;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 41,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiser redelijkerwijs gemaakte

proceskosten ten bedrage van € 874,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. P.C. van der Vlugt, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2012 te Alkmaar.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.