Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV8293

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
08-03-2012
Datum publicatie
08-03-2012
Zaaknummer
14.810331.11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersruzie tussen jongvolwassenen. Medeplegen van mishandeling door schieten vanuit auto op andere auto.

Kans op zwaar letsel van inzittenden door schieten met een gasdrukwapen met metalen balletjes aanwezig maar een aanmerkelijke kans is niet bewezen geacht.

Daarnaast verboden wapenbezit, ten dele in vereniging, meermalen gepleegd.

Voorwaardelijke gevangenisstraf en werkstraf. Tevens gedeeltelijke toewijzing van de vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelde partijen.

Samenhang met de heden onder nummer BV8292 gepubliceerde zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.810331.11 (P)

Datum uitspraak: 8 maart 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 februari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. R.J. Pardijs, advocaat te Alkmaar, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 03 juli 2011 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met een balletjespistool, althans met een wapen, metalen balletjes heeft afgevuurd op de rijdende auto waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 juli 2011 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft mishandeld een perso(o)n(en) (te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2]) door meermalen met een balletjespistool, althans met een wapen, metalen balletjes af te vuren op de rijdende auto waarin die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] zich bevonden, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] letsel heeft/hebben bekomen en/of pijn heeft/hebben ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 03 juli 2011 en/of 4 juli 2011 in de gemeente Alkmaar (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukpistool (voorzien van het logo van vuurwapenfabrikant Walther), zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 3 juli 2011 en/of 4 juli 2011 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een gasdrukpistool (merk Umarex, model Watlher CP99 Compact) en/of een gasdrukpistool (merk Umarex, model SA 177), zijnde (een) voorwerp(en) dat/die voor wat betreft zijn/hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde(n) met (een) vuurwapen(s) en/of met (een) voor ontploffing bestemde voorwerp(en) voorhanden heeft gehad;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

In de nacht van 2 op 3 juli 2011 vond een confrontatie in het verkeer plaats tussen de bestuurders en de inzittenden van twee auto’s: een Volkswagen Vento, bestuurd door verdachte [medeverdachte] en een Volkswagen Golf, bestuurd door de aangever [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]). Tijdens deze confrontatie is de auto van de aangever [slachtoffer 1] beschoten met balletjes, afkomstig uit een gasdrukpistool. Hierdoor zijn onder meer de achterruit en een zijruit van diens auto zijn vernield. De bestuurder [slachtoffer 1] en zijn medepassagier [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) zijn door het schieten beiden licht gewond geraakt.

Verdachte en zijn medeverdachte, [medeverdachte], zijn aangehouden. Onder hen zijn verschillende op vuurwapens gelijkende voorwerpen in beslag genomen.

De rechtbank dient te beoordelen door wie er is geschoten uit de auto van verdachte [medeverdachte] en of sprake is van medeplegen van het onder 1 primair ten laste gelegde. De rechtbank dient in dat kader tevens te beoordelen of sprake is van een poging tot zware mishandeling, doordat een aanmerkelijke kans bestond op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel bij de inzittenden van de auto van [slachtoffer 1].

Hetzelfde feitencomplex is subsidiair ten laste gelegd als eenvoudige mishandeling.

De overige ten laste gelegde feiten zien op de inbeslaggenomen voorwerpen.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich in haar schriftelijk requisitoir ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie voert hiertoe aan dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte samen met zijn mededader met een balletjespistool met metalen balletjes heeft geschoten op de auto van [slachtoffer 1] en dat weliswaar de kans bestond op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de inzittenden van deze auto maar dat deze kans niet aanmerkelijk is te noemen.

Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde medeplegen van mishandeling kan volgens de officier van justitie wel wettig en overtuigend worden bewezen, nu verdachte gericht heeft geschoten op de (ruiten van de) auto van [slachtoffer 1]. Volgens de officier van justitie heeft hij hierdoor de aanmerkelijke kans aanvaard dat de inzittenden van de auto geraakt zouden worden. Bovendien zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ook daadwerkelijk gewond geraakt. De rol van de medeverdachte dient volgens de officier van justitie te worden gekwalificeerd als medepleger, omdat hij een actieve bijdrage heeft geleverd aan het gepleegde geweld.

De officier van justitie acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, omdat verdachte, al dan niet samen met zijn medeverdachte, de wapens zoals genoemd in de tenlastelegging voorhanden heeft gehad. De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bij deze wapens gaat om imitatiewapens, die zeer wel gelijken op echte wapens en dat het bezit van dergelijke wapens strafbaar is gesteld in de Wet wapens en munitie.

C. Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman stelt dat verdachte in de veronderstelling was dat hij met plastic balletjes schoot op een auto en dat niet duidelijk is onderzocht wat het effect is van het schieten met een dergelijk wapen op een autoruit. De raadsman stelt dat bij het ontbreken van deze informatie moeilijk is om de kans op zwaar lichamelijk letsel vast te stellen, ook niet in de voorwaardelijk opzet constructie. De raadsman voert aan dat dit ook geldt ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

De raadsman stelt zich ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde op het standpunt dat wettig en overtuigend kan worden bewezen hetgeen is ten laste gelegd.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat door het schieten met een gasdrukwapen met metalen balletjes op een auto met vier inzittenden de kans bestaat dat een ander op zodanige wijze geraakt wordt dat daardoor zwaar lichamelijk letsel ontstaat, bijvoorbeeld indien iemand met een metalen balletje in het oog wordt getroffen of indien de bestuurder zodanig schrikt dat als gevolg hiervan een ongeval ontstaat. Uit het onderzoek ter terechtzitting is echter niet het bewijs naar voren gekomen dat die kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk te achten is. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting,

- de bekennende verklaring van verdachte tegenover de rechter-commissaris op 6 juli 2011,

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (vanaf blz. 14),

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] (vanaf blz. 32),

- het proces-verbaal van vierde verhoor van medeverdachte [medeverdachte] (vanaf blz. 69),

- het proces-verbaal van tweede verhoor van de getuige [getuige 1] (vanaf blz. 109),

- het proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige 2] (vanaf blz. 107),

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij meende dat hij met plastic balletjes heeft geschoten en dat hierdoor de ruiten van de auto niet stuk kunnen gaan en het niet mogelijk is dat hierdoor mensen gewond raken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet hebben geweten dat hij met metalen balletjes schoot. Het is immers de verdachte zelf geweest die de bij dit feit betrokken wapens en een potje met metalen kogeltjes heeft ingeleverd bij de politie . Door verdachte is verklaard dat zij vóór het schietincident met de betreffende wapens hebben geschoten in recreatiepark Geesterambacht . Hierbij komt nog dat door de verdachte tegenover de politie is verklaard dat hij samen met zijn medeverdachte [medeverdachte] op de auto van de aangevers heeft geschoten en dat hij vijf keer op de autoruit heeft geschoten voordat deze stuk ging en dat hij vervolgens is doorgegaan met schieten op die ruit .

Ten slotte overweegt de rechtbank nog het volgende.

Verdachte heeft in zijn bekennende verklaring ter terechtzitting erkend dat hij dit feit in vereniging met zijn medeverdachte heeft gepleegd. De rechtbank komt tot dezelfde slotsom , zij het dat de rechtbank niet de overtuiging heeft bekomen dat de medeverdachte, [medeverdachte], ook zelf heeft geschoten.

De medeverdachte heeft echter wel een actieve bijdrage gepleegd. Immers, nadat aangever [slachtoffer 1] met zijn auto was afgeslagen om aan het schieten te ontkomen, heeft de medeverdachte de achtervolging ingezet. Daarbij heeft hij de op en in zijn auto aanwezige optische- en geluidssignalen gebruikt. De medeverdachte heeft daardoor bewerkstelligd dat aangever [slachtoffer 1] snelheid minderde en dat verdachte de ruiten van de auto waarin aangevers zaten stuk kon schieten . De medeverdachte heeft aldus een actieve bijdrage geleverd, zodat sprake is van een gezamenlijke uitvoering. De bewuste samenwerking blijkt reeds uit de wijze waarop de gedragingen van elk van beide verdachten in aanvulling op elkaar tot het uitoefenen van het geweld hebben geleid.

De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2

Gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting;

- het proces-verbaal van tweede verhoor van verdachte (vanaf blz. 90),

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] (vanaf blz. 38);

- het proces-verbaal van wapenonderzoek door verbalisant [verbalisant 2], inclusief foto (vanaf blz. 128),

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van feit 3

Gelet op:

- de bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting,

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 3] (vanaf blz. 43),

- het proces-verbaal van wapenonderzoek door verbalisant [verbalisant 2] (vanaf blz. 114),

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij op 3 juli 2011 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk heeft mishandeld [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door meermalen met een balletjespistool metalen balletjes af te vuren op de rijdende auto waarin die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] letsel, en [slachtoffer 1] tevens pijn, hebben bekomen;

2.

hij op 3 juli 2011 en 4 juli 2011 in de gemeente Alkmaar een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukpistool (voorzien van het logo van vuurwapenfabrikant Walther), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 3 juli 2011 in de gemeente Alkmaar tezamen en in vereniging met een ander wapens van categorie I onder 7°, te weten een gasdrukpistool (merk Umarex, model Watlher CP99 Compact) en een gasdrukpistool (merk Umarex, model SA 177), zijnde voorwerpen die voor wat betreft hun vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonden met vuurwapens, voorhanden heeft gehad.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

Medeplegen van mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 80 dagen, waarvan 70 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de tijd die door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht. De officier van justitie heeft verzocht aan de proeftijd te verbinden de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen die hem zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland. De officier van justitie heeft voorts gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

De officier van justitie heeft tenslotte gevorderd het reeds geschorste bevel gevangenhouding op te heffen.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van de op te leggen straf heeft de raadsman voorts opgemerkt dat verdachte zich keurig aan het toezicht, dat hem was opgelegd als voorwaarde bij de schorsing van de voorlopige hechtenis, heeft gehouden. De raadsman verzoekt bij de strafoplegging rekening te houden met de bekennende houding van verdachte en met de drukke werkweek van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede op grond van de persoon van verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek op de terechtzitting.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft, terwijl hij als passagier in een personenauto was gezeten, in nauwe samenwerking met zijn medeverdachte, tot twee keer toe met een balletjespistool geschoten op de auto van een andere verkeersdeelnemer, waarbij ruiten van de andere auto zijn stuk geschoten en inzittenden van de andere auto gewond zijn geraakt. Dit moet voor de inzittenden van de beschoten auto een bijzonder beangstigende ervaring zijn geweest. Dat dit schieten niet heeft geleid tot ernstiger gevolgen, is een gelukkige omstandigheid die niet aan verdachte en zijn medeverdachte te danken is.

Daarnaast heeft verdachte al dan niet samen met zijn medeverdachte balletjespistolen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke op vuurwapens gelijkende voorwerpen veroorzaakt in het algemeen een gevoel van onveiligheid in de maatschappij. Door te handelen als hij heeft gedaan, heeft verdachte daaraan bijgedragen.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 25 januari 2012, waaruit blijkt dat verdachte door de kinderrechter twee maal ter zake geweldsfeiten is veroordeeld tot (deels) voorwaardelijke straffen;

het op 28 oktober 2011 uitgebrachte reclasseringsrapport, waarin de Reclassering Nederland een gedeeltelijk voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde een meldingsgebod adviseert.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat aan verdachte een werkstraf van na te melden duur dient te worden opgelegd. Bij de hoogte daarvan heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte reeds aanzienlijke gevolgen van zijn handelen heeft ondervonden, aangezien hij als gevolg van deze strafzaak van zijn concrete toekomstverwachting van werkzaamheden in de beveiliging heeft moeten afzien. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank acht het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel als stok achter de deur noodzakelijk, gelet op de impulsiviteit en de beïnvloedbaarheid van verdachte, zoals is gebleken uit het rapport van de Reclassering Nederland voornoemd.

9. Vordering van de benadeelde partijen

9.1 De benadeelde partij [slachtoffer 1], wonende te [adres en woonplaats], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 3.408,37 wegens schade die verdachte met zijn mededader aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.995,26.

De officier van justitie voert daartoe aan dat de benadeelde partij de schade met betrekking tot de ruitverwijderaar, de reparatie van de autoruiten en de expertisekosten voldoende heeft onderbouwd. De officier van justitie stelt verder dat de benadeelde partij volgens diens mededeling in een slachtoffergesprek als gevolg van de blikschade een bedrag van € 1.000,- minder heeft ontvangen voor zijn auto. De officier van justitie meent dat ook dit dit bedrag kan worden toegewezen.

De officier van justitie verzoekt de benadeelde voor het resterende deel van de vordering niet ontvankelijk te verklaren, nu de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen in verband met het ontbreken van het causale verband tussen het bewezen verklaarde en de gevorderde schade

Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat je je kunt afvragen op er sprake is van medeschuld van de benadeelde partij. Daarbij voert hij aan dat het element van waardevermindering van de auto van aangever thans een nieuw element is van de schade. De raadsman stelt subsidiair dat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van verdachte - ook al zijn andere daders daarbij betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.495,26, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2011, de dag van het ontstaan van de schade, tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank gaat daarbij uit van de kosten van de ruitverwijderaar, de geleverde materialen ter vervanging van de ruiten alsmede de expertisekosten. De rechtbank acht voorts voldoende aannemelijk dat de auto als gevolg van de blikschade in waarde is gedaald. De rechtbank stelt deze waardevermindering op basis van de thans bekende gegevens vast op minst genomen een bedrag van € 500,-.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, bij gebrek een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9.2 De benadeelde partij [slachtoffer 2], wonende te [adres en woonplaats], heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.783,07, wegens materiële en immateriële schade die verdachte met zijn mededader aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.050,-, zijnde de immateriële schade. Volgens de officier van justitie staat de causaliteit tussen de overigens gevorderde schade en het bewezen verklaarde niet vast en levert de behandeling van het overige deel van de vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding op, zodat de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.

De raadsman stelt zich primair op het standpunt dat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard in verband met de door hem bepleitte vrijspraak.

Subsidiair stelt de raadsman zich namens zijn cliënt op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende is onderbouwd en dat een rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en de ten laste gelegde feiten ontbreekt, zodat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen.

De rechtbank is van oordeel dat is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van verdachte - ook al zijn andere daders daarbij betrokken – rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot een bedrag van € 750,-, zodat de vordering tot dat bedrag kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2011, de dag van het ontstaan van de schade, tot aan de dag der algehele voldoening.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, bij gebrek aan medische onderbouwing, een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht aan de benadeelden. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 50 (vijftig) dagen.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 39 (negenendertig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarde dat:

- de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarde:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens de Reclassering Nederland te Alkmaar, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt en dat hij zich zal melden bij de Reclassering Nederland te Alkmaar op de Rubenslaan 2-6, wanneer hij hiervoor uitgenodigd wordt en dat hij zich hierna gedurende door de Reclassering Nederland bepaalde perioden zal blijven melden, zo frequent als de Reclassering Nederland dit gedurende deze perioden nodig acht.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 60 (zestig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 30 (dertig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1.495,26 (veertienhonderd vijfennegentig euro en zesentwintig cent) als schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2011, de dag van het ontstaan van de schade, tot aan de dag der algehele voldoening..

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededader is voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 1.495,26, (veertienhonderd vijfennegentig euro en zesentwintig cent), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 24 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 750,- (zevenhonderd vijftig euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2011, de dag van het ontstaan van de schade, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededader is voldaan.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] te betalen een som geld ten bedrage van € 750,- , (zevenhonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. I.M. Nusselder en mr. L. Boonstra, rechters,

in tegenwoordigheid van G.A.M. Delis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 maart 2012.