Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV7779

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-01-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
11/43
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:410, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek om handhavend op te treden tegen Coöperatieve Zaaigoed en Pootgoedtelersvereniging Z.A.P. (ZAP) wegens overtreding van geluidsvoorschriften, stofoverlast door droogmolens, stofoverlast afkomstig van op- en overslagactiviteiten op de openbare weg, parkeeroverlast, overlast van ongedierte, het ontbreken van een brandaanvalsplan, strijdigheid met voorschriften, alsmede strijdigheid met het bestemmingsplan. Het bezwaar tegen de afwijzing handhavend op te treden is deels gegrond verklaard, te weten voor zover dit ziet op overtreding van (geluids)voorschriften uit het Activiteitenbesluit. Voor het overige is het bezwaar ongegrond verklaard. Terzake de geconstateerde overtredingen zijn lasten onder dwangsom opgelegd. Het beroep richt zich tegen zowel de beslissing op bezwaar als het daarvan deel uitmakende handhavingsbesluit. Omdat eisers dit besluit hebben betwist, is in de procedure voorts betrokken het nadien genomen invorderingsbesluit, waarbij verweerder heeft beslist tot invordering van een door ZAP van rechtswege verbeurde dwangsom van € 500,00.

Het beroep is ongegrond verklaard. Niet is gebleken van een overtreding als gevolg van stofoverlast afkomstig van droogmolens dan wel van op- en overslagactiviteiten, er is geen sprake van door ZAP veroorzaakte overlast bestaande uit parkeren in de berm en er is ook geen sprake van strijd met het bestemmingsplan. Het besluit voor zover daarbij het bezwaar van eisers ongegrond is verklaard, kan – voor zover dat besluit is betwist – de toetsing in rechte doorstaan.

Ook het handhavingsbesluit, dat onderdeel uitmaakt van de beslissing op bezwaar, kan de toets in rechte doorstaan. Eisers hebben niet de conclusies betwist welke door verweerder aan de onderzoeksresultaten van zowel de Milieudienst Kop van Noord-Holland als Cauberg zijn verbonden, te weten dat sprake is van overtredingen van de geluidsnormen en dat er als gevolg daarvan aanleiding bestaat tot handhavend optreden tegen ZAP. De eigen metingen gedaan door eisers hebben op andere tijdstippen plaatsgevonden dan de metingen verricht door Cauberg en de Milieudienst en zijn niet geschied conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. De door eisers ingebrachte meetresultaten hebben voor verweerder dan ook geen aanleiding hoeven geven te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van Cauberg en de Milieudienst. De rechtbank heeft het betoog van eisers veeleer aldus begrepen dat zij stellen dat de aan het besluit verbonden dwangsommen onevenredig laag zijn. Verweerder heeft de lasten in overeenstemming met het door hem terzake gevoerd beleid vastgesteld. In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om in afwijking van dat beleid andere – te weten hogere – dwangsommen vast te stellen. De begunstigingstermijn is voorts niet onredelijk lang vastgesteld.

Ook het beroep voor zover zich dit richt tegen de invorderingsbeslissing kan niet slagen. Anders dan eisers betogen is op het meetresultaat terecht geen strafcorrectie wegens tonaal geluid toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/43

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 januari 2012 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], te [plaatsnaam], eisers,

(gemachtigde: S. Grasboer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon (voorheen gemeente Anna Paulowna), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eisers om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van Coöperatieve Zaaigoed en Pootgoedtelersvereniging Z.A.P. (ZAP) op het adres binnenhaven in [plaats], kadastraal bekend [plaatsnaam], sectie K, nummers [*], [*], [*] en [*], afgewezen.

Bij besluit van 27 oktober 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard en aan ZAP een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 2.17 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: het Activiteitenbesluit) en artikel 2.1, tweede lid, onder k, van het Activiteitenbesluit.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 15 maart 2011 heeft verweerder beslist tot invordering van een door ZAP van rechtswege verbeurde dwangsom van € 500,00. Eisers hebben dit besluit betwist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2011. Verschenen is [naam 1], bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Brouwer, [naam 2], [naam 3] en [naam 4].

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:66, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank de termijn voor het doen van uitspraak met zes weken verlengd. Nadien is de uitspraaktermijn nogmaals verlengd.

Overwegingen

1.1 Bij besluit van 27 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaar van eisers deels, te weten, ter zake van hun verzoek om handhaving vanwege geluidsoverlast, gegrond verklaard. Het primaire besluit is deels herroepen en aan ZAP is bij het bestreden besluit een last onder dwangsom opgelegd wegens de overtreding van artikel 2.17 en artikel 2.1, tweede lid, onder k van het Activiteitenbesluit.

1.2 De opgelegde lasten zijn als volgt geformuleerd:

- Wegens het overtreden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit als gevolg van het in werking zijn van de droogmolens, zal [naam 5] een dwangsom verbeuren van € 500.00 per geconstateerde overtreding. De maximale dwangsom die kan worden verbeurd is

€ 5000,00. Met het oog op het beëindigen van de overtreding wordt een begunstigingstermijn vastgesteld van twee maanden, waarbinnen de overtreding kan worden beëindigd zonder dat de dwangsom wordt verbeurd. De overtreding van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit wordt beëindigd indien de geluidsbelasting van de droogmolens binnen de inrichting overeenkomstig de geluidswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit in werking zijn en plaatsvinden.

- Wegens het overtreden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit als gevolg van de op- en overslagactiviteiten zal [naam 5] een dwangsom verbeuren van 500,00 per geconstateerde overtreding. De maximale dwangsom die kan worden verbeurd is € 5000,00. Met het oog op het beëindigen van de overtreding wordt een begunstigingstermijn vastgesteld van vier maanden, waarbinnen de overtreding kan worden beëindigd zonder dat de dwangsom wordt verbeurd. De overtreding van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit wordt beëindigd indien de geluidsbelasting van de op- en overslagactiviteiten c.q. laad- en losactiviteiten binnen de inrichting overeenkomstig de geluidswaarden van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit plaatsvinden.

- Wegens het overtreden van de zorgplicht zoals opgenomen in artikel 2.1, tweede lid, onder k van het Activiteitenbesluit, zal [naam 5] een dwangsom verbeuren van 500,00 per geconstateerde overtreding. De maximale dwangsom die kan worden verbeurd is € 5000,00. Met het oog op het beëindigen van de overtreding van artikel 2.1, tweede lid, onder k van het Activiteitenbesluit wordt een begunstigingstermijn vastgesteld van twee maanden, waarbinnen de overtreding kan worden beëindigd zonder dat de dwangsom wordt verbeurd.

De overtreding van artikel 2.1, tweede lid, onder k van het Activiteitenbesluit wordt beëindigd indien de indirecte geluidsbelasting veroorzaakt door het verkeer van goederen van en naar de inrichting overeenkomstig artikel 2.1, tweede lid, onder k van het Activiteitenbesluit in samenhang met de Circulaire de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) Laeq etmaalwaarde niet overschrijdt.

1.3 Het bezwaar is bij voornoemd besluit van 27 oktober 2010 voor het overige ongegrond verklaard, te weten voor zover eisers zijn opgekomen tegen de weigering handhavend op te treden tegen stofoverlast door droogmolens, stofoverlast afkomstig van op- en overslagactiviteiten op de openbare weg, parkeeroverlast, overlast van ongedierte, het ontbreken van een brandaanvalsplan, strijdigheid met voorschriften, alsmede strijdigheid met het bestemmingsplan.

2. De rechtbank overweegt allereerst dat eisers zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat het besluit van 27 oktober 2010 (zowel de beslissing op bezwaar van die datum, als het handhavingsbesluit dat daarvan deel uitmaakt) een onjuiste rechtsmiddelenclausule bevat, nu daarin is opgenomen dat beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Gesteld noch gebleken is evenwel dat eisers door die onjuiste rechtsmiddelenverwijzing in hun belangen zijn geschaad. Daartoe is van belang dat de Afdeling zich onbevoegd heeft verklaard op het als gevolg van de onjuiste verwijzing bij de Afdeling ingediende beroep te beslissen en het beroep ter behandeling heeft doorgezonden aan de rechtbank, waar dit inhoudelijk behandeld is en waar eisers in de gelegenheid zijn gesteld hun beroepsgronden mondeling nader toe te lichten.

Het besluit van 27 oktober 2010: beslissing op bezwaar (verzoek handhaving ZAP)

3.1 Eisers stellen dat verweerder ten onrechte meent dat geen sprake is van stofoverlast. De rechtbank kan hen daarin niet volgen en overweegt daartoe dat verweerder in de bestreden beslissing afdoende heeft gemotiveerd dat tijdens bedrijfscontroles bij ZAP door de Milieudienst Kop van Noord-Holland (hierna: de Milieudienst) geen stofoverlast afkomstig van droogmolens is geconstateerd en dat voorts alle stof-emissiepunten zijn voorzien van stoffilters. Verweerder heeft voorts aangegeven dat tijdens steekproefsgewijze controles op verschillende tijdstippen door zowel de gemeente als de Milieudienst geen stofoverlast afkomstig van op- en overslag activiteiten op de openbare weg is geconstateerd.

3.2 Eisers stellen dat het verwonderlijk is dat er op 4 en 5 september 2010 door de Milieudienst geen stofoverlast is waargenomen, aangezien er zich op die dag zeer veel vrachtverkeer van en naar de inrichting heeft begeven, hetgeen ook is bevestigd in het geluidsrapport van 22 oktober 2010 van Cauberg en Huygen raadgevende ingenieurs BV (hierna: Cauberg)

Reeds nu de metingen op specifieke tijdstippen hebben plaatsgevonden, kan die stelling niet afdoen aan de juistheid van het rapport van de Milieudienst; op het moment van controle zijn, zo blijkt uit dat rapport, geen op- en overslagactiviteiten waargenomen. Dit laat onverlet dat deze activiteiten op andere momenten mogelijk hebben plaatsgevonden; eisers hebben evenwel geen stukken overgelegd op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat de bevindingen waarop verweerder zich heeft gebaseerd niet houdbaar zouden zijn. De enkele door eisers overgelegde foto waarop een stofwolk(je) te zien is, is daartoe onvoldoende.

Eisers hebben er ter onderbouwing van hun stelling dat sprake is van stofoverlast meermaals op gewezen dat ZAP (veelal) droogt met de deuren open. Tijdens de zitting heeft verweerder genoegzaam aannemelijk gemaakt dat de veronderstelling van eisers dat door het openen van de deuren stof naar buiten wordt geblazen onjuist is; door het openen van de deuren wordt juist lucht naar binnen gezogen en daarmee de stof ook binnengehouden, nu in die ruimten sprake is van een onderdruk.

Gelet op het voorgaande kunnen eisers niet in hun stelling worden gevolgd. De beroepsgrond faalt.

4. Voor zover eisers stellen dat er als gevolg van de bedrijfsvoering van ZAP veel (internationale) chauffeurs in afwachting van een bezoek aan het bedrijf hun vrachtwagen in de berm voor de woning van eisers parkeren en er aldus sprake is van parkeeroverlast, overweegt de rechtbank allereerst dat ZAP van deze - mogelijke - overtreding van de verkeerswetgeving niet als overtreder kan worden aangemerkt. Het ligt op de weg van eisers om in voorkomend geval het ter zake bevoegd gezag te waarschuwen en het bevoegd gezag te vragen handhavend op te treden tegen een (vermeende) overtreding. De stelling van eisers ter zitting dat zij geen melding meer hebben gedaan van overlast omdat het geen zin heeft, aangezien er met klachten niets wordt gedaan, is door hen niet onderbouwd. Ook overigens biedt het dossier voor die stelling geen aanknopingspunten. Bij zijn oordeel heeft de rechtbank betrokken dat ter zitting door verweerder aannemelijk is gemaakt dat de bedrijfsvoering van ZAP is gewijzigd in die zin dat de chauffeurs nu wordt gevraagd en gelegenheid wordt geboden de vrachtwagens binnen de inrichting te parkeren om zich vervolgens te melden bij het kantoor, gelegen naast de woning van eiser. Verweerder heeft verder aangegeven dat door de gemeente en de Milieudienst regelmatig is gecontroleerd en dat tijdens die controles is gebleken dat door chauffeurs binnen de inrichting wordt geparkeerd en dat niet is gebleken dat (nog) in de berm wordt geparkeerd. Daarbij heeft verweerder er nog op gewezen dat ook van (andere) omwonenden geen klachten (meer) zijn ontvangen.

5.1 Ten aanzien van de stelling van eisers dat er sprake is van een uitbreiding dan wel een intensivering van de activiteiten en dat de huidige activiteiten derhalve niet (meer) worden beschermd door het overgangsrecht, overweegt de rechtbank als volgt.

5.2 Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan “Van Ewijcksluis 1990”. Op de onderhavige gronden rust de bestemming “Handel en Nijverheid”.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor “handel en nijverheid” aangewezen gronden bestemd voor industriële, ambachtelijke en dienstverlenende bedrijven, waarop:

a. de Hinderwet niet van toepassing is;

b. de Hinderwet wèl van toepassing is en die genoemd zijn in de klassen 1 en 2 van de bij deze voorschriften behorende “Staat van inrichtingen”, mits het geen bedrijven betreft, welke zijn genoemd in het “Besluit categorie A-inrichtingen Wet geluidhinder”(Stb. 1981 nr 167). Zoals naderhand gewijzigd (Stb. 1985, nr 551) en mits het geen garagebedrijven zijn;

met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder bedrijfswoningen, bedrijfsgebouwen en open terreinen, waaronder parkeer- , opslag-, los- en laadplaatsen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de planvoorschriften is het behoudens het bepaalde in artikel 33 leden 4 t/m 6 verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in dit plan ter plaatse aangegeven bestemming.

Ingevolge artikel 33, vierde lid, van de planvoorschriften mogen bouwwerken en gronden, welke op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan op andere wijze gebruikt zijn dan in dit plan is bepaald, als zodanig in gebruik blijven; het is verboden de bestaande afwijking op enigerlei wijze, ook naar de aard, te vergroten of te verzwaren.

Ingevolge artikel 33, vijfde lid, van de planvoorschriften is het verboden het in het vierde lid bedoelde gebruik te wijzigen in een ander van het plan afwijkend gebruik, tenzij door dit afwijkend gebruik de afwijking van het plan niet wordt vergroot.

5.3 De rechtbank stelt vast dat ten tijde van de peildatum sprake was van een met het onderhavige bestemmingsplan strijdig gebruik van de onderhavige gronden en bouwwerken. Het bedrijf, waarop de Hinderwet van toepassing was, was niet genoemd in de klassen 1 en 2 van de bij de voorschriften behorende “Staat van inrichtingen”, maar moet worden aangemerkt als een inrichting genoemd in de klasse 4.

De rechtbank stelt voorts vast, hetgeen tussen partijen ook niet in geschil is, dat de feitelijke werkzaamheden ter plaatse hier van belang op de peildatum in 1991 bestonden uit het opslaan en verwerken van zaai- en pootgoed. Van die werkzaamheden blijkt ook uit de verleende Hinderwetvergunning en de daaraan verbonden voorschriften. De op grond van de Wet milieubeheer van 23 mei 1995 verleende revisievergunning geeft geen grond voor het oordeel dat sprake was van een uitbreiding dan wel een intensivering van de activiteiten ter plaatse. Ook uit de revisievergunning volgt dat de activiteiten van ZAP ter plaatse betrekking hadden op het opslaan en bewerken van zaad- en pootgoed. Met verweerder en anders dan eisers is de rechtbank van oordeel dat de activiteiten laden en lossen, schonen en drogen van zaad en sorteren van aardappels, zoals vermeld in de aanvraag om de revisievergunning, activiteiten betreffen die worden omvat door de activiteiten opslaan en verwerken van zaai- en pootgoed.

Voor zover eisers er op wijzen dat ZAP zich thans ook bezig houdt met het vermeerderen van rassen en de verkoop van pootgoed aan klanten, overweegt de rechtbank dat onbetwist is gesteld dat die activiteiten niet ter plaatse maar bij de leden van de vereniging, dan wel op het kantoor, dan wel op enig andere locatie plaatsvinden en derhalve voor de beoordeling van de feitelijke werkzaamheden ter plaatse buiten beschouwing moeten blijven.

Verweerder heeft voorts gewezen op een bij ZAP opgevraagd overzicht van de ontvangst en afzet van zaad- en pootgoed in de periode van 1985 tot en met 2009. Het overzicht is gebaseerd op boekhoudkundige gegevens en ziet niet op de omzet maar op de hoeveelheid tonnage aan opgeslagen en verwerkt zaai- en pootgoed. Ook gelet op dit overzicht, waaruit volgt dat de hoeveelheid opgeslagen en bewerkt zaad- en pootgoed voor de peildatum lag tussen de 6.500 ton en ruim 9.100 ton en na de peildatum tussen ruim 4.100 ton en ruim 9.100 ton, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen objectieve aanwijzing dat er sprake is van een vergroting of verzwaring, ook niet naar aard, van het met het bestemmingsplan strijdig gebruik van de bouwwerken en gronden op de onderhavige locatie.

De stelling van eisers dat er sprake is van een uitbreiding dan wel een intensivering van de activiteiten en dat de huidige activiteiten derhalve niet (meer) worden beschermd door het overgangsrecht, faalt derhalve.

6. Gelet op het voorgaande is niet gebleken van een overtreding als gevolg van stofoverlast afkomstig van droogmolens dan wel van op- en overslagactiviteiten, is geen sprake van door ZAP veroorzaakte overlast bestaande uit parkeren in de berm en er is ook geen sprake van strijd met het bestemmingsplan. Het bestreden besluit van 27 oktober 2010: beslissing op bezwaar (verzoek handhaving ZAP), voor zover daarbij het bezwaar van eisers ongegrond is verklaard, kan – voor zover dat besluit is betwist – de toetsing in rechte doorstaan.

Het besluit van 27 oktober 2010: Last onder dwangsom wegens geluidsovertredingen

7. Van het bestreden besluit maakt het handhavingbesluit onderdeel uit. De aan ZAP opgelegde lasten onder dwangsom zien op geluidsoverlast als gevolg van droogmolens, geluidsoverlast als gevolg van op- en overslagactiviteiten c.q. laad- en losactiviteiten alsmede indirecte geluidshinder. Verweerders besluit ter zake is gebaseerd op het geluidsrapport van 22 oktober 2010 van Cauberg en het verslag van een bedrijfscontrole welke op 4 en 5 september 2010 is uitgevoerd door de Milieudienst Kop van Noord-Holland (hierna: de Milieudienst).

8. Uit het onderzoek, dat ziet op de bovengenoemde aspecten (droogmolens, op- en overslagactiviteiten c.q. laad- en losactiviteiten en indirecte geluidshinder) dat is uitgevoerd tijdens de oogstperiode, volgt dat tijdens de graanoogstperiode in de avondperiode sprake is van een overschrijding van de geluidsnorm door de droogventilatoren met 3 dB(A) op de woningen [adres 1] en [adres 2] en op diezelfde woningen in de nachtperiode van een overschrijding van de norm met 6 en 7 dB(A).

Tijdens de controle door de Milieudienst op 4 september 2010 is tijdens de nachtperiode voorts een overschrijding geconstateerd van 4,2 dB(A) op de woning [adres 3].

Tijdens de dagperiode in de aardappelrooiperiode is sprake van een overschrijding van de geluidsnorm met 5 dB(A) op de woningen [adres 4] en [adres 3], hoofdzakelijk veroorzaakt door het beladen van een containervrachtwagen met gedroogd en geschoond graan vanuit kisten met behulp van heftrucks ten zuiden van de graanloods.

In de dagperiode vindt een overschrijding plaats van 2 dB(A) op de woning [adres 5] door het lossen van graan direct in de stortbak van de schoner vanuit kisten met behulp van een heftruck.

Als indirecte geluidshinder, waarbij al het verkeer van mensen en goederen van en naar de inrichting in ogenschouw is genomen, waaronder ook tractoren, is in de dagperiode tijdens de graanoogstperiode 1 dB(A) overschrijding op de woning [adres 4] gemeten en in de avondperiode een overschrijding van 5 dB(A). Tijdens de aardappelrooiperiode vindt in de dagperiode een overschrijding plaats van maximaal 3 dB(A) op de woning [adres 4]. In de avondperiode wordt ten aanzien van die woning de norm met ten hoogste 5 dB(A) overschreden.

9. Op grond van het rapport van Cauberg en de verslagen van de Milieudienst heeft verweerder geconcludeerd tot een overtreding van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit in de dag- avond en nachtperiode voor geluid afkomstig van de droogmolens, op- en overslagactiviteiten en verder tot een overschrijding van artikel 2.1, tweede lid, onder k, van het Activiteitenbesluit als gevolg van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde (etmaalwaarde) in de dag- en avondperiode door verkeer van goederen van en naar de inrichting.

10.1 De rechtbank overweegt allereerst dat eisers met hun betoog in beroep dat het onderzoek van de Milieudienst Kop van Noord-Holland in het weekend heeft plaatsgevonden, dat er geen metingen zijn verricht vanuit de gevel van hun woning en dat zij ten onrechte niet zijn uitgenodigd om de metingen bij te wonen, en hun stelling dat uit hun eigen metingen blijkt dat de geluidsoverlast over langere periodes plaatsvindt dan waarvan verweerder uitgaat, niet de conclusies hebben betwist welke door verweerder aan de onderzoeksresultaten van zowel de Milieudienst Kop van Noord-Holland als Cauberg zijn verbonden, te weten dat sprake is van overtredingen van de geluidsnormen en dat er als gevolg daarvan aanleiding bestaat tot handhavend optreden tegen ZAP.

10.2 Ten aanzien van de stelling dat uit eigen metingen zou blijken dat de geluidsoverlast langere periodes achtereen plaatsvindt dan waarvan verweerder uitgaat, overweegt de rechtbank dat deze metingen op andere tijdstippen hebben plaatsgevonden dan de metingen verricht door Cauberg en de Milieudienst en dat de metingen verricht door eisers – anders dan die van Cauberg en de Milieudienst – niet conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 hebben plaatsgevonden. De door eisers ingebrachte meetresultaten hebben voor verweerder dan ook geen aanleiding hoeven geven te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van Cauberg en de Milieudienst.

11. De rechtbank begrijpt het betoog van eisers veeleer zo, ook gelet op hetgeen ter zitting is besproken, dat zij stellen dat de aan het besluit verbonden dwangsommen onevenredig laag zijn.

Verweerder heeft de hoogte van de dwangsom bepaald aan de hand van het door hem ter zake gevoerde beleid “Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen” van het Landelijk informatiepunt milieuwetgeving. De rechtbank stelt vast dat de aan de verschillende lasten verbonden dwangsommen met dat beleid in overeenstemming zijn. Met de – desgevraagde – verklaring ter zitting dat in totaal twaalf droogventilatoren in verschillende combinaties en met of zonder kachels in werking kunnen zijn, heeft verweerder afdoende gemotiveerd waarom is aangesloten bij de categorie “incidentele overtredingen” in het beleid. In hetgeen eisers naar voren hebben gebracht, waarbij de rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor onder 11.2 is overwogen ten aanzien van de meetresultaten van eisers, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om in afwijking van dat beleid andere – te weten hogere – dwangsommen vast te stellen.

12. Volgens vaste jurisprudentie dient de termijn waarbinnen de belanghebbende de tenuitvoerlegging kan voorkomen door zelf maatregelen te treffen (de zogenoemde begunstigingstermijn) redelijk te zijn. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door verweerder aan het besluit verbonden begunstigingstermijnen van twee en vier maanden, anders dan eisers betogen, niet onredelijk lang. Daartoe is mede van belang dat eisers op geen enkele wijze hebben onderbouwd dat het uitvoeren van de door verweerder – weliswaar geheel vrijblijvend – in het besluit opgenomen aanwijzingen om aan de last te kunnen voldoen, minder tijd zouden vergen dan twee, respectievelijk vier maanden.

13. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit van 27 oktober 2010, ook voor zover het beroep zich richt tegen het besluit van 27 oktober 2010: last onder dwangsom wegens geluidsovertredingen, in rechte stand houden.

Het besluit van 15 maart 2011 (verbeuring dwangsom/invorderingsbeschikking)

14. Bij besluit van 15 maart 2011 heeft verweerder beslist tot invordering van een door ZAP van rechtswege verbeurde dwangsom van € 500,00. Tijdens een controle van ZAP in de nacht van 12 op 13 februari 2011, uitgevoerd in de vorm van een geluidsmeting bij de woning [adres 4] en de woning [adres 2], is door medewerkers van de afdeling Handhaving & Juridische Zaken van de Milieudienst Kop van Noord Holland een overtreding geconstateerd van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit.

Nu eisers het besluit van 15 maart 2011 hebben betwist, heeft het onderhavige beroep, gelet op het bepaalde in artikel 5:39, eerste lid, van de Awb, mede betrekking op het besluit van

15 maart 2011.

15.1 Eisers stellen dat in de last onder dwangsom is aangegeven dat vanwege het tonale geluid op de berekeningsresultaten een strafcorrectie van 5dB(A) dient te worden toegepast op de woningen aan de [straatnaam 1] en het [straatnaam 2] en dat de invorderings-beschikking daarvan ten onrechte geen blijk geeft.

15.2 Nog daargelaten wat eisers met hun stelling beogen te bereiken, er is immers een dwangsom ingevorderd, kan de rechtbank hen daarin niet volgen. Anders dan eisers stellen, volgt uit het handhavingsbesluit en het daaraan ten grondslag liggende rapport van Cauberg niet dat een strafcorrectie dient te worden toegepast op meetresultaten bij de woningen aan het [straatnaam 2]; de strafcorrectie geldt (vanwege het tonaal geluid ter plaatse van de droogventilatoren) enkel voor de berekeningsresultaten op de toetspunten op de woningen aan de [straatnaam 1]. Tijdens de meting in de nacht van 12 op 13 februari 2011 is, zo volgt uit het stuk “controlemeting geluid” van de Milieudienst Kop van Noord-Holland van 14 februari 2011, geconstateerd dat geen geluid hoorbaar was bij de woning op het adres [adres 2]. Het geluidsniveau van 50,9 dB(A) is gemeten aan het [straatnaam 2].

Op dat meetresultaat is dan ook, gelet op het voorgaande, terecht geen strafcorrectie wegens tonaal geluid toegepast.

16. Het beroep voor zover dat zich richt tegen de invorderingsbeschikking kan dan ook niet slagen.

17. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

18. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. P.H. Lauryssen, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2012.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.