Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV7770

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
11-2560
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit, rechtsvaststelling, rechtsgevolg, leeftijdsgrens 30 jaar in artikel 2.3, derde lid, Wsf 2000, hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/2560

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 maart 2012 in de zaak tussen

[naam eiseres], te [plaatsnaam], eiseres

(gemachtigde: mr. B.B.A. Willering),

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder

(gemachtigde: mr. G.J.M. Naber).

Procesverloop

Eiseres heeft verweerder bij brief van 11 maart 2011 verzocht om vrijstelling van de ‘leeftijdslimiet’ van 30 jaar tot wanneer zij in staat is om deel te nemen aan de studie.

Bij brief van 17 juni 2011 heeft verweerder het verzoek van eiseres afgewezen.

Bij besluit van 24 augustus 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 februari 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.3, derde lid, van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) kan een studerende in aanmerking komen voor studiefinanciering tot en met de maand waarin hij de leeftijd van 30 jaren heeft bereikt.

Ingevolge artikel 11.5 van de Wsf 2000 kan onze Minister voor bepaalde gevallen de wet buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2. Eiseres, geboren op 22 oktober 1981, heeft met haar verzoek bij brief van 11 maart 2011, zonder dat op dat moment sprake was van een concrete aanvraag om studiefinanciering, met het oog op het binnen afzienbare tijd bereiken van de leeftijd van 30 jaren, beoogd een rechtsvaststelling te verkrijgen met betrekking tot eventueel toekomstige aanspraken op grond van de Wsf 2000, in het licht van vorenaangehaalde artikelen.

3. Met de brief van 17 juni 2011 heeft verweerder beoogd voornoemde rechtsvaststelling te doen plaatsvinden. Er is derhalve sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling. Aangezien eiseres onder de gegeven omstandigheden een wezenlijk en rechtstreeks belang bij het – (zo nodig) via een oordeel van de bestuursrechter – verkrijgen van duidelijkheid omtrent haar positie in relatie tot de Wsf, dient deze brief te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Daarbij is onder meer in aanmerking genomen dat het doen van een aanvraag eerst bij daadwerkelijke aanvang van een studie na het passeren van de leeftijd van 30 jaren onder omstandigheden, mede in verband met het kostenaspect, als onredelijk bezwarend dient te worden aangemerkt. Verweerder heeft eiseres derhalve terecht in haar bezwaar tegen zijn vaststelling ontvangen.

4. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat een voorwaarde voor het in aanmerking komen van studiefinanciering is dat de studerende nog niet de 30-jarige leeftijd heeft bereikt. Voor zover eiseres stelt dat zij wegens medische omstandigheden niet in staat is geweest om te studeren en zij daarmee een beroep wil doen op de hardheidsclausule heeft verweerder gesteld dat niet is gebleken dat in het geval van eiseres sprake is van zeer bijzondere omstandigheden. Verweerder heeft geconstateerd dat eiseres gedurende het onderwijsjaar 2003-2004 in aanmerking kwam voor een ‘Tegemoetkoming scholieren’. Toepassing van de hardheidsclausule is dan niet gerechtvaardigd.

5. Eiseres heeft gesteld dat het door haar ziekte voor haar onmogelijk was om voor haar 30ste levensjaar te studeren. Thans verwacht eiseres dat zij na haar 30ste wel in staat is te studeren, na het behalen van certificaten ter aanvulling van haar nog niet afgeronde HAVO-opleiding. Eiseres heeft voor haar 30ste levensjaar geen gebruik gemaakt van de gelden die bestemd zijn voor de studiefinanciering. Eiseres zou het dan ook een onredelijke hardheid vinden als zij na haar 30ste levensjaar niet alsnog de mogelijkheid krijgt om studiefinanciering te ontvangen.

6. Zoals bijvoorbeeld ook blijkt uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 27 maart 2009 (LJN:BH9310) is verweerder op grond van artikel 2.3, derde lid, van de Wsf 2000 verplicht de studiefinanciering te weigeren aan een studerende die de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt. Daarbij is in aanmerking te nemen dat de wetgever een “harde” leeftijdsgrens van 30 jaar hanteert. Het stelsel van studiefinanciering is immers een stelsel dat jonge mensen in staat moet stellen om een initiële opleiding te voltooien. Boven de 30 jaar is sprake van een individuele verantwoordelijkheid (Tweede Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26873, nr. 3. p. 9). Gelet op deze van toepassing zijnde dwingendrechtelijke bepaling van de Wsf 2000 komt eiseres dus niet in aanmerking voor toekenning van studiefinanciering nadat zij de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt.

7. In artikel 11.5 van de Wsf 2000 is aan verweerder de bevoegdheid verleend om deze wet in bepaalde gevallen buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken voor zover toepassing, gelet op het belang dat deze wet beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De hardheidsclausule biedt niet de mogelijkheid om een uitzondering te maken, indien de onverkorte toepassing van de betreffende bepaling in overeenstemming is te achten met de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet. Het betoog van eiseres dat een uitzondering moet worden gemaakt op de wet vanwege haar persoonlijke omstandigheden kan dan ook niet slagen. Alhoewel duidelijk is dat het resultaat van de strikte toepassing van de wet aanzienlijke gevolgen voor eiseres heeft, heeft verweerder zicht op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken van (zeer) bijzondere individuele omstandigheden die nopen tot het buiten toepassing laten van genoemde wettelijke bepaling.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M. Huijsmans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2012.

griffier rechter

de griffier is buiten staat deze

uitspraak te ondertekenen.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.