Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV7755

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
24-01-2012
Datum publicatie
05-03-2012
Zaaknummer
14-81036011
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Brandstichting, belaging en belediging.

Ontvankelijkheid O.M. ondanks niet tijdig gedane klacht ten aanzien van belaging. Vrijspraak belaging voor zover gericht tegen een mede-aangever.

Brandstichting, met gevaar voor goederen, bewezen. Vrijspraak ten aanzien van het duchten van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Straf

Parketnummer: 14/810360-11

Datum uitspraak : 24 januari 2012

TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord-Holland Noord, Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

10 januari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank:

- het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren;

- de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en onder het stellen van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door GGZ reclassering Palier in het rapport van 3 januari 2012;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] geheel zal toewijzen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 775,-- en de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] tot een bedrag van € 500,-- zal toewijzen te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Tevens heeft de rechtbank kennis genomen van hetgeen door de verdachte en door

mr. E.J. van Meeteren, advocaat te Schagen en raadsvrouw van de verdachte, naar voren is gebracht.

1. TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, nadat een vordering van de officier van justitie strekkende tot wijziging van de tenlastelegging is toegelaten, ten laste gelegd, dat

1.

(14/810360-11)

hij op of omstreeks 28 juni 2011 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk

brand heeft gesticht in/aan een of meer rieten mat(ten), welke mat(ten)

fungeerde(n) als omheining van de tuin/het terras van de benedenwoning van een

flatgebouw aan de [adres] terwijl daarvan gemeen gevaar voor

- het tuinmeubilair en/of de overige in die tuin/op dat terras aanwezige

goederen en/of

- die benedenwoning en/of de daaraan grenzende woning(en) en/of

- de inboedel(s) van die woning(en) en/of

- de op het/de balkon(s)/terras(sen) van die woning(en) aanwezige goederen,

in elk geval gemeen gevaar voor goederen

en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en/of levensgevaar voor de bewoner(s) van die woning(en) die zich gedurende de

nachtrust in die woning(en) bevonden,

in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

(14/106852-11)

hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 juni 2010 tot en met 21 september 2010 te Sint-Pancras, gemeente Langedijk

en/of te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk

stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer

van [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval van een ander en/of anderen,

(telkens) met het oogmerk die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], in elk geval die

ander(en) te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te

jagen, immers heeft hij, verdachte, meerdere malen, althans eenmaal

- (telefonisch) contact gezocht met die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- (daarbij) die [slachtoffer 3] uitgemaakt voor 'vuile slet' en/of 'vuile hoer' en/of

- (daarbij) onzedelijke voorstellen aan die [slachtoffer 3] gedaan en/of

- zich in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] bevonden

(door langs die woning te rijden in een personenauto);

3.

(14/106852-11)

hij op een of meer verschillende tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van

1 april 2010 tot en met 28 oktober 2010 in de gemeente Heerhugowaard, in elk

geval in Nederland, opzettelijk beledigend [slachtoffer 5], (telkens) door/middels

meerdere althans een toegezonden of aangeboden geschrift(en), heeft toegevoegd

de woorden "Somalische slet" en/of "Somalieer slet" en/of "Lelijke, vieze Somalische

slet", althans (telkens) woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zullen deze worden verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. VOORVRAGEN

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 2 betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover dit feit de heer [slachtoffer 4] betreft. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de klacht van de heer [slachtoffer 4] ontijdig is ingediend.

De raadsvrouw heeft zich beroepen op een recente uitspraak van de rechtbank Maastricht. De rechtbank neemt aan dat de raadsvrouw hiermee doelt op rechtbank Maastricht 1 juli 2011, LJN: BT6363.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie dient te worden verworpen en overweegt hiertoe het volgende.

Het bepaalde in artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering strekt ertoe te doen vaststaan dat de tot klacht gerechtigd persoon uitdrukkelijk heeft verzocht een strafvervolging in te stellen. Indien een stuk wel een aangifte maar geen verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in het eerste lid van artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering worden aangenomen, indien op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van bedoeld stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.

Mevrouw [slachtoffer 3] heeft op 21 september 2010 mede namens haar zoon [slachtoffer 4] aangifte van belaging door de verdachte gedaan. De klacht van mevrouw [slachtoffer 3] is gedateerd 28 september 2010. De klacht van de heer [slachtoffer 4] (hierna kortweg: [slachtoffer 4]) is gedateerd 7 september 2011 en valt daarmee buiten de wettelijke klachttermijn die, ingevolge artikel 66 van het Wetboek van Strafrecht, op drie maanden na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het gepleegde feit, is bepaald. Ter terechtzitting van 10 januari 2012 heeft [slachtoffer 4], als benadeelde partij aanwezig, verklaard dat hij met zijn moeder op 21 september 2010 aangifte is gaan doen (naar de rechtbank begrijpt: naar het politiebureau is gegaan om aangifte te doen) en dat hij op dat moment de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. Feitelijk is de aangifte vervolgens op bovengenoemde wijze verwerkt.

Op basis van de aangifte in samenhang met de verklaring van [slachtoffer 4] ter terechtzitting staat vast dat [slachtoffer 4] samen met zijn moeder naar het politiebureau is gegaan om aangifte van belaging te doen en dat hij dat destijds deed met de bedoeling de verdachte te doen vervolgen voor dit feit. Aldus is het verzuim om de klacht tijdig in te dienen hersteld.

De rechtbank heeft overigens vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. BEWEZENVERKLARING

3.1 De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

(14/810360-11)

hij op 28 juni 2011 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk brand heeft gesticht aan rieten matten, welke matten fungeerden als omheining van het terras van de benedenwoning van een flatgebouw aan de [adres], terwijl daarvan gemeen gevaar voor het tuinmeubilair en de overige op dat terras aanwezige goederen te duchten was;

2.

(14/106852-11)

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 juni 2010 tot en met 21 september 2010 te Sint-Pancras, gemeente Langedijk, en/of te Heerhugowaard telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer 3], telkens met het oogmerk die [slachtoffer 3] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, meerdere malen,

- telefonisch contact gezocht met die [slachtoffer 3] en

- daarbij die [slachtoffer 3] uitgemaakt voor 'vuile slet' en/of 'vuile hoer' en/of

- daarbij onzedelijke voorstellen aan die [slachtoffer 3] gedaan en

- zich in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer 3] bevonden door langs die woning te rijden in een personenauto;

3.

(14/106852-11)

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2010 tot en met 28 oktober 2010 in de gemeente Heerhugowaard, telkens opzettelijk beledigend [slachtoffer 5], telkens door toegezonden geschriften, heeft toegevoegd de woorden "Somalische slet" en "Somalieer slet" en "Lelijke, vieze Somalische slet".

3.2 Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Er is sprake van een brand gesticht aan een rieten mat rond het terras van een benedenwoning. De rechtbank is van oordeel dat naar algemene ervaringsregels kan worden gezegd dat er een kans is dat een dergelijke brand overslaat naar de woning en andere woningen die deel uitmaken van het flatgebouw. Echter, stukken die bevestigen dat de onderhavige brand van dien aard was te achten dat de kans op dit overslaan reëel was en stukken die vermelden dat er daadwerkelijk gemeen gevaar voor personen en goederen (anders dan op het terras van de desbetreffende woning) te duchten was, ontbreken in het dossier.

Bij de stukken bevindt zich een ambtsedig proces-verbaal van sporenonderzoek van

10 juli 2011 opgemaakt door brigadier van politie [verbalisant] (pag 12 ev). Hem werd verzocht een onderzoek in te stellen naar de brandoorzaak.

In dit proces-verbaal heeft de verbalisant de volgende bevindingen gerelateerd.

Aan de achterzijde van de woning aan [adres] te [woonplaats] bevond zich een overdekt terras. Op het terras stonden onder andere tuinstoelen en een tafel en een kleine tafel. Het terras was omheind met rieten matten. De brand was beperkt gebleven tot een klein deel van de rieten heining, een wit tafeltje en enkele kussentjes die op dat tafeltje lagen. Op de plaats waar de brand had gewoed bevonden zich geen technische installaties en/of goederen die brand konden veroorzaken.

De verbalisant heeft de volgende conclusie vermeld.

Een technische oorzaak waardoor de brand zou kunnen zijn ontstaan werd niet aangetroffen en is ook niet aannemelijk te achten. De brand is ontstaan door het achterlaten of bijbrengen van open vuur. Gezien het brandbeeld en de plaats waar de brand had gewoed is er vrijwel zeker sprake van brandstichting.

Op verzoek van de officier van justitie is nader onderzoek gedaan naar de gevaarzetting met betrekking tot de brand. In dit kader is door verbalisant [verbalisant] voornoemd meegedeeld dat de brand heeft plaatsgevonden op een afstand ongeveer 75 centimeter vanaf de gevel/ramen van de woning onder de overkapping van het terras.

“Indien de brand gelegenheid had gehad gekregen om zich uit te breiden waren de andere voorwerpen welke zich onder deze overkapping bevonden gaan branden. Hierbij zou een grote rookontwikkeling zijn ontstaan welke waarschijnlijk tot ontruiming van de flat zou hebben geleid” (pag. 8 ev.)

Dit brengt de rechtbank, in samenhang met de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting, tot de conclusie dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht aan de rieten omheining van het terras van de onderhavige benedenwoning, terwijl daarvan gemeen gevaar voor het tuinmeubilair en de overige op dat terras aanwezige goederen te duchten was. Niet is komen vast te staan dat daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

3.3 Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 met betrekking tot [slachtoffer 4]

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de door de verdachte gepleegde belaging gericht is geweest tegen [slachtoffer 4]. De verdachte heeft stelselmatig opzettelijk telefonisch contact gezocht met het telefoonnummer van mevrouw [slachtoffer 3] en heeft zodra dat contact tot stand was gekomen beledigende teksten uitgesproken en onzedelijke voorstellen gedaan die betrekking hadden op mevrouw [slachtoffer 3]. Ook heeft de verdachte in dat verband in zijn auto door de straat van mevrouw [slachtoffer 3] gereden. De enkele omstandigheid, dat [slachtoffer 4] als inwonende zoon van mevrouw [slachtoffer 3] meermalen de telefoon opneemt en aldus ook kennis neemt van de inhoud van de telefoongesprekken, maakt niet dat het opzet van de verdachte gericht is op [slachtoffer 4] als slachtoffer van de belaging. De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken.

4. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde:

belaging;

ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde:

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

6. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. MOTIVERING VAN DE STRAF.

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een drietal ernstige strafbare feiten. Het betreft brandstichting aan een rieten omheining rond het terras van een benedenwoning in een flat. Met dit handelen heeft de verdachte gemeen gevaar voor goederen veroorzaakt. Ook heeft de verdachte door zijn handelen onrust en angst bij de bewoners van deze benedenwoning veroorzaakt, hetgeen ook is gebleken uit de toelichting die zij als benadeelde partij op hun verzoek tot schadevergoeding hebben gegeven alsmede uit hun schriftelijke slachtofferverklaringen.

Voorts heeft de verdachte zich gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan het stalken van een vrouw. Met dit handelen heeft de verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van deze vrouw. Zij heeft het handelen van de verdachte als zeer beangstigend ervaren, hetgeen ook is gebleken uit de toelichting die zij als benadeelde partij op haar verzoek tot schadevergoeding heeft gegeven.

Het derde bewezen verklaarde feit betreft de belediging van een jonge vrouw. De verdachte gooide briefjes met beledigende teksten in haar brievenbus. Met zijn handelen heeft de verdachte deze vrouw in haar eer en goede naam aangetast.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd

20 juli 2011, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is

veroordeeld;

- het rapport van psychiatrisch onderzoek van 16 december 2011 opgemaakt door

C.A.M. van der Meijs, psychiater, onder meer inhoudende:

Er is bij betrokkene sprake van een ziekelijke stoornis: alcoholafhankelijkheid. Verder heeft betrokkene sedert zijn ontslag eind 2007 last van een chronische aanpassingsstoornis met depressieve stemming. Betrokkene heeft verder een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens; deze is gediagnosticeerd als een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische en theatrale trekken.

De genoemde stoornissen waren aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten.

Betrokkene verloor ten gevolge van zijn chronische alcoholgebruik de grenzen uit het oog.

Vanwege de aanwezige persoonlijkheidsproblematiek en de verstoorde stemming als gevolg van de chronische aanpassingsstoornis was betrokkene minder keuzevrij in zijn handelen.

Geadviseerd wordt betrokkene licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten voor de ten laste gelegde feiten - indien bewezen -.

Behandeling bij de verslavingszorg (Brijder Stichting Alkmaar) voor de alcoholafhankelijkheid van betrokkene is geïndiceerd. Daarnaast behoeft betrokkene begeleiding via een zorgmentor van de Brijder of via de forensische polikliniek van Palier, opdat hij geholpen kan worden bij het weer op orde brengen van zijn leven en het vinden van een zinvolle dagbesteding. In eerste instantie is dan wel noodzakelijk dat het huisvestingsprobleem van betrokkene wordt opgelost.

De rechtbank wordt in overweging gegeven om bij een gedeeltelijk voorwaardelijke straf als bijzondere voorwaarde te stellen dat betrokkene een verplicht reclasseringscontact bij Palier opgelegd krijgt en zich daarbij moet houden aan de aanwijzingen van de reclassering met als doel bovenstaande behandeling en begeleiding te kunnen laten plaatsvinden.

Met de conclusie in het rapport, inhoudende dat de verdachte als licht verminderd toerekeningsvatbaar is te beschouwen, kan de rechtbank zich verenigen.

- de aanvullende reclasseringsrapportage van 3 januari 2012 opgemaakt door A. Bakker,

als reclasseringswerkster verbonden aan GGZ reclassering Palier, onder meer

inhoudende:

De heer [verdachte] is na een arbeidsperiode van meer dan twintig jaar in 2007 ontslagen door zijn werkgever. Hij raakte ontwricht, depressief en zocht zijn heil in alcoholgebruik. Hij is er niet in geslaagd om voor een structureel zinvolle dagbesteding te zorgen en ook zijn er schulden. Hij komt, kijkend naar de grootte van zijn UJD, de laatste twee jaar relatief veel met justitie in aanraking, het alcoholgebruik lijkt hier debet aan.

Een behandeling in de verslavingszorg lijkt geïndiceerd. Daar betrokkene als gevolg van de delictpleging zijn woonruimte is kwijtgeraakt zal ook het verkrijgen van nieuwe woonruimte nodig zijn.

Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:

Meldplicht

Behandelverplichting

Gezien de directe samenhang van het emotioneel welzijn en het middelengebruik met het criminele gedrag van de heer [verdachte], wordt hij verplicht om zich hiervoor te laten behandelen door de Brijder Verslavingszorg en de Forensische poli van Palier.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich volledig in de reclasseringsrapportage kan vinden en dat hij behoefte heeft aan de geboden hulp en begeleiding.

Al het voorgaande in overweging genomen is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op haar plaats is onder het stellen van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in voornoemd reclasseringsrapport. Mede gelet op de omstandigheid dat de rechtbank ten aanzien van feit 1 tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, zal zij voorts de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf aanzienlijk matigen.

8. BENADEELDE PARTIJEN

8.1 [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.036,-- wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht, bestaande uit materiële schade ad € 36,-- en immateriële schade ad € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij, voor zover die een bedrag van € 786,-- betreft (bestaande uit materiële schade ad € 36,-- en immateriële schade ad € 750,--), geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 786,--, bestaande uit materiële schade ad € 36,-- en immateriële schade ad € 750,--, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte weliswaar is vrijgesproken van het veroorzaken van (levens)gevaar voor een ander, maar dat de benadeelde partij gedurende lange tijd angst voor brand heeft gehouden op grond van de naar het oordeel van de rechtbank reële gedachte dat de brand op het terras naar zijn woning had kunnen overslaan. De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade op grond van de huidige gegevens op minst genomen een bedrag van € 750,-- kan worden begroot.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.2 [slachtoffer 2]

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.000,-- wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij, voor zover die een bedrag van € 750,-- betreft, geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 750,--, bestaande uit immateriële schade, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte weliswaar is vrijgesproken van het veroorzaken van (levens)gevaar voor een ander, maar dat de benadeelde partij gedurende lange tijd angst voor brand heeft gehouden op grond van de naar het oordeel van de rechtbank reële gedachte dat de brand op het terras naar haar woning had kunnen overslaan. De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade op grond van de huidige gegevens op minst genomen een bedrag van € 750,-- kan worden begroot.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.3 [slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3], heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.025,-- wegens schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht, bestaande uit materiële schade ad € 25,-- en immateriële schade ad € 1.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij, voor zover die een bedrag van € 775,-- betreft (bestaande uit materiële schade ad € 25,-- en immateriële schade ad € 750,--), geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek BEWEZENVERKLARING onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 775,-- bestaande uit materiële schade ad € 25,-- en immateriële schade ad € 750,--, kan de vordering tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening. De rechtbank is van oordeel dat de immateriële schade op basis van de huidige gegevens begroot kan worden op minst genomen een bedrag van € 750,--. Weliswaar is de gestelde schade deels onderbouwd door overlegging van een brief van een psycholoog maar daaruit blijkt slechts dat tijdens een reeds eerder aangevangen behandeling tevens aandacht is geschonken aan de belaging.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het resterende gedeelte van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.4 [slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft vóór aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 800,-- wegens immateriële schade die de verdachte aan de benadeelde partij heeft toegebracht, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Nu ten aanzien van [slachtoffer 4] niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd, kan de benadeelde partij niet in de vordering, die betrekking heeft op dat ten laste gelegde feit, worden ontvangen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in de vordering.

9. SCHADEVERGOEDING ALS MAATREGEL

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelden. ([slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ter zake van feit 1 en [slachtoffer 3] ter zake van feit 2.)

De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

10. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 157, 266 en 285b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde algemene en bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als algemene voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat de veroordeelde zich zal gedragen naar de aanwijzingen, die de veroordeelde zullen worden gegeven door of namens GGZ reclassering Palier, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Alkmaar noodzakelijk oordeelt;

- dat de veroordeelde zich binnen 7 dagen, tussen 09.00 en 11.30 uur, volgend op zijn detentie zal melden bij GGZ reclassering Palier op het adres Drechterwaard 102 te Alkmaar en zich hierna zal blijven melden zo frequent als GGZ reclassering Palier dit gedurende bepaalde perioden nodig acht;

- dat de veroordeelde zich zal laten behandelen door de Brijder Verslavingszorg en de Forensische poli van Palier.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 786,-- (zevenhonderdzesentachtig euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] te betalen een som geld ten bedrage van € 786,-- (zevenhonderdzesentachtig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 (vijftien dagen).

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 750,-- (zevenhonderdvijftig euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2] te betalen een som geld ten bedrage van € 750,-- (zevenhonderdvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 28 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 (vijftien dagen).

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 775,-- (zevenhonderdvijfenzeventig euro) als schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3] te betalen een som geld ten bedrage van € 775,-- (zevenhonderdvijfenzeventig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 juni 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 (vijftien dagen).

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet ontvankelijk in zijn vordering.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. G.A.M. van Dijk en mr. N. Cuvelier, rechters,

in tegenwoordigheid van J.K. Krijnen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 januari 2012.