Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV7557

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
01-03-2012
Datum publicatie
02-03-2012
Zaaknummer
14.701928-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van schuld aan een verkeersongeval met dodelijke afloop.

De gegevens uit het technisch onderzoek (VOA) zijn onvoldoende controleerbaar om met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen dat verdachte te hard heeft gereden en onvoldoende afstand heeft gehouden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.701928-10 (P)

Datum uitspraak: 1 maart 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres en woonplaats],

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 februari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. A.S. ten Doesschate, advocaat te Zwolle, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

zij op of omstreeks 03 mei 2010 in de gemeente Alkmaar als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurster van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg,

Steve Bikoweg (Rijksweg N9), zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar

schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of

onoplettend, te rijden over genoemde weg,

- met een (veel) hogere snelheid dan de plaatselijke toegestane snelheid van

80 kilometer per uur en/of

- onvoldoende afstand te bewaren tot en/of in voldoende mate rekening te

houden met een voor haar, in dezelfde richting, rijdende personenauto,

met (de voorzijde van) het door haar bestuurde voertuig tegen (de achterzijde

van) die voor haar rijdende personenauto is aangereden of opgebotst, waarna

laatstgenoemd voertuig op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer is

geraakt en in aanrijding of botsing is gekomen met een tegemoet komende

personenauto die (zeer) dicht genaderd was,

waardoor de bestuurder van het door verdachte aangereden voertuig (genaamd

[slachtoffer 1]) is overleden en de bestuurder van die tegemoetkomende

personenauto ([slachtoffer 2]) zwaar lichamelijk letsel, te weten meerdere

botbreuken aan de linkeronderarm, of zodanig lichamelijk letsel werd

toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening

van de normale bezigheden is ontstaan;

Subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 03 mei 2010 in de gemeente Alkmaar als bestuurster van een

voertuig (personenauto), daarmee heeft gereden op de weg, Steve Bikoweg

(Rijksweg N9),

- met een veel hogere snelheid dan de plaatselijke toegestane snelheid van

80 kilometer per uur en/of

- onvoldoende afstand heeft bewaard tot en/of onvoldoende rekening heeft

gehouden met een voor haar, in dezelfde richting, rijdende personenauto,

met (de voorzijde van) het door haar bestuurde voertuig tegen (de achterzijde

van) die voor haar rijdende personenauto is aangereden of opgebotst, waarna

laatstgenoemd voertuig op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer is

geraakt en in aanrijding of botsing is gekomen met een tegemoet komende

personenauto die (zeer) dicht genaderd was,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie:

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het recht op een eerlijke behandeling van de zaak is geschonden. In het proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse (hierna te noemen: VOA) zijn onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie een aantal foto’s abusievelijk verwijderd hetgeen een onherstelbaar verzuim oplevert. De foto’s zijn immers van cruciaal belang voor de conclusies met betrekking tot de vermeende toedracht van het ongeval. Nu deze foto’s ontbreken is een volledige reconstructie van de toedracht van het ongeval niet meer mogelijk.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie betwist dat er sprake is van een schending van het recht op een eerlijke behandeling. Per abuis zijn er enkele foto’s verwijderd uit de VOA. Er zijn echter voldoende foto’s die resteren zodat wel degelijk een reconstructie van de toedracht van het ongeval kon worden gemaakt. De foto’s zijn voorts slechts een hulpmiddel bij de reconstructie, naast de overige bewijsmiddelen.

Beoordeling door de rechtbank:

De rechtbank stelt allereerst vast dat geen sprake is van een vormverzuim bij het opstellen van de VOA. Naar het oordeel van de rechtbank is er door het abusievelijk verwijderen van een aantal foto’s in de VOA geen ernstige inbreuk gemaakt op de beginselen van een goede procesorde. Evenmin is sprake van doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte haar recht op een eerlijke behandeling van de strafzaak tekortdoen. Het verweer van de raadsvrouw wordt daarom verworpen en het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 3 mei 2010 komt bij de politie de melding binnen van een aanrijding op de Steve Bikoweg N9 te Alkmaar, waarbij drie personenauto’s betrokken zijn. Wanneer de politie ter plaatse komt, ziet zij een drietal ernstige beschadigde auto’s, waaronder een groene Renault, gekentekend [kenteken 1], met forse schade aan de voorzijde, een grijze Dacia, gekentekend [kenteken 2] met forse schade aan de voorzijde, rechterportier en achterzijde en een grijze Citroën, gekentekend [kenteken 3] met de achterzijde in de bosschages aan de oostzijde van de Steve Bikoweg met forse schade aan de voorzijde.

Door het ongeval is de bestuurder van de groene Renault [slachtoffer 2] ernstig gewond geraakt en is de bestuurder van de Dacia, [slachtoffer 1] ter plaatse overleden. Verdachte bleek naderhand de bestuurster van de grijze Citroën. Zij verkeerde in shock

en had een zware hersenschudding of hersenkneuzing.

De rechtbank dient te beoordelen of het ongeluk te wijten is aan de schuld van verdachte in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet, dan wel of verdachte zich schuldig gemaakt heeft aan gevaarzetting als bedoeld in artikel 5 Wegenverkeerswet.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair aan verdachte ten laste gelegde feit. Op grond van de bevindingen en conclusies in het proces-verbaal VAO is zij van mening dat verdachte te hard heeft gereden, namelijk met een snelheid van ongeveer 110 km. per uur en onvoldoende afstand heeft gehouden. Daaruit volgt dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden en dat haar een verwijt gemaakt kan worden in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

C. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft gepleit tot algehele vrijspraak.

Primair heeft de raadsvrouw van verdachte daartoe aangevoerd dat het proces-verbaal VOA van het bewijs moet worden uitgesloten. Immers, in de VOA is een bepaald aantal foto’s verwijderd, terwijl deze van cruciaal belang zijn voor de conclusies met betrekking tot de vermeende toedracht van het ongeval. Nu er naast de VOA geen getuigen zijn die over de toedracht van het ongeval kunnen verklaren of het ongeval daadwerkelijk hebben gezien, is er onvoldoende bewijs om tot een veroordeling van verdachte te komen.

Voor het geval het proces-verbaal VOA door de rechtbank wordt toegelaten als bewijsmiddel heeft de raadsvrouw van de verdachte subsidiair aangevoerd dat het proces-verbaal een schriftelijk bescheid is in de zin van artikel 344, lid 1 sub 5 van het Wetboek van Strafvordering. Nu voormeld proces-verbaal niet wordt ondersteund door tenminste één ander bewijsmiddel, is er sprake van te weinig wettig bewijs voor een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegde feit en dient verdachte op die grond te worden vrijgesproken.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat uit het proces-verbaal VOA niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden afgeleid wat de precieze toedracht van het ongeval is geweest. Nu slechts technisch bewijs voorhanden is om tot een reconstructie van het ongeval te komen, te weten de VOA, dient aan dat bewijs hoge eisen te worden gesteld. In de VOA is uitgegaan van een zestal hypotheses, terwijl andere mogelijke hypotheses onbesproken zijn gebleven dan wel onvoldoende zijn onderbouwd. Bovendien is uitgegaan van onjuiste, onvolledige en onbetrouwbare informatie.

Nog meer subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat op basis van het proces-verbaal VOA niet kan worden vastgesteld dat verdachte te hard heeft gereden en onvoldoende afstand heeft gehouden tot haar voorligger, te weten de Dacia. De stelling, dat verdachte te hard zou hebben gereden, wordt uitsluitend gebaseerd op de naderhand uitgelezen airbag-data van de Dacia. De gegevens van de airbag-data zijn naar de mening van de raadsvrouw van verdachte onvoldoende betrouwbaar.

Meest subsidiair heeft de raadsvrouw van verdachte aangevoerd dat zelfs indien zou komen vast te staan dat verdachte te hard heeft gereden, dat feit niet (zonder meer) schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet oplevert of voldoende is voor het veroorzaken van gevaar in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet.

Tot slot heeft de raadsvrouw van de verdachte een vraagteken geplaatst bij het vereiste van de dubbele causaliteit. Zij voert daartoe aan dat op basis van het uitgebrachte lijkschouwingsrapport niet valt uit te sluiten dat het overlijden van [slachtoffer 1] aan een andere oorzaak dan het ongeval is te wijten.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Bij het ongeval waren drie personenauto’s betrokken. Van de drie bestuurders zijn verdachte en [slachtoffer 2] daarbij gewond geraakt en is [slachtoffer 1] ter plaatse overleden. Zowel verdachte als [slachtoffer 2] kunnen zich van de aanrijding niets meer herinneren. Overige ooggetuigen van het ongeval zijn niet bekend geworden.

Om de mate van ieders betrokkenheid in relatie tot de toedracht, de oorzaak en het gevolg van het ongeval te kunnen vaststellen, is daarom feitelijk slechts het proces-verbaal VOA beschikbaar.

Door de opstellers van de VOA is een zestal hypotheses onderzocht, waarbij de verbalisanten tot de conclusie zijn komen dat hypothese drie het met meest waarschijnlijke werd geacht, namelijk:

“De bestuurster van de Citroën reed achter de Dacia in de richting van Den Helder.De Citroën botste tegen de achterzijde van de Dacia aan, die daardoor een beweging naar links ondervond. Op de rijstrook voor het tegemoetkomende verkeer botste de Dacia tegen de Renault.”

De toedracht en het gevolg van het ongeval, zoals beschreven in hypothese drie, lijkt het meest logisch. Uit de in de VOA opgenomen gegevens (de eindposities van de betrokken voertuigen, de schades aan de voertuigen en de onderlinge sporen) kan met een voldoende mate van zekerheid worden afgeleid dat de Dacia door een achteroprijdende Citroën naar de verkeerde, linker, weghelft is gebotst, waarna de Dacia met de tegemoetkomende Renault in botsing is gekomen.

Voor een bewezenverklaring van zowel het primaire als het subsidiair ten laste gelegde feit moet echter tevens komen vast te staan dat verdachte met een (veel) hogere snelheid dan de plaatselijk toegestane snelheid van 80 kilometer per uur heeft gereden en onvoldoende afstand heeft bewaard en/of in voldoende mate rekening heeft gehouden met een voor haar, in dezelfde richting, rijdende personenauto.

Op verzoek van de regiopolitie Noord-Holland Noord heeft brigadier [brigadier] van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond als verkeersongevallenanalist onderzoek gedaan aan de data van de airbagmodule uit de bij de aanrijding betrokken Dacia. Hij concludeert onder meer dat er een aanrijding aan de achterzijde van de Dacia had plaatsgevonden en een aan de rechtervoorzijde. Bij de laatste botsing was de zij airbag rechts geactiveerd. Bovendien was de Dacia aan het remmen en was de ABS actief. Dat laatste wordt ondersteund door het gegeven uit de VOA dat het linker remlichtspiraal van de Dacia sporen vertoonde dat deze vermoedelijk had gebrand .

Verder blijkt uit het airbagonderzoek van de Dacia dat er tussen de eerste en tweede aanrijding minder dan twee seconden zat. Tijdens de eerste aanrijding reed de Dacia 84 km/u en kreeg door de aanrijding een versnelling van 22 km/u. De rechtbank merkt over dit laatste op dat niet wordt aangegeven hoe die snelheid uit de airbagdata is afgeleid. Dat laatste klemt temeer, omdat in de airbagregistratie van de tweede aanrijding wordt vastgelegd dat de Dacia op dat moment een snelheid van 81 km/u had. Weliswaar vermeldt het rapport dat de oorzaak daarvan is dat de registraties van de twee aanrijdingen in elkaar overlopen, maar dat verklaart nog niet de versnelling van 22 km/u. Bovendien is niet duidelijk hoe die versnelling zich verhoudt tot het andere resultaat van het onderzoek, namelijk dat de Dacia aan het remmen was.

In het rapport wordt opgemerkt dat de vermelde snelheden (dus die van 84 km/u en de versnelling van 22 km/u) indicatieve snelheden zijn en dat uit eerder onderzoek is gebleken dat de afwijkingen altijd lager zijn dan de daadwerkelijk gereden snelheden en dat die afwijking tussen de 5 en 10 % ligt. De aangetroffen snelheden moeten volgens de rapporteur daarom altijd worden gestaafd aan het op de ongevalslocatie aangetroffen fysieke bewijs .

Op basis van de gegevens uit het airbagonderzoek is de VOA aangevuld.

De verbalisanten komen tot de conclusie dat de Citroën met een snelheid van tussen de 110 en 120 km/u gereden moet hebben om de Dacia een versnelling van 22 km/u te geven. Hierbij wordt echter niet aangegeven volgens welke berekening men daartoe is gekomen. Voor de toepassing van de wet van behoud van energie is in ieder geval noodzakelijk dat de gewichten van de Dacia en de Citroën bekend zijn, maar die gewichten staan niet in de VOA vermeld. Bovendien wordt niet aangegeven in hoeverre er bij de uitkomst rekening is gehouden met het feit dat het regende en het wegdek daardoor glad was. Ten slotte wordt ook niet vermeld hoe het feit dat de Dacia heeft geremd zich verhoudt tot de conclusie uit de VOA.

Niet alleen moeten hoge eisen aan het technische bewijs worden gesteld, maar van even groot belang is dat de berekeningen uit de VOA objectief controleerbaar moeten zijn. Dat laatste is in deze zaak niet het geval.

De rechtbank kan zodoende niet vaststellen met welke snelheid de Citroën heeft gereden voor de botsing met de Dacia. Evenmin is daardoor op objectieve wijze vast te stellen of verdachte daarvóór onvoldoende afstand tot de Dacia heeft bewaard. Het enkele feit dat er een botsing heeft plaatsgevonden, is daarvoor onvoldoende.

Dat heeft tot gevolg dat niet is komen vast te staan dat verdachte te hard heeft gereden en ook niet dat zij onvoldoende afstand heeft gehouden tot de Dacia die voor haar reed.

Het verweer dat uit het proces-verbaal VOA niet kan worden afgeleid dat verdachte te hard heeft gereden en onvoldoende afstand heeft gehouden tot haar voorligger, slaagt dus. Daarom behoeven de andere verweren geen verdere bespreking meer.

De aan verdachte verweten gedragingen kunnen niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van het haar primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

5. Beslissing

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. G.A.M. van Dijk en mr. G.A. van der Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van D.H. Geuze, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 maart 2012.