Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV6738

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-02-2012
Datum publicatie
23-02-2012
Zaaknummer
14.701986.09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot oplichting van DSB door het aanbieden van door vroegere werknemers meegenomen klantgegevens.

Salduz-verweer gehonoreerd voor verhoren die zijn afgenomen vóór de uitspraak Salduz. Beroep op vrijwillige terugtred verworpen, omdat de rechtbank de poging al voltooid acht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.701986.09 (P)

Datum uitspraak: 16 februari 2012

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 februari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte, mr. G. van der Meij, advocaat te Katwijk aan Zee, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

zij in of omstreeks de periode van 01 maart 2008 tot en met 25 maart 2008 te Wognum, gemeente Medemblik, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de D.S.B. Bank N.V. te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag van 250.000 euro, althans enig geldbedrag, in elk geval van enig goed, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

met een of meer van haar mededader(s), althans alleen, het navolgende heeft/hebben gedaan:

zij, verdachte, en/of een van haar mededader(s) heeft/hebben in maart 2008 (telefonisch) contact opgenomen met de D.S.B.Bank - in de persoon van [naam bestuurder]- waarbij zij, verdachte, en/of een van haar mededader(s) zich heeft/hebben voorgesteld, althans bekend gemaakt als "[naam]", advocaat, optredend namens ene "Els" die oud medewerker zou zijn van het Nationaal Hypotheek Buro en/of welke "Els" melding wilde doen van het feit dat er door het Nationaal Hypotheek Buro massaal klanten van de D.S.B. Bank werden/worden benaderd teneinde deze klanten over te halen tot het oversluiten van DSB-producten

en/of

dat het Nationaal Hypotheek Buro dit zou doen op basis van, althans met gebruik making van (geheime en/of vertrouwelijke) klant- en/of relatiegegevens afkomstig van de DSB-Bank

en/of

dat door haar, verdachte, en/of een van haar mededader(s) werd aangegeven dat deze "Els", aanvankelijk van plan was deze klant- en/of relatiegegevens te willen verkopen aan een ander maar dat hij, die "[naam]", dat heeft kunnen tegenhouden omdat deze klant- en/of relatiegegevens rechtmatig aan de D.S.B.-Bank toebehoorden

en/of

(daarna) heeft/hebben zij, verdachte, en/of een van haar mededader(s) aan die [naam bestuurder] te kennen gegeven dat een afspraak diende te worden geregeld waarbij door haar, verdachte, en/of een van haar mededader(s) een "steekproef" van die klanten- en/of relatiegegevens aan die [naam bestuurder] zou worden overhandigd, althans afgegeven en/of zou worden getoond,

en/of

(vervolgens) heeft/hebben zij, verdachte, en/of een van haar mededader(s) - vermomd met een pruik - zich begeven naar café/restaurant "[naam café]" te Wassenaar waarbij zij, verdachte, en/of een van haar mededader(s) zich heeft/hebben voorgedaan en/of voorgesteld als "Els" aan voornoemde [naam bestuurder] en/of (waarbij) zij, verdachte, en/of een van haar mededaders -aan die [naam bestuurder]- heeft aangegeven dat de DSB Bank hun "eigen" gegevens konden (terug)kopen tegen een bedrag van 250.000 euro, althans tegen enig geldbedrag

en/of

(daarbij) heeft zij, verdachte, en/of een van haar mededader(s) aan die [naam bestuurder] een cd, althans een gegevensdrager gegeven ter ondersteuning van, althans om [naam bestuurder] en/of de DSB Bank een en ander te kunnen laten checken

en/of

(waarbij) zij, verdachte, en/of een van haar mededader(s) heeft/hebben aangegeven dat die [naam bestuurder] en/of de DSB Bank snel diende te handelen omdat een andere partij ook zou zijn geïnteresseerd in deze klant- en/of relatiegegevens,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De verdediging heeft zich bij wijze van preliminair verweer op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de verdachte voorafgaande aan haar verhoren bij de politie niet met een advocaat heeft gesproken, terwijl haar ook niet is gewezen op het recht daartoe (schending van de zogenaamde Salduz-norm).

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep van de raadsvrouw dient te worden verworpen. De officier van justitie voert daartoe aan dat de verdachte tijdens haar tweede verhoor in de gelegenheid is gesteld om met een piketadvocaat te spreken. Dat de verdachte is verhoord vóórdat zij heeft gesproken met een advocaat, kan volgens de officier van justitie niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leiden. Deze omstandigheid brengt hoogstens mee dat de desbetreffende verklaringen niet kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft het preliminaire verweer verworpen.

Zelfs als sprake zou zijn van schending van de Salduz-norm, dan is geen sprake van een zodanige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat dat zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de sanctie op schending van de Salduz-norm bestaat in bewijsuitsluiting.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

In maart 2008 is [naam bestuurder], destijds lid van de Raad van Bestuur van DSB (hierna: [naam bestuurder]), gebeld door een man die zich bekend maakte als advocaat [naam]. [naam] belde namens ene “Els”. “Els” zou een oud medewerkster zijn van het Nationaal Hypotheekbureau (NHB) en zij zou een klokkenluidster zijn van het feit dat het NHB heimelijk, op grote schaal, van medewerkers van DSB klantgegevens van DSB kocht. Deze klanten werden vervolgens massaal benaderd om ze over te halen tot het oversluiten van DSB-producten, zoals hypotheken. “Els” zou aanvankelijk van plan zijn geweest om die gegevens te verkopen aan een ander, maar [naam] had haar als advocaat tegengehouden, omdat de gegevens rechtmatig aan DSB toebehoorden.

Na het telefoongesprek is een ontmoeting afgesproken welke op 18 maart 2008 in het Van der Valkrestaurant [naam café] in Wassenaar heeft plaatsgevonden tussen [naam bestuurder] en “Els”. [naam bestuurder] had inmiddels contact opgenomen met recherche- en incassobureau [naam]. [naam bestuurder] was tijdens de ontmoeting voorzien van een microfoon en er is ook heimelijk een video-opname gemaakt.

In het gesprek heeft “Els” gesproken over de bij DSB opgeslagen en vermoedelijk overgenomen vertrouwelijke bedrijfsgegevens, die in het bezit zijn van NHB. Het zou gaan om 40.000 klantgegevens. Ze heeft deze via [naam bestuurder] aan DSB te koop aangeboden voor € 250.000,-. Ze heeft een CD-Rom overhandigd met, volgens “Els”, een steekproef van 125 personen, om één en ander te checken. Daarbij werd gezegd dat er snel gehandeld moest worden, omdat ook een andere partij zeer geïnteresseerd was in de gegevens. Dit alles is opgenomen op band.

Na afloop van het gesprek is [naam bestuurder] met de CD-Rom vertrokken. “Els” is even later buiten opgehaald door een man met een witte Audi met het kenteken [kenteken]. Later is in het onderzoek naar voren gekomen dat dit kenteken op naam staat van de medeverdachte [medeverdachte 1].

[naam bestuurder] heeft de CD-Rom door een medewerker van DSB laten uitlezen. Er bleken gegevens van 119 personen op te staan. Uit het onderzoek bij DSB is naar voren gekomen dat van de 119 namen op de CD-Rom, 79 ook voorkomen in de bestanden van DSB.

Een maand later is op advies van het recherchebureau aangifte gedaan door DSB. De politie is vervolgens een onderzoek gestart, dat heeft geleid tot aanhouding van de verdachte en haar medeverdachten. De verdachte heeft haar aandeel in dit feit bekend. De rechtbank dient ten aanzien van de verdachte de vraag te beantwoorden of sprake is van vrijwillige terugtred als bedoeld in artikel 46b van het Wetboek van Strafrecht.

B. Beoordeling door de rechtbank

Op grond van:

- de bekennende verklaring van de verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, ter terechtzitting van 2 februari 2012 afgelegd;

- het proces-verbaal van aangifte door [naam bestuurder] d.d. 23 april 2008 (bijlage AH-001);

- het proces-verbaal van het zesde verhoor van de verdachte tegenover verbalisanten van de FIOD-ECD d.d. 26 september 2008 (bijlage V01-06);

- het proces-verbaal van het zevende verhoor van de verdachte tegenover verbalisanten van de FIOD-ECD d.d. 27 september 2008 (bijlage V01-07);

- het proces-verbaal van het vierde verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] tegenover verbalisanten van de FIOD-ECD d.d. 26 september 2008 (bijlage V02-04);

- het proces-verbaal van het vijfde verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 1] tegenover verbalisanten van de FIOD-ECD d.d. 27 september 2008 (bijlage V02-05);

- het proces-verbaal van het derde verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 2] tegenover verbalisanten van de FIOD-ECD d.d. 27 september 2008 (bijlage V03-03);

- het proces-verbaal van het vierde verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 2] tegenover verbalisanten van de FIOD-ECD d.d. 8 december 2008 (bijlage V03-04)

- het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam] (bijlage G05-01) met bijgaand onderzoeksverslag van de getuige [naam], zijnde de uitwerking van het gesprek tussen “Els” en [naam bestuurder] op 18 maart 2008 in Hotel Van der Valk/[naam café] te Wassenaar;

- het proces-verbaal van ambtshandelingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 18 november 2008 (bijlage AH-022),

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

C. Vrijwillige terugtred

De raadsvrouw van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er, hoewel er een begin van uitvoering is geweest, sprake is van een vrijwillig terugtreden van de verdachte door omstandigheden van haar wil afhankelijk. De raadsvrouw stelt dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] een dag na de ontmoeting met aangever [naam bestuurder] heeft besloten te stoppen. Na een laatste SMS-contact op 19 maart 2008 is er ook geen contact meer opgenomen met de aangever voor het maken van nadere afspraken.

Met betrekking tot het verweer van de raadsvrouw komt de rechtbank tot het volgende oordeel:

Van belang is in de eerste plaats dat de verdachte en haar medeverdachten ongeveer twee weken voor de ontmoeting met [naam bestuurder] op 18 maart 2008, in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 2] hebben gesproken over de verkoop van klantgegevens aan DSB. Verdachte heeft aangegeven dat zij die gegevens wel wilde aanbieden aan DSB. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft onder de naam “[naam]” [naam bestuurder] telefonisch benaderd over de door DSB (terug) te kopen klantgegevens, waarna medeverdachte [medeverdachte 1] een afspraak voor een ontmoeting heeft gemaakt met [naam bestuurder].

Volgens afspraak tussen de verdachten heeft verdachte [medeverdachte 2] een CD-Rom vervaardigd met een steekproef van klantgegevens van NHB, waarop ook klantgegevens van DSB zouden staan. Deze CD-Rom heeft hij aan verdachte [medeverdachte 1] overhandigd.

De verdachte is vervolgens onder de naam “Els” en vermomd met een pruik naar de afspraak met [naam bestuurder] gegaan en heeft bij die gelegenheid de klantgegevens van DSB aangeboden aan [naam bestuurder]. Zij heeft ook daadwerkelijk een CD-Rom met een aantal gegevens overhandigd. Bovendien heeft zij een bedrag van € 250.000,- gevraagd voor de overdracht van alle 40.000 klantgegevens aan DSB.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat de actie op 18 maart 2008 een voorbereide en doordachte daad is geweest en dat de verdachte een substantiële periode in de gelegenheid is geweest om na te denken over zijn voornemen en de mogelijke consequenties daarvan.

De verdachte had op dat moment gedaan wat in haar vermogen lag om DSB tot betaling te bewegen, zonder dat het gewenste resultaat is bereikt. De poging tot oplichting was daarmee voltooid. Dat de poging niet is geslaagd, heeft slechts te maken met het feit dat [naam bestuurder] nog nader onderzoek wilde doen naar de gegevens op de door de verdachte overhandigde CD-Rom.

Nu er sprake is van een voltooide poging tot oplichting is er geen plaats meer voor vrijwillige terugtred. Het verweer van de raadsvrouw dient te worden verworpen.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij in de periode van 1 maart 2008 tot en met 18 maart 2008 in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, de D.S.B. Bank N.V. te bewegen tot de afgifte van een geldbedrag van 250.000 euro, met voren omschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid met haar mededaders, het navolgende heeft gedaan:

- één van haar mededaders heeft in maart 2008 telefonisch contact opgenomen met de D.S.B. Bank - in de persoon van [naam bestuurder] - waarbij één van haar mededaders zich heeft bekend gemaakt als "[naam]", advocaat, optredend namens ene "Els" die oud medewerker zou zijn van het Nationaal Hypotheek Buro en welke "Els" melding wilde doen van het feit dat er door het Nationaal Hypotheek Buro massaal klanten van de D.S.B. Bank werden/worden benaderd teneinde deze klanten over te halen tot het oversluiten van DSB-producten en

- dat het Nationaal Hypotheek Buro dit zou doen met gebruikmaking van vertrouwelijke klant- en relatiegegevens afkomstig van de DSB-Bank en

- dat door één van haar mededaders werd aangegeven dat deze "Els", aanvankelijk van plan was deze klant- en relatiegegevens te willen verkopen aan een ander maar dat hij, die "[naam]", dat heeft kunnen tegenhouden omdat deze klant- en relatiegegevens rechtmatig aan de D.S.B.-Bank toebehoorden en

- daarna heeft één van haar mededaders aan die [naam bestuurder] te kennen gegeven dat een afspraak diende te worden geregeld waarbij door haar, verdachte, een "steekproef" van die klant- en relatiegegevens aan die [naam bestuurder] zou worden overhandigd, en

- vervolgens heeft zij, verdachte, vermomd met een pruik, zich begeven naar café/restaurant "[naam café]" te Wassenaar waarbij zij, verdachte, zich heeft voorgedaan en voorgesteld als "Els" aan voornoemde [naam bestuurder] en waarbij zij, verdachte, aan die [naam bestuurder] heeft aangegeven dat de DSB Bank haar "eigen" gegevens kon kopen tegen een bedrag van 250.000 euro, en

- daarbij heeft zij, verdachte, aan die [naam bestuurder] een cd gegeven om [naam bestuurder] en/of de DSB Bank een en ander te kunnen laten checken en

- waarbij zij, verdachte, heeft aangegeven dat die [naam bestuurder] en/of de DSB Bank snel diende te handelen omdat een andere partij ook zou zijn geïnteresseerd in deze klant- en relatiegegevens,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot oplichting.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte te veroordelen tot het betalen van een geldboete van € 2.500,- subsidiair 35 dagen vervangende hechtenis, waarvan € 2.000,- subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om aan de verdachte, gelet op de ouderdom van de feiten, een geheel voorwaardelijke straf, dan wel een werkstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede op grond van de persoon van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek op de terechtzitting en het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitieel Documentatieregister, gedateerd 28 december 2011.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met haar medeverdachten schuldig gemaakt aan poging tot oplichting van DSB. De verdachte heeft samen met haar medeverdachten getracht om een groot geldbedrag, te weten € 250.000,-, te verkrijgen in ruil voor klant- en relatiegegevens die eerder onrechtmatig zouden zijn ontnomen van DSB. Het is bijzonder laakbaar om een financiële instelling op zodanige wijze proberen op te lichten, slechts voor eigen gewin. Dat geldt temeer, nu de verdachte en een van haar medeverdachten bij de DSB hadden aangegeven de gegevens aan een ander te zullen verkopen, als DSB er zelf niet voor zou betalen. Dat de hele operatie enigszins amateuristisch overkomt en dat er wellicht ook nog een ander motief (rancune tegen een voormalige werkgever) meespeelde, doet aan het kwalijke karakter niet af.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf geen recht doet aan de ernst van het feit. De rechtbank zal daarom aan de verdachte een andere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd. De rechtbank zal in plaats van een geldboete een werkstraf van na te melden duur opleggen. Ten voordele van de verdachte zal de rechtbank hierbij rekening houden met de ouderdom van het feit en de lange duur van het onderzoek, waarbij sinds december 2009 in de zaak van deze verdachte geen onderzoekshandelingen meer hebben plaatsgevonden.

Gelet op het tijdsverloop sinds het plegen van dit feit, waarin de verdachte niet opnieuw een soortgelijk delict heeft gepleegd, zal de rechtbank aan de verdachte geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 22c, 22d, 45, 47 en 326 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert het hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feit.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren.

Beveelt voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht dat in plaats van de taakstraf vervangende hechtenis wordt toegepast, welke vervangende hechtenis wordt vastgesteld op 20 (twintig) dagen.

Bepaalt, dat deze taakstraf bestaat uit een werkstraf.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren voor elke dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. L. Boonstra en mr. A.E. van Montfrans-Wolters, rechters,

in tegenwoordigheid van G.A.M. Delis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 februari 2012.

zijnde mr. L. Boonstra buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.