Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV6249

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
25-01-2012
Datum publicatie
20-02-2012
Zaaknummer
14.811029-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor onder meer drie afpersingen waarbij hij gebruik gemaakt heeft van een mes.

De rechtbank legt niet, zoals door de deskundigen geadviseerd, deze maatregel in voorwaardelijke vorm op omdat naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten is dat verdachte binnen de alsdan te bepalen proeftijd op 2 jaar zijn behandeling zal hebben afgerond, terwijl voorts het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk is dat kan worden voldaan aan de nader aan die behandeling gestelde voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Straf

Parketnummer : 14.811029.11

Datum uitspraak : 25 januari 2012

OP TEGENSPRAAK

VERKORT VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor Kinderstrafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

gedetineerd in Jeugdinrichting De Rentray te Lelystad.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 januari 2012.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, die ertoe strekt dat de rechtbank:

- het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zal verklaren;

- de verdachte zal veroordelen tot de maatregel Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen voor de tijd van twee jaren;

- het in beslag genomen mes zal teruggeven aan [naam], de pleegvader van verdachte;

- de in beslag genomen muts op grond van artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht zal onttrekken aan het verkeer.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en mr. N. van der Kruk, raadsman van de verdachte, de deskundige T. Smits, de deskundige M. Fluit, de getuige [getuige 1] en de getuige [getuige 2] naar voren is gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op of omstreeks 30 mei 2011 te Hoorn op [adres], in elk geval op de openbare weg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, een Blackberry Bold 9780, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte naar die [benadeelde partij 1] is gelopen en/of vervolgens een mes uit zijn rechterbroekzak tevoorschijn heeft gehaald en/of dit mes heeft getoond aan die [benadeelde partij 1] en/of dat mes in zijn richting heeft gehouden en/of (daarbij dreigend) tegen die [benadeelde partij 1] heeft gezegd: "hier met dat ding";

2.

hij op of omstreeks 04 juni 2011 te Hoorn aan het [adres] (op spoor 1), in elk geval op de openbare weg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, een Blackberry Bold 9700, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en)

dat verdachte naar die [benadeelde partij 2] is gelopen en/of (vervolgens) tegen die [benadeelde partij 2], terwijl hij een mes in zijn hand had, zei: "Geef je Blackberry";

3.

hij op of omstreeks 06 juni 2011 te Hoorn op [adres], in elk geval op de openbare weg, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, een Blackberry type Curve, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte naar die [benadeelde partij 3] is gelopen en/of tegen die [benadeelde partij 3] (dreigend) heeft gezegd: "ja, geef je telefoon" en/of "Geef nu je pokkie, pokkie nu" en/of (hierbij) een mes tegen de wang van die [benadeelde partij 3], althans in zijn richting heeft gehouden;

4.

hij op of omstreeks 09 juni 2011 in de gemeente Hoorn opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 4] (hoofdagent politie Noord-Holland Noord), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, belast met surveillance in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerhoer en/of je bent een hoer", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- of schrijffouten voorkomen, worden deze verbeterd. De verdachte is hierdoor niet geschaad in de verdediging.

2. BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat

1.

hij op 30 mei 2011 te Hoorn op [adres], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, een Blackberry Bold 9780, toebehorende aan die [benadeelde partij 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte naar die [benadeelde partij 1] is gelopen en vervolgens een mes uit zijn rechterbroekzak tevoorschijn heeft gehaald en dit mes heeft getoond aan die [benadeelde partij 1] en dat mes in zijn richting heeft gehouden en daarbij dreigend tegen die [benadeelde partij 1] heeft gezegd: "hier met dat ding";

2.

hij op 4 juni 2011 te Hoorn aan het [adres] (op spoor 1), met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, een Blackberry Bold 9700, toebehorende aan [benadeelde partij 2], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte naar die [benadeelde partij 2] is gelopen en vervolgens tegen die [benadeelde partij 2], terwijl hij een mes in zijn hand had, zei: "Geef je Blackberry";

3.

hij op 6 juni 2011 te Hoorn op [adres], met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een mobiele telefoon, een Blackberry type Curve, toebehorende aan [benadeelde partij 3], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte naar die [benadeelde partij 3] is gelopen en dreigend tegen die [benadeelde partij 3] heeft gezegd: "ja, geef je telefoon" en "Geef nu je pokkie, pokkie nu" en hierbij een mes in de richting van die [benadeelde partij 3] heeft gehouden;

4.

hij op 9 juni 2011 in de gemeente Hoorn opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 4] (hoofdagent politie Noord-Holland Noord), gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening, in dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "kankerhoer en je bent een hoer".

3. BEWIJS

De rechtbank grondt de beslissing dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen worden slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten aanvulling worden opgenomen.

4. NADERE MOTIVERING

De rechtbank stelt vast dat het in het dossier aanwezige bewijs ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 afkomstig is van één bron, te weten aangever [benadeelde partij 2]. De rechtbank is niettemin van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte dit feit heeft gepleegd. De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.

Aangever [benadeelde partij 2] heeft tijdens de spiegelconfrontatie met de verdachte het gezicht van verdachte herkend en ook diens stem als degene die hem zijn telefoon heeft afgenomen. Voorts heeft aangever [benadeelde partij 2] een signalement gegeven van degene die hem zijn telefoon heeft afgenomen. Dit signalement komt op een aantal onderscheidende punten (waaronder de schoenen, het shirt en het postuur) overeen met het signalement zoals dat is opgegeven door de aangevers van de feiten 1 en 3. Dat geldt tevens voor het door de aangevers omschreven mes zoals dat bij de afpersing is gebruikt. De rechtbank kan er voorts niet aan voorbijzien dat de wijze waarop de 3 aangevers hun telefoon zijn kwijtgeraakt grote overeenkomsten vertoont zodat gesproken kan worden over eenzelfde “modus operandi”.

5. STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3, telkens:

Afpersing.

Ten aanzien van feit 4:

Belediging, meermalen gepleegd.

6. STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De psychiater en de psycholoog hebben bij de verdachte een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling, te omschrijven als een hechtingsstoornis, aandachtstekortstoornis en een gedragsstoornis geconstateerd. Daarnaast is door de deskundigen zwakbegaafdheid vastgesteld.

De deskundigen hebben, gelet op het feit dat de verdachte zich ten aanzien van de ten laste gelegde feiten heeft beroepen op zijn zwijgrecht, geen uitspraak kunnen doen over de toerekenbaarheid van verdachte ten tijde van het plegen van de feiten.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. MOTIVERING VAN DE MAATREGEL

De rechtbank heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde onder 1, 2 en 3 en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

Bij de bepaling van de duur en de vorm van de maatregel heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich binnen een week schuldig gemaakt aan een drietal straatroven. Verdachte heeft onder dreiging met een mes drie jonge jongens beroofd van hun Blackberry telefoon. Deze berovingen vonden steeds plaats op of aan de openbare weg. Door dergelijke feiten worden bij de slachtoffers daarvan en bij degenen die daarvan getuige zijn geweest, gevoelens van angst en onveiligheid opgewekt. Slachtoffers van dergelijke misdrijven kunnen nog lang daarna klachten van psychische aard ondervinden.

Daarnaast heeft de verdachte zich tijdens zijn insluiting in het politiebureau schuldig gemaakt aan de belediging van een politieagente. Zoals uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van de verdachte blijkt, heeft hij zich in het verleden schuldig gemaakt aan de mishandeling van een politieambtenaar. Uit dergelijke feiten blijkt dat verdachte weinig respect heeft voor het openbaar gezag.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 16 augustus 2011, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder ter zake van een geweldsdelict tot werkstraf is veroordeeld.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport van mevrouw H. Kuitert als voogdes/jeugdreclasseringswerker verbonden aan Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, onder meer inhoudende:

Er is zogenaamd een dubbel PO afgenomen; een onderzoek door een psychiater en psycholoog. Geadviseerd is aan verdachte de maatregel op te leggen van plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (hierna te noemen: PIJ) in voorwaardelijke vorm met als één van de bijzondere voorwaarden een klinische, gesloten, behandeling bij voorkeur bij Wier (Altrecht, Den Dolder).

Uit de rapportage van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (BJAA) van 6 januari 2012 ten aanzien van de de intake bij Wier het volgende naar voren gekomen:

- tijdelijke behandeling, maar niet in het dwangkader van een PIJ. Bij gedwongen behandeling zou de motivatie van [verdachte] te laag zijn;

- behandeling zou gericht zijn op wonen, zelfstandig begeleid wonen;

- eerst gesloten behandeling, daarna open. Over de lengte van het gesloten traject doet Wier geen uitspraak;

- behandeling kan een jaar of korter duren;

- bij een PIJ kan [verdachte] niet op de wachtlijst van Wier;

- voorwaarden vanuit de voorwaardelijke PIJ moeten vanuit de motivatie van [verdachte] zelf komen;

- Wier wil tevens een terugkeergarantie bij beëindiging of vastlopen van de behandeling;

- Wier biedt geen scholing.

BJAA heeft met betrekking tot de ontwikkeling van [verdachte] grote zorgen en is van mening dat hij tegen zichzelf in bescherming moet worden genomen. Er is sprake van een hoge kans op recidive en gebrekkige gewetensontwikkeling.

Er is contact geweest met de behandelcoördinator van Kuala Lumpur (Rentray), de groep waar [verdachte] binnen Rentray verblijft. Een Kamertrainingscentrum (zie advies Wier) is binnen afzienbare tijd geen optie. [verdachte] beschikt niet over de praktische en gedragsmatige vaardigheden die hiervoor nodig zijn en het is niet te zeggen wanneer hij dit wel zou kunnen. [verdachte] is niet in staat om zich te onttrekken aan negatieve contacten of aandacht binnen de groep wat hem zeer kwetsbaar en makkelijk escaleerbaar maakt. [verdachte] is hierdoor tevens zeer beïnvloedbaar. Schoolgang vraagt veel begeleiding met hele korte lesuren. Op een buitenschool is dit nagenoeg, in relatie tot de benodigde begeleiding van [verdachte], niet te realiseren.

Alhoewel Wier over expertise beschikt inzake psychiatrie, dient veiligheid voor [verdachte] en de maatschappij te prevaleren. Gezien de zorgen vanuit BJAA met betrekking tot de gedrags- en hechtingsproblematiek van [verdachte], zijn gebrekkige gewetensontwikkeling, de hoge kans op recidive, de zeer problematische schoolgang en het al gelopen vijfjarige traject van een besloten behandeling binnen Lijn 5, wil BJAA de veiligheid van [verdachte] en de maatschappij zo optimaal mogelijk gegarandeerd zien en een behandeling van [verdachte] een optimale kans van slagen geven.

In tegenstelling tot het gehandhaafde advies van het NIFP, adviseert BJAA ten gunste van de veiligheid van [verdachte], zijn ontwikkeling en behandeling een onvoorwaardelijke PIJ met behandeling binnen een setting als Den Hey-Acker of Rentray.

De tijdelijk vervangster van de voogdes H. Kuitert, mevrouw [getuige 1], heeft als getuige op de terechtzitting voornoemd rapport als volgt toegelicht:

Wier was duidelijk, bij een voorwaardelijke PIJ kunnen zij onder voorwaarden behandelen en bij een onvoorwaardelijke PIJ niet. Ik hoor zojuist van de officier van justitie dat [verdachte] bij Wier in eerste instantie zal worden opgenomen op de diagnostiek-afdeling. Dat wist ik niet. Er is bij ons intern veel gesproken over behandeling van [verdachte]. Er is bij hem sprake van zwakbegaafdheid en persoonlijkheidssproblematiek. Bij een voorwaardelijke PIJ heeft hij de kans om een traject in te gaan. Daarvoor zal hij toch aan een aantal voorwaarden moeten voldoen. We hebben gekeken naar de leerbaarheid van [verdachte] en we hebben ons afgevraagd of wij niet een traject in zouden gaan dat hij toch niet zou halen. We hebben gekeken naar gesloten en besloten behandelsetting. In een besloten behandelsetting zou hij meer vrijheid genieten. In het verleden is gebleken dat [verdachte] niet met bepaalde vrijheden kan omgaan en dat hij gestelde voorwaarden niet nakomt. Het gevolg zou kunnen zijn dat de voorwaardelijke PIJ zal moeten worden omgezet in een onvoorwaardelijke PIJ.

De afweging blijft wat voor [verdachte] de meest geschikte plek is, gelet op zijn psychische problematiek en zwakbegaafdheid. Op deze plek dient veel deskundigheid aanwezig te zijn.

Bureau Jeugdzorg is van mening dat zowel het traject van de onvoorwaardelijke PIJ als het traject van de voorwaardelijke PIJ perspectief biedt voor [verdachte]. Wij gunnen hem absoluut een kans. [verdachte] moet echter niet overvraagd worden, derhalve adviseren wij een onvoorwaardelijke PIJ. Omdat de behandeling bij Wier niet kan worden aangevangen in een gesloten fase is de kans op mislukken groot.

Ik ben het eens met de deskundigen dat scholing in eerste instantie niet het belangrijkste is, maar behandeling. [verdachte] moet leren omgaan met zijn zwakbegaafdheid en er dient psychiatrische behandeling plaats te vinden. Na de uitspraak dient te worden gekeken naar de beste plek voor [verdachte].

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport, gedateerd 10 januari 2012, van C.E.S. Smit-Wolthuizen, als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad voor de Kinderbescherming regio Noord-Holland, locatie Alkmaar, onder meer inhoudende als conclusie:

Uit onderzoek van de Raad is gebleken dat [verdachte] geen inzicht heeft in zijn mogelijkheden en beperkingen en onvoldoende beschikt over vaardigheden die nodig en of vereist zijn om binnen afzienbare tijd zelfstandig te kunnen functioneren in de maatschappij.

De kans op recidive is zeer hoog bij [verdachte]. Het is gebleken dat er intensieve hulp en behandeling binnen gesloten kader nodig is om herhaling te voorkomen. De Raad is van mening dat [verdachte] tegen zichzelf in bescherming genomen dient te worden en dat de veiligheid van [verdachte] en de maatschappij gewaarborgd dient te worden.

Ondanks het feit dat Wier de expertise heeft en dat de problematiek van [verdachte] aansluit bij het aanbod van Wier, komt de Raad tot de overweging dat Wier geen passende plek is voor [verdachte], aangezien zij geen gesloten kader blijken te kunnen bieden. Gezien de problematiek van [verdachte] en zijn geringe motivatie is een gesloten kader noodzakelijk.

De Raad vindt een onvoorwaardelijke PIJ maatregel voor [verdachte] het meest geïndiceerd, omdat deze maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [verdachte] en het meest aansluit bij zijn behandelbehoefte en (on)mogelijkheden. Tevens kan hiermee recidive voorkomen worden. Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zou ook kunnen worden opgelegd gelet op het misdrijf waar [verdachte] van wordt verdacht en gelet op het gegeven dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eist.

Zowel Rentray als Den Hey-Acker lijken hierbij aan te sluiten. Dit gezien de specifieke expertise en het gesloten karakter die deze Justitiële Jeugdinrichtingen [verdachte] kunnen bieden.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert de rechtbank om de maatregel tot Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen op te leggen.

[getuige 2] van de Raad voor de Kinderbescherming heeft als getuige bovengenoemd rapport op de terechtzitting als volgt toegelicht:

Het is mij opgevallen dat [verdachte] in het traject bij Wier heel veel moet leren binnen een periode van een jaar. De behandelcoördinator van Rentray zegt dat hij nog helemaal niet over die vaardigheden beschikt. Kamertraining is absoluut geen optie. Wij vragen ons af of het traject in het kader van een voorwaardelijke PIJ haalbaar is voor [verdachte]. Wij achten de kans van slagen heel klein en wij sluiten ons aan bij het advies van BJAA. Er moet worden gekeken naar behandeling binnen een Justitiële Jeugdinrichting die specifiek ingaat op de zwakbegaafdheid en de psychiatrie. Dit zou mogelijk kunnen in Den Hey-Acker of Rentray, zoals ik van mijn collega heb begrepen.

[verdachte] lijkt nu heel gemotiveerd te zijn. Wij zijn bang dat, zodra er eisen aan hem gesteld worden of als hij dingen moet doen, hij zeker zal afhaken. Hij zal zich moeten houden aan afspraken. De kans is groot dat hij in de eerste fase al afhaakt. De Raad ziet de motivatie van [verdachte] dan snel afnemen.

- het over de verdachte uitgebrachte psychiatrisch rapport gedateerd 17 oktober 2011, van M. Fluit, psychiater onder meer inhoudende:

Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens te omschrijven als een reactieve hechtingsstoornis ontremde type, zwakbegaafdheid en oppositioneel-opstandige gedragsstoornis. Tevens is er sprake van een ziekelijke stoornis in de zin en ADHD en van misbruik van cannabis.

Gezien de aard van de gebrekkige ontwikkeling der geestvermogens, zal dit de afgelopen jaren en dus ook in de periode rond de ten laste gelegde gebeurtenissen aanwezig zijn geweest. Mits bewezen, lijken de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de ziekelijke stoornis van invloed te zijn geweest op de gedragskeuzes van betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde.

Betrokkene heeft door herhaalde, frequente, ernstige en chronisch wegvallen van primaire verzorgers een hechtingsstoornis ontwikkeld, die diep ingrijpt in die ontwikkeling. Betrokkene bezit een agressieve, ontremde vorm van hechtingsproblematiek met acting-out: bij frustraties of conflicten zal betrokkene eerder handelen in plaats van voelen. Hij beschikt over een sterk verminderde capaciteit om zijn gedrag te reguleren met als gevolg wisselingen in zijn reacties. Betrokkene blijft in hoge mate beïnvloedbaar voor negatieve contacten en activiteiten en maakt een groot risico om wederom met criminaliteit in aanraking te komen. Betrokkene bezit zo weinig sociaal-emotionele vaardigheden dat al zeer eenvoudige initiatieven en activiteiten van zelfredzaamheid (aangaande zelfverzorging, opleiding en dagbesteding) door hem niet verdragen zullen worden en gedoemd zijn te mislukken met alle recidiverisico’s om tot criminele handeling te vervallen. Er wordt mede verwezen naar de uitkomsten van Savry waaruit een toekomstig hoog risico blijkt op gewelddadig gedrag in betrokkene niet intensief zal worden begeleid/behandeld in combinatie met toezicht.

De overgang van een ondersteunend orthopedagogische begeleiding tot september 2010 naar een omgeving waarin betrokkene veel zelfstandiger moest wezen bleek te groot. De problematiek die daaruit ontstond demonstreerde dat de plaatsing in een pleeggezin( laat staan in een nog zelfstandiger omgeving) te hoog gegrepen was en ook in de toekomst zal zijn.

Er bestaat ambulant een sterk vergroot recidiverisico om weer verzeild te raken in omstandigheden zoals gedurende het ten laste gelegde, zonder dat betrokkene besluit zich daaraan te onttrekken. Betrokkene handelt volgens een gelegenheidspatroon waarbij de behoeftebevrediging volgens lustprincipes groot is en de behoefte om dit af te remmen en onder controle te houden te zwak. Betrokkene is op dit moment niet in staat om een positieve ontwikkeling op eigen kracht ambulant kader (zoals begeleid kamer wonen) en/of binnen een pleeggezin in gang te zetten.

Benadrukt dient te worden dat het voor een gunstige ontwikkeling van betrokkene ten goede komt om langere tijd een psychiatrische en gedragsmatig georiënteerde behandeling binnen een besloten instelling te garanderen. Bij betrokkene zal vooral aandacht gegeven moeten worden aan zijn vermogen tot empathie en het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en de aanspreekbaarheid daarop. In het verlengde daarvan dienen structurele veranderingen in zijn moreel functioneren, het leren accepteren van regels en gezag, invulling vrije tijd, vriendenkeuze, continuïteit in een opleidingstraject en niet in de laatste plaats behandeling van zijn cannabisgebruik plaats te vinden.

Niet alleen wordt geadviseerd dit binnen een intramuraal orthopedagogisch (SG-LVG) kader te laten plaatsvinden, bovendien met als strafkader een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Betrokkene laat weten gemotiveerd te zijn voor een dergelijk aanvankelijk intramurale begeleiding met als uiteindelijk doel een resocialisering. Gedacht wordt bijvoorbeeld aan Altrecht GGZ-Wier in Den Dolder.

De psychiater M. Fluit heeft als deskundige op de terechtzitting zijn rapport als volgt toegelicht:

Wij hebben diverse ontwikkelingsstoornissen geconstateerd die behandeld zouden moeten worden. Naast de behandeling van de stoornissen is het ook van belang dat het resocialisatietraject perspectief heeft. De termijn van resocialisatie zou korter moeten worden, maar wel met intensieve begeleiding. Wij vinden dat [verdachte] gemotiveerd moet zijn. Deze motivatie is ook te halen uit de nabijheid van vrijheden. De motivatie kan gekoppeld worden aan een voorwaardelijke PIJ en plaatsing in Wier. Ook dient [verdachte] voor zijn psychiatrische problemen behandeld te worden. [verdachte] zal in vrijheid ook hulp nodig hebben. Ik acht een Justitiële Jeugdinrichting een minder geschikte omgeving voor [verdachte]. Daar komt de psychiatrie veel minder aan de orde en is men meer gericht op opvoeding en sanctioneren. Het lijkt mij een groot probleem dat de behandeling mogelijk niet binnen de periode van de proeftijd van twee jaar afgerond zal zijn. Het open traject zal binnen die periode wel heel erg kort worden en dat is niet in het voordeel van [verdachte].

Het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel zal niet motiverend werken voor [verdachte]. Hij heeft al met heel veel behandelaars te maken gehad. Hij heeft behoefte aan hechting. In het kader van de PIJ-maatregel kan volgens mij niet gegarandeerd worden dat iemand samen met hem dit traject ingaat. Wij hebben gedacht het traject wat korter te laten duren waarbij hem vaardigheden worden aangeleerd en waarin hem de kans wordt gegeven een start te maken met een zelfstandig bestaan. Ik leun op het vermogen van [verdachte] om er zelf iets van te maken. Ik kan niet garanderen dat hij bij Wier iemand treft waar hij een klik mee heeft. Motivatie vind ik wel heel belangrijk.

Onderwijs heeft geen prioriteit, praktische zaken kunnen wel geleerd worden. Ik vind dat de behandeling voor moet gaan.

Ik weet niet welke criteria Wier hanteert voor een behandeling. Als zij er vanuit gaan dat [verdachte] al heel veel dingen moet kunnen, dan is Wier geen geschikte plek.

Mocht de rechtbank denken aan het opleggen van een onvoorwaardelijke PIJ, dan denken wij aan een plaatsing in Hoeve Boschoord.

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport gedateerd 17 oktober 2011, van drs. T. Smits, GZ-psycholoog. Dit rapport houdt onder meer in als forensisch psychologische beschouwing:

Betrokkene is een 17-jarige adolescent bij wie sprake is van een hechtingsstoornis, een gedragsstoornis, aandachtstekortstoomis en een disharmonisch intelligentieprofiel. In die zin kan gesproken worden van een ziekelijke stoornis (aandachtstekortstoornis) en gebrekkige ontwikkeling (hechtingsstoornis, gedragsstoornis, cognitieve vermogens). Bovenstaande diagnoses maken dat betrokkene moeilijk sociale situaties kan inschatten, onvoldoende zicht heeft op oorzaak en gevolg (dus ook van zijn gedrag), moeite heeft zijn emoties en impulsen te reguleren, wantrouwend kan zijn, zich moeilijk in anderen kan inleven en onvoldoende schuldgevoelens ervaart bij het overgaan van andermans grenzen (lacunair geweten).

Betrokkene wordt in staat geacht de ontoelaatbaarheid van zijn gedrag te begrijpen. Echter, zijn gewetensfuncties schieten tekort. Het is de vraag of betrokkene zich in kon leven in de slachtoffers.

Doordat er te veel vragen bestaan over de toedracht, kan geen duidelijkheid gegeven worden of de ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling een rol hebben gespeeld in het ten laste gelegde. Gezien de ernst en structurele aard van de problematiek is deze kans groot, maar op welke manier blijft onduidelijk. Derhalve kan geen uitspraak worden gedaan over de toerekeningsvatbaarheid.

Het is van belang dat er behandeling komt die zich met name richt op de individuele risicofactoren. Op het moment dat behandeling uitblijft, zal het recidiverisico op de lange termijn toenemen.

Gedurende de periode van het ten laste gelegde (mits bewezen) woonde betrokkene in een pleeggezin en was hij van school gestuurd vanwege gedragsproblemen. Deze situatie bood hem te weinig toezicht. Betrokkene onttrok zich aan regels en afspraken, waardoor pleegouders hem onvoldoende konden begrenzen en beschermen. De verantwoordelijkheid die een dergelijke situatie met zoveel ‘vrijheid’ met zich meebrengt, kon betrokkene nog niet dragen. Hij is niet in staat risicovolle situaties in te schatten en zijn eigen gedrag te sturen en af te stemmen op anderen. Op alle leefgebieden verliep zijn functioneren zorgelijk. Het is aannemelijk dat betrokkene vanuit een dergelijke situatie sneller in aanraking komt met een verkeerde vriendengroep en criminele activiteiten. Dat betrokkene bedreigd wordt in zijn ontwikkeling en behandeling nodig heeft, staat buiten kijf. Behandeling dient zich met name te richten op de symptomen die voortkomen uit de hechtingsstoomis en gedragsstoornis, te weten het vergroten van probleembesef, het leren reguleren van emoties en impulsen en het vergroten van de zelfredzaamheid. Doordat er bij betrokkene sprake is van ontremming, weinig zelfsturing en probleembesef, heeft hij een duidelijke structuur met toezicht en een consequente aanpak nodig. Binnen Rentray laat hij veel probleemgedrag zien, maar blijkt hij steeds meer open te staan voor reflectie. Hij heeft echter veel begeleiding nodig om zijn gedrag in goede banen te leiden. De gebrekkige emotie- en impulsregulatie van betrokkene verhogen de kans op geweldsdelicten. De lacunaire gewetensfuncties vormen onvoldoende rem op grensoverschrijdend gedrag in brede zin (geweld, vermogen). Onderzoeker is van mening dat het risico op een geweldsdelict of vermogensdelict zeer groot is op het moment dat betrokkene op vrije voeten komt zonder toezicht of behandeling.

Binnen dit onderzoek geeft hij aan gemotiveerd te zijn voor een klinische behandeling. De kans is echter groot dat hij zich (zeker in het begin) aan de behandeling onttrekt op het moment dat er eisen worden gesteld of zijn wantrouwen toeneemt. Geadviseerd wordt hem eerst gesloten te behandelen. Bij vooruitgang kan langzamerhand op een besloten of open behandelafdeling worden overgegaan, waarbij steeds meer de nadruk gelegd wordt op resocialisatie.

Wier, afdeling van GGZ Altrecht in Den Dolder biedt een dergelijke behandeling. Dit is een SGLVG instelling (sterk gedragsgestoord licht verstandelijk gehandicapt). Er is hier voldoende psychiatrische expertise aanwezig in combinatie met behandelmogelijkheden binnen een forensisch kader. Aangezien betrokkene zijn hele leven is opgegroeid in verschillende instellingen en pleeggezinnen met een voogd die daar beslissingen over nam, heeft hij het gevoel nauwelijks zelf te hebben kunnen beslissen over zijn leven. Dit is een belangrijke ontwikkelingstaak binnen de adolescentiefase. Het wordt niet wenselijk geacht dat hij geplaatst wordt binnen een JJI, waar veel meer de nadruk ligt op het heropvoeden en controleren van jongeren. De kans is aanwezig dat een JJI de agressieproblemen alleen maar zal vergroten. Er is daar minder mogelijk in het behandelen van psychiatrische stoornissen en persoonlijkheidsstoornissen in wording. Betrokkene is gebaat bij een behandelklimaat waar eveneens aandacht is voor de grote verschillen in zijn cognitieve capaciteiten. Op de groep in Rentray wordt gezien dat betrokkene moeite heeft de sociale situaties te overzien. In het verleden heeft Lijn 5 ook een plaatsing binnen een SGLVG instelling als meest passend beschouwd. Wel is van belang dat betrokkene een stok achter de deur heeft en zich niet kan onttrekken aan behandeling. Hiervoor loopt zijn ontwikkeling te zorgelijk en is het recidiverisico op delictgedrag te hoog.

Daarom wordt een voorwaardelijke PIJ-maatregel geadviseerd. Als betrokkene zich niet houdt aan de voorwaarden, kan een gesloten behandeling ingezet worden in het kader van een PIJ.

Mevrouw drs. T. Smits heeft haar rapport als deskundige op de terechtzitting als volgt toegelicht:

Het is vooral van belang dat wordt gestart met klinische behandeling in een instelling met mensen met een verstandelijke beperking. Ik blijf in die zin wel bij mijn geadviseerde behandeling. Ik vind het heel belangrijk dat [verdachte] geprikkeld wordt tot verandering. Indien er onvoldoende perspectief zal zijn ben ik bang dat hij minder gemotiveerd zal raken. De stoornissen zijn chronisch. Zwakbegaafdheid is niet te genezen. Hij moet leren omgaan met zijn beperkingen en met de inbedding in de maatschappij, gelet op zijn beperkingen. Ik heb zelf niet meegemaakt dat hij niet gemotiveerd is. Ik denk dat hij beseft dat dit zijn laatste kans is, maar met een verstandelijke beperking is dit toch lastig te overzien. Het is juist dat ik een Justitiële Jeugdinrichting niet de juiste plek vind voor behandeling. [verdachte] dient te worden geplaatst in een instelling waar zowel kennis van de psychiatrie als kennis in het omgaan met mensen met een verstandelijke beperking aanwezig is. Hij dient te worden geplaatst in een zo gezond mogelijke omgeving met zo min mogelijke beïnvloeding.

Ik heb uitgelegd dat de klinische behandeling een jaar zal gaan duren. Ik ga er vanuit dat Wier na dat jaar met het resocialisatietraject gaat beginnen. Ik heb ervaringen met Justitiële Jeugdinrichtingen. Den Hey-Acker is geen SG-LVG instelling.

Het resocialisatietraject zal ook een jaar in beslag nemen.

Als de PIJ onvoorwaardelijk zal worden opgelegd, dan denk ik aan plaatsing in Hoeve Boschoord. Daar zijn ze gespecialiseerd in LVG problematiek.

[verdachte] heeft nog niet veel regie gehad over zijn leven. Dat zal in de PIJ ook niet zo zijn. Het zal weerstand bij hem oproepen gelet op het ontbreken van perspectief. De weerstand zal vervolgens meer agressie oproepen, gelet op de hechtingsproblematiek. Het verbaast mij te horen dat hij in eerste instantie zal worden geobserveerd in Wier.

De rechtbank kan zich vinden in de inhoud en de conclusie van de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming en van BJAA. De rechtbank kan zich vinden in de inhoud van de rapporten van de psychiater en de psycholoog, behoudens ten aanzien van de advisering tot oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

De rechtbank heeft beide opties, voorwaardelijke en onvoorwaardelijke PIJ overwogen. De rechtbank zal aan de verdachte een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen. Reeds gelet op de informatie vanuit Wier, met name gelet op de periode van observatie die na een opname nog moet volgen, de onzekerheid of er na die observatie ook daadwerkelijk behandeling kan plaats vinden en gelet op de te verwachten duur van die eventuele behandeling is, naar het oordeel van de rechtbank niet te verwachten dat de verdachte zijn behandeling binnen de proeftijd van twee jaar van een voorwaardelijk op te leggen PIJ-maatregel zal hebben afgerond. Daarnaast is het naar het oordeel van de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk dat kan worden voldaan aan de tijdens het intakegesprek door Wier gestelde voorwaarden, zoals genoemd in het rapport van BJAA van 6 januari 2012, waarbij de rechtbank met name doelt op de door Wier geëiste terugkeergarantie.

De rechtbank is, op grond van de inschatting door de deskundigen van het recidivegevaar, van oordeel dat aan het door de wet vereiste gevaarscriterium, te weten in dit geval dat “de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist”, is voldaan. Daarnaast blijkt uit de met betrekking tot de verdachte uitgebrachte rapporten dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte. Voor het bewezen verklaarde onder 1, 2 en 3 is voorlopige hechtenis toegelaten.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat aan de wettelijke vereisten voor de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is voldaan.

De rechtbank geeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie in overweging om de verdachte in het kader van de te bevelen maatregel te plaatsen in één van de behandelcentra van Stichting Trajectum Hoeve Boschoord.

8. BESLISSING OMTRENT IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De rechtbank is van oordeel, dat de in beslag genomen muts dient te worden onttrokken aan het verkeer.

De muts behoort toe aan de verdachte, is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane misdrijven aangetroffen en kan dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven.

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen mes dient te worden teruggegeven aan de heer [naam]], destijds pleegvader van verdachte.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken, dat deze persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt.

9. TOEGEPASTE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 77a, 77g, 77s, 77gg, 267, 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10. BESLISSING

De rechtbank:

Verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Beveelt de plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de in beslag genomen muts

Gelast de teruggave aan de pleegvader van verdachte, de heer [naam]], van het in beslag genomen mes.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.E. Francke, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. A.E. van Montfrans-Wolters en mr. J. Westdorp, rechters,

in tegenwoordigheid van G.A.M. Delis, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 januari 2012.

Mr. J. Westdorp is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.