Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV2328

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
26-01-2012
Datum publicatie
31-01-2012
Zaaknummer
11/1945
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser zijn aanvraag om een bijstandsuitkering heeft ingetrokken. De bevestiging van deze intrekking door verweerder is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1945

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 januari 2012 in de zaak tussen

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser

(gemachtigde: mr. J.J. Jorna),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, verweerder

(gemachtigde: M.R. Ooievaar).

Procesverloop

Bij brief van 5 april 2011 heeft verweerder aan eiser bevestigd dat hij zijn aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) heeft ingetrokken.

Bij besluit van 14 juni 2011 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser niet ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2012. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Motivering

1. De rechtbank moet beoordelen of verweerder het bezwaar tegen de brief van 5 april 2011 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Eiser voert aan dat een medewerker van verweerder hem heeft gevraagd zijn aanvraag om toekenning van een bijstandsuitkering in te trekken, omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats had. Dat heeft eiser geweigerd en daarbij heeft hij gewezen op zijn postadres in Hoorn. Verweerder heeft niet onderbouwd dat hij zijn aanvraag zou hebben ingetrokken. Verweerder wil kennelijk voorkomen dat aan hem een bijstandsuitkering moet worden toegekend. Door de handelwijze van verweerder is eiser ernstig benadeeld.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat tegen de brief van 5 april 2011 de mogelijkheid van bezwaar niet openstaat. Deze brief is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat er sprake is van een bevestiging van een (rechts)handeling die eiser met betrekking tot zijn aanvraag heeft verricht. Er is dan ook geen sprake van een publiekrechtelijke rechtshandeling van een bestuursorgaan.

4. De rechtbank acht het aannemelijk dat eiser zijn aanvraag om een bijstandsuitkering tijdens het gesprek van 10 maart 2011 heeft ingetrokken. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen de uitgebreidheid en gedetailleerdheid van het gespreksverslag van 15 maart 2011. Ook heeft de consulent er geen belang bij om in dit verslag onwaarheden op te nemen. Verder blijkt uit het verhandelde ter zitting dat het eiser - ondanks uitleg van onder meer zijn gemachtigde - nog steeds niet precies duidelijk is wat de gemeente van hem verlangt en is het voor hem moeilijk om informatie te verschaffen over zijn verblijfsplaats.

5. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 juni 2005 (LJN: AT8031) is de rechtbank van oordeel dat de bevestiging van een (rechts)handeling die de aanvrager van een beschikking met betrekking tot die aanvraag heeft verricht, niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling van een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb en mitsdien niet kan gelden als een besluit in de zin van dat artikel. Aan die bevestiging is naar zijn aard geen door het bestuursorgaan beoogd rechtsgevolg verbonden. De omstandigheid dat als gevolg van de intrekking geen aanvraag meer voorligt waarop beslist moet worden, maakt dat niet anders, omdat dit het beoogde gevolg is van de intrekkingshandeling van de aanvrager en niet van de bevestiging van het feit van die handeling door het bestuursorgaan.

6. Aangezien geen bezwaar als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan worden gemaakt tegen een beslissing die niet kan worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, in verbinding met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, is het bezwaar van eiser in het bestreden besluit terecht niet-ontvankelijk verklaard.

7. Het beroep is daarom ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. W.P. van der Haak, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Bankert, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2012.

griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.