Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:BV1715

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
23-01-2012
Datum publicatie
24-01-2012
Zaaknummer
134090 / HA RK 11-145
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking rechter-commissaris in faillissementszaak. Wrakingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Wrakingskamer

Zaaknummer : 134090 / HA RK 11-145

Datum uitspraak : 23 januari 2012

BESLISSING op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ingediend namens:

[VERZOEKER],

wonende te [WOONPLAATS VERZOEKER],

hierna te noemen: verzoeker.

1 PROCESVERLOOP

De verzoeker heeft bij brief van 18 december 2011 de wraking verzocht als bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van [DE RECHTER] (hierna te noemen: de rechter) als behandelend rechter-commissaris in het faillissement van [NAAM GEFAILLEERDE] (insolventienummer 09/376F).

De rechter heeft gemotiveerd laten weten niet te berusten in de wraking.

Het verzoek is behandeld op de openbare zitting van de wrakingskamer van 9 januari 2012. Verzoeker heeft zijn verzoek toegelicht, de rechter heeft een verklaring afgelegd en verzoeker heeft daarop gereageerd. De voorzitter heeft de behandeling ter zitting gesloten en heeft bepaald dat de beslissing op 23 januari 2012 zal worden uitgesproken.

2 BEOORDELING VAN HET VERZOEK

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking indien, afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak, de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met de uiterlijke schijn van vooringenomenheid.

De wrakingskamer stelt de volgende feiten vast.

Per 1 november 2011 treedt de rechter op als rechter-commissaris in het faillissement van de rechtspersoon [NAAM GEFAILLEERDE] als opvolger van [RECHTER 2]. Op 11 oktober 2011 heeft verzoeker als bestuurder van de gefailleerde een verzoekschrift namens de gefailleerde ingediend, strekkende tot ontslag van [NAAM CURATOR] als curator in het faillissement. Op 15 november 2011 heeft [DE RECHTER] de rechtbank geadviseerd op het verzoek tot ontslag van de curator. Dit advies luidde dat het verzoek onvoldoende grond had en moest worden afgewezen. Op 20 december 2011 heeft de rechtbank het verzoek van verzoeker tot ontslag van de curator afgewezen.

Verzoeker heeft - kort samengevat - aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter zowel de objectieve als de subjectieve schijn van partijdigheid heeft gewekt. De objectieve schijn van partijdigheid zou erin gelegen zijn dat de rechter de rechtbank heeft geadviseerd het verzoek tot ontslag van de curator af te wijzen, welk advies in het licht van het hele dossier onbegrijpelijk moet worden geoordeeld. De overdracht van het dossier door [RECHTER 2] moet daarbij volgens verzoeker een rol hebben gespeeld.

Volgens verzoeker was [RECHTER 2] niet als onpartijdig aan te merken en moet de rechter bij de overname van het dossier door haar zijn beïnvloed. Voorts heeft verzoeker zich op het standpunt gesteld dat de reactie van de rechter op het wrakingsverzoek uitdrukkelijk blijk geeft van een persoonlijke instelling van de rechter, waardoor een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid bestaat. Tijdens de zitting heeft verzoeker opgemerkt dat hij een 'stekelige toon' leest in de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek.

Ter motivering heeft de rechter in zijn reactie op het wrakingsverzoek naar voren gebracht dat zijn advies tot het afwijzen van het verzoek tot ontslag van de curator geen enkel aanknopingspunt biedt voor het oordeel dat sprake is van vooringenomenheid. Op de zitting heeft de rechter te kennen gegeven dat hij het betreurt dat verzoeker een 'stekelige toon' in zijn schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek leest en dat dit niet zo is bedoeld.

De wrakingskamer overweegt hieromtrent het volgende.

Voorop moet worden gesteld dat het niet aan de wrakingskamer is om het advies van de rechter aan de rechtbank over het ontslag van de curator minutieus te beoordelen. Ter discussie staat of het advies van de rechter grond geeft om te vrezen dat de rechter niet onpartijdig is. Daarvan kan slechts sprake zijn indien dat advies, gelet op alle omstandigheden van het geval, dermate onbegrijpelijk is dat de vrees van verzoeker voor partijdigheid van de rechter objectief gerechtvaardigd is.

Het advies van de rechter komt de wrakingskamer in het licht van het faillissementsdossier en bezien tegen de achtergrond dat in het algemeen terughoudendheid moet worden betracht bij het ontslag van een curator, niet onbegrijpelijk voor en vormt derhalve geen grond voor het oordeel dat de objectieve schijn van partijdigheid is gewekt. Wat betreft de stelling van verzoeker dat de overdracht van het dossier door [RECHTER 2] van invloed is geweest op het advies van de rechter, overweegt de wrakingskamer dat de overdracht van een dossier als zodanig geen omstandigheid is waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden. Ook in dit verband geldt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Verzoeker heeft uitsluitend de inhoud van het advies van de rechter ten grondslag gelegd aan zijn stelling dat de rechter moet zijn beïnvloed door [RECHTER 2]; zoals gezegd komt dit advies de wrakingskamer niet onbegrijpelijk voor. Andere feiten en omstandigheden waaruit beïnvloeding zou blijken zijn door verzoeker niet naar voren gebracht.

Voorts blijkt uit hetgeen verzoeker en de rechter naar voren hebben gebracht niet dat er voorafgaand aan het advies van de rechter aan de rechtbank op enigerlei wijze contact heeft plaatsgevonden tussen de verzoeker en de rechter. Ook uit de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek blijkt naar het oordeel van de wrakingskamer niet dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert. Naar haar oordeel zijn in deze brief geen "stekeligheden" te lezen, zoals verzoeker stelt.

Het vorenstaande leidt de wrakingskamer tot het oordeel dat geen sprake is van (schijn) van partijdigheid, zodat het verzoek tot wraking moet worden afgewezen.

3 BESLISSING

De wrakingskamer van de rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van de rechter af;

- bepaalt dat de rechter zijn functie als rechter-commissaris in het bovengenoemde faillissement zal voortzetten.;

- beveelt dat de griffier van de wrakingskamer onverwijld mededeling van deze beslissing doet aan verzoeker en aan de rechter.

Deze beslissing is gegeven door mr. A. van der Perk, voorzitter, mr. C.M. van Wechem en mr. M.A.J. Berkers, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. N.J. Ros, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 januari 2012.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.