Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:4511

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
31-10-2012
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
132847 / HA ZA 11-627
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Indicatie van de inhoud: Geschil over diverse besluiten van een besloten vennootschap en een stichting, verband houdende met een statutenwijziging, vaststelling jaarrekening en winstcertifcaten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RO 2014/53
JIN 2014/217 met annotatie van R.A. Wolf
JOR 2014/158 met annotatie van mr. R.G.J. Nowak
OR-Updates.nl 2014-0230
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

FV/MA

zaaknummer / rolnummer: 132847 / HA ZA 11-627

Vonnis van 31 oktober 2012

in de zaak van

[EISER1] ,

wonende te Markenbinnen, gemeente Graft-De Rijp,

eiser,

advocaat mr. F.P. Klaver te Alkmaar,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RBOC "FORT MARKENBINNEN" BV,

statutair gevestigd en kantoor houdende te Markenbinnen, gemeente Graft-De Rijp,

2. de stichting

STICHTING RBOC "FORT MARKENBINNEN",

statutair gevestigd en kantoor houdende te Markenbinnen, gemeente Graft-De Rijp,

gedaagden,

advocaat mr. R.F. Goemans te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ieder afzonderlijk ook [EISER], de vennootschap respectievelijk de stichting genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het tussenvonnis van 25 januari 2012

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie na antwoord, met de daarin genoemde stukken

  • -

    de akte naar aanleiding van vermeerdering van eis ex artikel 130 Rv van gedaagden

  • -

    de antwoordakte uitlating wijzing van eis.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De vennootschap is een geprivatiseerde voortzetting van het voormalig Regionaal Opleidingscentrum Brandweer. De vennootschap houdt zich onder meer bezig met het geven van cursussen en opleidingen op het gebied van bedrijfshulpverlening.

2.2.

De vennootschap en de stichting zijn opgericht op 15 november 2002. De stichting houdt alle aandelen in de vennootschap. In de statuten van de stichting is bepaald dat het bestuur minimaal uit drie leden bestaat, bestuurder A, bestuurder B en bestuurder C. Bestuurder A wordt benoemd door de vergadering van houders van winstcertificaten, bestuurder B door de directie van de vennootschap en bestuurder C door de overige bestuurders gezamenlijk. De functie van bestuurder C wordt al geruime tijd niet vervuld.

2.3.

Sinds de oprichting van gedaagden is [EISER] in verschillende hoedanigheden betrokken geweest bij zowel de vennootschap als de stichting. Zo is hij algemeen directeur en commissaris van de vennootschap geweest en bestuurder B van de stichting.

2.4.

De akte van oprichting van de stichting luidt – voor zover thans van belang - als volgt:

Artikel 6

(…)

3. Bestuursbesluiten strekkende tot bepaling van de wijze waarop in de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap wordt gestemd met betrekking tot voorstellen aangaande:
(…)

f. wijziging van de statuten van de vennootschap;
(…)

moeten worden genomen met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn, - zonder dat in het bestuur enige vacature bestaat.

Artikel 9

1. Het bestuur stelt een reglement op, waarin de rechten en verplichtingen van de stichting en de houders van winstcertificaten worden vastgelegd.

2. Het reglement mag niet met de wet of de statuten in strijd zijn.

3. Het bestuur is bevoegd het reglement te wijzigen of op te heffen. Op een dergelijk besluit is het bepaalde in artikel 11 lid 1 van toepassing.

Artikel 11

1. Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen. Een dergelijk besluit moet worden genomen met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zonder dat in het bestuur enige vacature bestaat.”

2.5.

Op 4 maart 2003 heeft de stichting een ‘Reglement winstcertificaten RBOC Fort Markenbinnen’ (hierna: reglement) opgesteld. Dit reglement biedt deelnemers de mogelijkheid om aan de stichting leningen te verstrekken, aangeduid als lening 1 en lening 2. Het reglement voorziet onder meer in een vergoeding in de vorm van winstcertificaten voor het ter beschikking stellen van lening 2. Deze certificaten geven recht op een gedeelte van de winst van de vennootschap dat voor verdeling tussen de participanten in aanmerking komt. De vaststelling van dat gedeelte is geheel ter beoordeling van het bestuur.

2.6.

[EISER] heeft aan de stichting ten titel van lening 1 een bedrag van € 5.387,00 verstrekt en ten titel van lening 2 een bedrag van € 15.050,00. Daarmee is hij houder van winstcertificaten zoals beschreven in het reglement. Ter compensatie voor het verstrekken van lening 2 heeft hij een bedrag van € 143.376,79 aan winstuitkeringen ontvangen. Beide leningen zijn inmiddels door de stichting aan hem terugbetaald.

2.7.

Op 2 november 2007 zijn de statuten van de stichting gewijzigd.

2.8.

Op 7 april 2010 is tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand gekomen, waarbij [EISER] zijn ontslag als bestuurder B in de stichting en als commissaris van de vennootschap heeft aangeboden per 26 januari 2010 respectievelijk 24 februari 2010. Dit ontslag is door gedaagden aanvaard. Voorts werd overeengekomen dat het reglement door de vennootschap en de stichting jegens [EISER] als medecertificaathouder zal worden gerespecteerd.

2.9.

Bij besluit van algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: ava) van de vennootschap van 1 november 2010 is de jaarrekening 2009 vastgesteld. Hierin is voor een bedrag van € 42.563,00 een voorziening voor dubieuze debiteuren opgenomen.

2.10.

Zowel op 4 januari 2011 als op 19 mei 2011 zijn er voor de stichting nieuwe statuten opgesteld. Kern van de tekst van de statuten van 4 januari 2011 is dat tot wijziging van de statuten en het reglement kan worden besloten, ook indien op dat moment in het bestuur van de stichting een vacature bestaat.

2.11.

Ter vergadering van winstcertificaathouders van 14 maart 2011 heeft de stichting aangekondigd voornemens te zijn om tot opheffing van het reglement over te gaan. Bij brief van 11 mei 2011 heeft de stichting aan de deelnemers de besluitvormingsprocedure en de voortgang toegelicht. Hierbij heeft de stichting te kennen gegeven dat zij lening 2 aan de participanten wenst terug te betalen en dat daarvoor wijziging van het reglement noodzakelijk is. Verder schrijft zij dat het bestuur zal besluiten tot opheffing van het reglement zodra lening 2 is terugbetaald.

3 Het geschil

3.1.

[EISER] vordert – kort gezegd en na wijziging van eis van 11 april 2012 -

I vernietiging van het besluit van de algemene vergadering van
aandeelhouders van de vennootschap van 1 november 2010,

II te verklaren voor recht dat het besluit van het bestuur van de stichting van
14 maart 2011 en vastgelegd in haar besluit van 11 mei 2011 nietig is
wegens strijd met de statuten, althans dat besluit te vernietigen, alsmede
het/de besluit(en) van de stichting met betrekking tot wijziging van de
besluitvorming als vervat in de (gestelde) statutenwijziging van
4 januari 2011 en 19 mei 2011 te vernietigen,

III gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot nakoming van het reglement,
meer in het bijzonder om gedaagden te veroordelen tot betaling van een
winstuitkering conform die regeling op basis van de resultaten over de
boekjaren 2006 t/m 2010 en de daarop volgende jaren, alsmede om bij de
vaststelling van de jaarrekening over 2009 de opgenomen voorziening
voor dubieuze debiteuren inzake Regio BHV Nederland niet op te nemen
en om de jaarwinst over dat jaar te verhogen met een bedrag van
€ 42.563,00 als basis voor de gevorderde winstuitkering over dat jaar,

IV te bepalen dat gedaagden een dwangsom verbeuren van € 25.000,00 per
overtreding en € 5.000,00 voor iedere dag dat die overtreding voortduurt,
indien zij niet binnen vier weken na betekening van dit vonnis aan de
vordering sub III hebben voldaan ten aanzien van de boekjaren 2006 t/m
2010 en voor de daaropvolgende boekjaren: binnen vier weken na
vaststelling van de daarop betrekking hebbende jaarrekening,

V veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding.

3.2.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beslissing van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

het besluit van 1 november 2010

4.1.

[EISER] stelt zich op het standpunt dat het besluit van 1 november 2010 van de ava van de vennootschap tot goedkeuring/vaststelling van de jaarrekening over 2009 vernietigbaar is. In de jaarrekening is ten onrechte een voorziening dubieuze debiteur ad € 42.453, waardoor het besluit om de jaarrekening goed te keuren, genomen is in strijd met de redelijkheid en billijkheid zoals bedoeld in artikel 2:8 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Gelet op het belang van de winstcertificaathouders bij een zo hoog mogelijke winst heeft [EISER] bij de vernietiging recht en belang in de zin van artikel 2:15 lid 3 sub a BW, aldus [EISER].

4.2.

Gedaagden betwisten onder meer dat [EISER] bij zijn vordering een redelijk belang heeft. Vernietiging van het besluit leidt niet tot aanpassing of hernieuwde vaststelling van de jaarrekening maar betekent enkel dat de ava opnieuw kan besluiten hoe zij wenst te beschikken over de winst over het boekjaar 2009. Het besluit tot winstbestemming is een afzonderlijk besluit en staat ter discretie van de ava van de vennootschap. De ava zal niet besluiten tot uitkering van de winst maar tot toevoeging aan de reserves, aldus gedaagden.

4.3.

Vernietiging van een besluit kan plaatsvinden op een vordering tegen de rechtspersoon van iemand die een redelijk belang heeft bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen, zoals bedoeld in artikel 2:15 lid 3 sub a BW. Ter beantwoording ligt de vraag voor of [EISER] een dergelijk redelijk belang heeft. Een redelijk belang ontbreekt doorgaans indien de vernietiging niet het door [EISER] beoogde effect zal sorteren.

[EISER] beoogt met de vernietiging van het besluit dat de voorziening dubieuze debiteuren uit de jaarrekening 2009 wordt gehaald, waardoor de winst van de vennootschap over dat jaar met een bedrag van € 42.453,00 wordt verhoogd, hetgeen volgens [EISER] ertoe leidt dat (een gedeelte van) die winst via de stichting alsnog aan de winstcertificaathouders wordt uitgekeerd. Vernietiging van het besluit zal echter niet automatisch leiden tot winstuitkering aan de winstcertificaathouders, maar brengt met zich dat de ava opnieuw over de goedkeuring en vaststelling van de jaarrekening 2009 zal moeten beslissen. Niet staat vast dat, als een nieuw besluit over de jaarrekening van 2009 zou leiden tot verhoging van de winst, die winst aan de stichting ter beschikking wordt gesteld ter uitkering aan de winstcertificaathouders. Immers is het aan de ava om vervolgens te besluiten over de bestemming van die winst. De vennootschap betoogt dat de ava niet zal besluiten tot uitkering van de winst aan de stichting, maar tot toevoeging aan de reserves. Dit heeft [EISER] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarmee staat vast dat verhoging van de winst niet zal leiden tot uitkering aan de winstcertificaathouders, zodat met vernietiging van het besluit niet het door [EISER] beoogde effect wordt bereikt. [EISER] heeft daarom geen redelijk belang bij zijn vordering tot vernietiging van het besluit van 1 november 2010, nog daargelaten de vraag of hij behoort tot de kring van personen die in dit verband door artikel 2:8 BW wordt geadresseerd. Immers is [EISER] houder van door de stichting uitgegeven winstcertificaten terwijl hij vernietiging van een besluit van de ava van de vennootschap vordert.

Het voorgaande leidt ertoe dat deze vordering van [EISER] moet worden
afgewezen.

het besluit van 4 januari 2011

4.4.

Bij besluit van 14 maart 2011 en zoals neergelegd bij brief van 11 mei 2011 is de stichting overgegaan tot opheffing van het reglement. [EISER] stelt zich op het standpunt dat dit besluit niet rechtsgeldig is genomen, omdat ten tijde van die besluitvorming in het bestuur van de stichting een vacature bestond. Op basis van het reglement in samenhang met de statuten uit 2007 kon onder die omstandigheden niet rechtsgeldig worden besloten tot opheffing of wijziging van het reglement. De stichting betoogt dat de statuten waarnaar [EISER] verwijst niet langer van kracht waren omdat zij bij besluit van 4 januari 2011 haar statuten heeft gewijzigd. Met deze statutenwijziging heeft de stichting haar besluitvormingsproces gewijzigd, in die zin dat vanaf die datum ook besloten kan worden tot opheffing of wijziging van het reglement als er binnen haar bestuur een vacature bestond, aldus de stichting. Ter onderbouwing van haar betoog dat de statuten zijn gewijzigd, verwijst de stichting naar de door haar als productie 1 overgelegde statuten.

[EISER] betwist dat die productie daadwerkelijk de inhoud van de statuten van de stichting per 4 januari 2011 weergeeft, omdat het hier niet om een notariële akte gaat. Dit betoog kan [EISER] niet baten. De statuten worden voorafgegaan door een verklaring van[Notaris] waarin hij verklaart dat hij er zich naar beste kunnen van heeft overtuigd dat de statuten van de stichting, na wijziging bij akte op 4 januari 2011, luiden overeenkomstig de aan zijn verklaring gehechte tekst. Gelet op de inhoud van deze verklaring is voldoende komen vast te staan dat de statuten van de stichting per 4 januari 2011 luiden zoals blijkt uit productie 1 bij de conclusie van antwoord.

4.5.

[EISER] stelt zich verder op het standpunt dat het besluit tot wijziging van de statuten vernietigbaar is, omdat niet voldaan is aan de eisen voor de totstandkoming van dat besluit, zoals neergelegd in artikel 2:15 lid 1 sub a BW. Immers op basis van de tot die datum geldende statuten was wijziging daarvan alleen mogelijk via een bij algemene stemmen genomen bestuursbesluit ‘zonder dat in het bestuur enige vacature bestaat’. Vast staat dat die vacature wel bestond, waardoor het toenmalige bestuur niet tot het besluit tot wijziging van de statuten kon komen, aldus [EISER].

De stichting betoogt dat [EISER] geen vordering meer tot vernietiging van het besluit van 4 januari 2011 kan instellen. De statutenwijziging is op 7 januari 2011 gepubliceerd in het handelsregister en op dat moment is aan het besluit tot statutenwijziging voldoende kenbaarheid gegeven. Als gevolg daarvan is op
7 januari 2011 de termijn van 12 maanden waarbinnen vernietiging van het besluit kan worden ingeroepen, gaan lopen. Inmiddels is er meer dan een jaar verstreken na de bekendmaking van deze wijziging, waardoor nu geen vordering meer tot vernietiging van het besluit worden ingesteld, aldus de stichting.

4.6.

De rechtbank overweegt het volgende. Artikel 2:15 lid 5 BW bepaalt dat de bevoegdheid om vernietiging van het besluit te vorderen, vervalt een jaar na het einde van de dag, waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij in januari 2011 voldoende bekendheid heeft gegeven aan de statutenwijziging van 4 januari 2011, heeft de stichting een uittreksel uit het handelsregister van 11 januari 2011 overgelegd. Op dit uittreksel staat vermeld dat de akte van de laatste statutenwijziging dateert van
4 januari 2011. Gesteld noch gebleken is dat de wijze waarop de stichting die wijziging openbaar heeft gemaakt, niet in overeenstemming met de wettelijk voorgeschreven wijze is geschied. Omdat het handelsregister een openbaar register is en aldus door een ieder is te raadplegen, heeft de stichting in januari 2011 inderdaad voldoende bekendheid gegeven aan de wijziging van haar statuten, zoals bedoeld in artikel 2:15 lid 5 BW. Dit betekent dat de termijn waarbinnen een beroep op vernietiging van het besluit van 4 januari 2011 kan worden gedaan, eindigde in januari 2012. Dat [EISER] feitelijk eerst bij brief van 11 mei 2011 kennis heeft genomen van de omstandigheid dat de statuten zouden zijn gewijzigd, kan de stichting niet worden tegengeworpen. Verder valt niet in te zien waarom het beroep van de stichting op de inschrijving van de statutenwijziging in het handelsregister in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn, zoals [EISER] stelt. Vast staat dat [EISER] eerst bij wijziging van eis van 11 april 2012 - en daarmee na het einde van de vervaltermijn - vernietiging van het besluit van
4 januari 2011 heeft gevorderd. Dit brengt met zich dat de vordering tot vernietiging van dat besluit niet toewijsbaar is.

het besluit van 14 maart 2011, vastgelegd op 11 mei 2011

4.7.

Aan de gevorderde verklaring voor recht dat dit besluit tot opheffing van het reglement nietig is op basis van het bepaalde in artikel 2:14 BW, legt [EISER] ten grondslag dat het besluit is genomen in strijd met de in de statuten gestelde eisen. Immers is het besluit genomen door twee bestuursleden, terwijl de statuten voorschrijven dat er ten minste drie bestuursleden moeten zijn zonder dat in het bestuur een vacature bestaat. Hierdoor was het niet mogelijk om met algemene stemmen tot opheffing van het reglement te besluiten, aldus [EISER].

[EISER] heeft deze vordering gebaseerd op de statuten van de stichting uit 2007. Uit hetgeen hiervoor werd overwogen, blijkt dat de stichting haar statuten op
4 januari 2011 heeft gewijzigd en dat het voorschrift dat er ten tijde van de besluitvorming geen vacature in het bestuur mocht bestaan, is geschrapt. Daarmee is de primaire grondslag aan deze vordering van [EISER] ontvallen.

4.8.

[EISER] stelt zich daarnaast op het standpunt dat het besluit genomen is in strijd met de redelijkheid en billijkheid die artikel 2:15 lid 1 BW en artikel 2:8 BW meebrengen. Met het besluit wordt het recht op een winstuitkering opgeheven terwijl daarvoor geen enkele materiële grondslag bestond, aldus [EISER].

Gedaagden betwisten dat het besluit vernietigbaar is. Op basis van de toenmalige statuten was het bestuur zelfstandig gerechtigd om tot opheffing van het reglement te besluiten. Bij het uitoefenen van die bevoegdheid heeft het bestuur zeer zorgvuldig gehandeld, door alle voorschriften in acht te nemen en alle belangen - waaronder de belangen van de participanten bij eventuele handhaving van het reglement - in haar besluitvorming te betrekken. Het bestuur had meerdere steekhoudende argumenten om tot afschaffing van het reglement over te gaan waardoor van strijd met de redelijkheid en billijkheid geen sprake is, aldus gedaagden.

4.9.

Vooropgesteld wordt dat [EISER] destijds houder was van door de stichting uitgegeven winstcertificaten. Hiermee behoort [EISER] tot de kring van personen waarop artikel 2:8 BW betrekking heeft. De vraag die voorligt is of de stichting bij afweging van alle bij het besluit tot opheffing van het reglement betrokken belangen van de in artikel 2:8 bedoelde kring van personen in redelijkheid en naar billijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen. De rechtbank overweegt in dit kader dat de stichting niet onmiddellijk tot opheffing van het reglement is overgaan, maar dat zij eerst op een bijeenkomst met alle deelnemers een voornemen tot opheffing van het reglement heeft aangekondigd. Uit de notulen van de desbetreffende vergadering van winstcertificaathouders blijkt dat [EISER] bij die vergadering aanwezig was, dat het onderwerp van die vergadering het bespreken van de beëindiging van het reglement was en dat gedurende die vergadering vragen zijn gesteld en beantwoord over het voornemen tot opheffing van het reglement. Niet gebleken is dat er concrete bezwaren zijn geuit tegen het voornemen. Vervolgens heeft het bestuur de participanten in mei 2011 op de hoogte gebracht van de voortgang ter zake. Aan [EISER] moet worden toegegeven dat het besluit tot opheffing van het reglement voor hem als certificaathouder onvoordelig is, maar uit de hiervoor geschetste gang van zaken blijkt niet dat het bestuur haar bevoegdheid lichtvaardig en niet met de juiste zorgvuldigheid zou hebben uitgeoefend. Dat er sprake is van strijd met redelijkheid en billijkheid is niet gebleken.

4.10.

[EISER] baseert dit gedeelte van de vordering ook op de stelling dat gedaagden jegens hem zijn gehouden tot nakoming van de vaststellingsovereenkomst van
7 april 2010. [EISER] stelt dat het gedaagden gelet op die overeenkomst in 2011 naar redelijkheid en billijkheid niet vrij heeft gestaan om tot opheffing van het reglement over te gaan. Deze stellingen van [EISER] zien wederom op artikel 2:8 en 2:15 BW, die de interne rechtsverhoudingen binnen de organisatie op het oog hebben. Zoals gezegd behoort hij als winstcertificaathouder weliswaar tot de door deze artikelen geadresseerde kring van personen, maar in dit kader beroept hij zich op nakoming van de vaststellingsovereenkomst, zijnde een externe rechtsverhouding van de rechtspersonen, waarbij hij partij is. Hierop zien de artikelen 2:8 en 2:15 niet. Voor zover moet worden gezegd dat de rechtspersonen een (klein) jaar na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst rekening hadden moeten houden met zijn gerechtvaardigde belangen als partij bij de overeenkomst, kan dit niet leiden tot het door [EISER] beoogde gevolg van vernietiging van het opheffingsbesluit. Hoogstens kan dit besluit leiden tot schadeplichtigheid jegens hem, doch daaromtrent is niets gesteld of gebleken.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat ook dit deel van de vordering moet worden afgewezen.

het besluit van 19 mei 2011

4.12.

Bij besluit van 19 mei 2011 zijn de statuten van de stichting nogmaals gewijzigd. [EISER] vordert vernietiging van dit besluit, voor zover de wijziging van de statuten betrekking heeft op de wijziging in het besluitvormingsproces. De stichting heeft onweersproken gesteld dat deze statutenwijziging uitsluitend zag op het uit de haar statuten verwijderen van verwijzingen naar het reglement. Gelet hierop en omdat de andere bestreden besluiten niet nietig of vernietigbaar zijn gebleken, heeft [EISER] geen belang bij dit onderdeel van de vordering. Daarom dient ook dit onderdeel van zijn vordering te worden afgewezen.

nakoming van het reglement

4.13.

[EISER] vordert verder hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot nakoming van het reglement en tot het uitkeren van winst over de jaren 2006 tot en met 2010 en verder. Uit al hetgeen hiervoor werd overwogen blijkt dat begin 2011 rechtsgeldig is besloten tot opheffing van het reglement. Van nakoming van dat reglement vanaf 2011 kan daarom geen sprake zijn.

Voor de uitkering over de periode 2006 tot en met 2010 geldt het volgende. Artikel 5 van het reglement bepaalt dat het bestuur gedurende een termijn van vier jaar volgend op het boekjaar waarop de uitkering betrekking had, kan besluiten om alsnog tot (aanvullende) uitkering over te gaan, zonder dat het bestuur daartoe verplicht is. Het bestuur is derhalve niet verplicht om tot uitkering over te gaan, maar de beslissing om alsnog uit te keren is een discretionaire bevoegdheid van het bestuur. Wegens het ontbreken van een verplichting van het bestuur van de stichting om tot uitkering te beslissen, leent ook dit onderdeel van de vordering zich niet voor toewijzing.

Bovendien heeft [EISER] - wat daarvan verder ook zij - geen belang bij zijn vordering tot verhoging van de jaarwinst over 2009 met de verlangde € 42.563,00. De tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 7 april 2010 kan aan het voorgaande niet afdoen. De overeenkomst brengt voor gedaagden weliswaar de verplichting met zich om het reglement jegens [EISER] te respecteren, maar zoals hiervoor al werd overwogen, brengt het reglement geen dwingende verplichting tot het doen van winstuitkeringen met zich.

proceskosten

4.14.

[EISER] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van gedaagden worden begroot op:

- griffierecht € 560,00

- salaris advocaat 1.130,00 (2,5 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.690,00

4.15.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen als na te melden.

ten slotte

4.16.

Wegens organisatorische redenen is dit vonnis gewezen door een andere rechter dan de rechter ten overstaan van wie de comparitie na antwoord heeft plaatsgevonden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [EISER] in de proceskosten, aan de zijde van gedaagden tot op heden begroot op € 1.690,00,

5.3.

veroordeelt [EISER] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [EISER] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Allegro en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2012.