Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2012:3856

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
20-09-2012
Datum publicatie
26-02-2016
Zaaknummer
AWB-12_947
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:739, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek van eiseres om naturalisatie tot Nederlander afgewezen omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/947

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 september 2012 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres,

(gemachtigde: mr. F. Kilic),

en

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), verweerder,

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om naturalisatie tot Nederlander afgewezen omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor naturalisatie.

Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 29 februari 2012 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich, met afbericht, ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1.

De rechtbank moet in deze zaak beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden het verzoek van eiseres om naturalisatie heeft afgewezen.

2.

Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres is op 15 oktober 2004 in Turkije gehuwd met [naam] .

Met ingang van 10 april 2006 is zij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenoot”. Eiseres is per die datum op hetzelfde adres als haar echtgenoot ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA). Sinds 7 augustus 2011 staat eiseres op een ander GBA-adres ingeschreven dan waar haar echtgenoot ingeschreven staat.

3.

Ingevolge artikel 7 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) kan, aan vreemdelingen die daarom verzoeken, met inachtneming van de bepalingen in dat Hoofdstuk, bij Koninklijk Besluit het Nederlanderschap worden verleend.

Artikel 8 van de RWN luidt, voor zover van belang, als volgt:

1.

Voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 komt slechts in aanmerking de verzoeker

  1. . die meerderjarig is;

  2. . tegen wiens verblijf voor onbepaalde tijd in het Europese deel van Nederland (..) geen bedenkingen bestaan;

  3. . die tenminste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in het Europese deel van Nederland (..) toelating en hoofdverblijf heeft;

  4. . die in het Koninkrijk en het land van ingezetenschap als ingeburgerd kan worden beschouwd op grond van het feit dat hij beschikt over een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen mate van kennis van de Nederlandse taal (..) alsmede van de Nederlandse (..) staatsinrichting en maatschappij, en hij zich ook overigens in de Nederlandse (..) samenleving heeft doen opnemen; en

  5. . die verklaart bereid te zijn bij de verkrijging van het Nederlanderschap een verklaring van verbondenheid af te leggen (..).

2.

Het eerste lid, onder c, geldt niet met betrekking tot de verzoeker die (..) sedert tenminste drie jaren de echtgenoot is van en samenwoont met een Nederlander (..).

3.

De termijn bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt op twee jaren gesteld voor degene die in totaal ten minste tien jaren in het Europese deel van Nederland (..) toelating en hoofdverblijf heeft gehad.

Verweerder hanteert bij de toepassing van de RWN de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding).

4.

Verweerder neemt in het bestreden besluit het standpunt in dat eiseres, omdat zij sinds 7 augustus 2011 niet meer op hetzelfde adres woont als haar echtgenoot, niet voldoet aan de beperking van haar destijds toegekende reguliere verblijfsvergunning, te weten ‘verblijf bij echtgenoot’. Om die reden bestaan er volgens verweerder bedenkingen tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, zodat niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b van de RWN. Voorts voldoet eiseres volgens verweerder niet aan het in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c van de RWN gestelde vereiste van toelating en hoofdverblijf van vijf jaren, of de daarop in de leden twee tot en met vijf van dat artikel gemaakte uitzonderingen.

5.

Eiseres heeft haar beroepsgronden ter zitting als volgt toegelicht. Volgens eiseres voldeed zij op het moment van haar verzoek op 21 maart 2011 op drie weken na aan de in artikel 8, eerste lid, onder c van de RWN genoemde termijn van vijf jaren. Daarnaast voldeed zij op dat moment aan de in het vierde lid van dat artikel gestelde termijn van drie jaren. Nadien hebben zich echter onvoorziene omstandigheden voorgedaan. Eiseres is namelijk slachtoffer geworden van huiselijk geweld waardoor in augustus 2011 een onhoudbare situatie was ontstaan waarna het huwelijk met haar echtgenoot vervolgens in oktober 2011 is ontbonden. Hoewel eiseres ten tijde van het primaire besluit daarom net niet meer voldeed aan het vereiste van drie jaar samenwonen, had zij op dat moment wel tenminste vijf jaren toelating en hoofdverblijf in Nederland. Gelet op die omstandigheden moet volgens eiseres voor de beoordeling van artikel 8, eerste lid, onder c van de RWN als toetsmoment de datum van het primaire besluit worden aangehouden.

Daarnaast betwist eiseres dat er bedenkingen bestaan tegen haar verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland in de zin van artikel 8, eerste lid, onder b van de RWN, omdat zij onafgebroken rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland. Volgens eiseres was er geen sprake van een verblijfsgat tussen haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot’ en de met ingang van 24 november 2011 toegekende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Bovendien had zij een voortdurend recht op onbeperkt verblijf op grond van artikel 13 van het besluit 1/80.

Tot slot had verweerder volgens eiseres niet af mogen zien van het horen van eiseres in de bezwaarprocedure.

6.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden aan eiseres heeft tegengeworpen dat zij niet tenminste vijf jaren onmiddellijk voorafgaand aan het naturalisatieverzoek toelating en hoofdverblijf had in Nederland. Vast staat immers dat eiseres met ingang van 10 april 2006 (rechtmatig) verblijf had in Nederland, terwijl zij haar aanvraag tot naturalisatie op 21 maart 2011 heeft ingediend. Dat zich na indiening van het verzoek voor eiseres onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, zoals zij stelt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met zich meebrengen dat verweerder in afwijking van artikel 8, eerste lid, onder c van de RWN de datum van het primaire besluit als beoordelingsmoment had moeten hanteren. Deze beroepsgrond slaagt derhalve niet. Nu eiseres tevens niet reeds tien jaar toelating en hoofdverblijf had in Nederland en zij ten tijde van de beslissing op haar naturalisatieverzoek niet langer met haar echtgenoot samenwoonde, heeft verweerder zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat geen verkorte termijn als bedoeld in artikel 8 van de RWN van toepassing is. Uit de Handleiding en jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS, zie bijvoorbeeld LJN BK8001) volgt immers dat het huwelijk en de samenwoning als bedoeld in het tweede lid van dat artikel dienen voort te duren op het moment van de beslissing op het verzoek.

7.

Ten aanzien van de beroepsgrond van eiseres dat artikel 8, eerste lid, onder b niet aan de orde is, oordeelt de rechtbank als volgt.

7.1

Volgens de Handleiding kunnen bij het indienen van een verzoek om naturalisatie en tijdens de behandeling van dat verzoek omstandigheden aan het licht komen die grond kunnen vormen om de verblijfsvergunning in te trekken dan wel niet te verlengen. Indien er aanwijzingen bestaan dat een verblijfsvergunning dient te worden ingetrokken dan wel niet dient te worden verlengd, kunnen er – ondanks dat verzoeker (nog) in het bezit is van een geldig verblijfsdocument – wel bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd. Uiteindelijk is doorslaggevend of er op het moment van de beslissing op het verzoek om naturalisatie dergelijke bedenkingen bestaan. Als er ten tijde van het verzoek geen, maar op het moment van de beslissing wel bedenkingen bestaan, komt de verzoeker niet in aanmerking voor naturalisatie.

Ingevolge de Handleiding en vaste jurisprudentie van de ABRvS (zie LJN BA7083 en BJ4136) gaat het te ver om in de naturalisatieprocedure zelfstandig te onderzoeken of de verzoeker in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning die naar zijn aard al dan niet tijdelijk is. De naturalisatieprocedure is daar niet op ingericht en is daar ook niet voor bedoeld. Inzet van de naturalisatieprocedure is evenmin de vraag of de verblijfsvergunning die de verzoeker bezit al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Vragen omtrent de verlening, de intrekking dan wel de niet-verlenging van een verblijfsvergunning behoren in beginsel inzet te zijn van een vreemdelingenrechtelijke procedure op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

7.2

Vast staat dat eiseres ten tijde van de beslissing op haar verzoek niet langer samenwoonde met haar echtgenoot. De rechtbank is van oordeel dat verweerder daarom terecht heeft aangenomen dat er bedenkingen in de zin van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b van de RWN bestonden. Eiseres had immers ten tijde van haar verzoek een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot’, aan welke beperking zij op het moment van beslissen op dat verzoek niet meer voldeed. Ingevolge Bijlage 6 van de Handleiding is het niet langer voldoen aan de beperking (voorwaarden) of voorschrift waaronder verblijfsvergunning is verleend reden voor intrekking of niet-verlenging daarvan. Zoals ook uit de Handleiding volgt, konden in dit geval wel bedenkingen bestaan tegen het verblijf voor onbepaalde tijd, ondanks het feit dat in deze naturalisatieprocedure niet de vraag voorligt of de verblijfsvergunning al dan niet moet worden ingetrokken dan wel niet moet worden verlengd. Hetgeen eiseres heeft gesteld omtrent haar voortdurend recht op onbeperkt verblijf kan aan het voorgaande niet af doen. Nu de naturalisatieprocedure en de verblijfsrechtelijke procedure op de voet van de Vreemdelingenwet 2000 gescheiden procedures zijn, had het door eiseres ten aanzien van Associatiebesluit 1/80 gestelde daarom in een eventuele procedure op de voet van de Vreemdelingenwet 2000 kunnen worden aangevoerd. Het betoog van eiseres faalt derhalve.

8.

In de onderhavige zaak heeft verweerder afgezien van het horen van eiseres op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder acht het bezwaar kennelijk ongegrond. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is slechts dan sprake wanneer uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener van het bezwaarschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. De rechtbank is van oordeel dat aan deze voorwaarde is voldaan. Verweerder kon uit het bezwaarschrift aanstonds opmaken dat eiseres niet voldeed aan het bepaalde in artikel 8 van de RWN en dus niet in aanmerking kwam voor naturalisatie. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat eiseres tijdens de hoorzitting wellicht alsnog nieuwe gezichtspunten te berde zou hebben gebracht of haar bezwaargronden anders zou hebben uitgelegd doet daar niet aan af, omdat verweerder de beslissing om van het horen af te zien neemt op basis van hetgeen in het bezwaarschrift naar voren is gebracht. Deze beroepsgrond slaagt daarom evenmin.

9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.B. Liefting-Voogd, rechter, in aanwezigheid van mr. J.I. Vleeming-Wever, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 september 2012.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.