Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BU9656

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
29-12-2011
Datum publicatie
29-12-2011
Zaaknummer
133529 KG ZA 11-422 en 133530 KG ZA 11-423
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vorderingen strekkende tot verbod op herhalen ongefundeerde beschuldigingen toegewezen. Ook gevorderde rectificatie toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

CVZ/MA

datum: 29 december 2011

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak met KG nummer 133529/KG ZA 11-422 van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon PROVINCIE NOORD-HOLLAND,

COLLEGE VAN GEDEPUTEERDE STATEN,

zetelende te Haarlem,

EISERES IN KORT GEDING,

advocaat mr. E.J. Daalder te Den Haag,

tegen:

1. [GEDAAGDE SUB 1],

wonende te Medemblik,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [BEDRIJFSNAAM GEDAAGDE SUB 2],

gevestigd en kantoor houdende te Heerhugowaard,

GEDAAGDEN IN KORT GEDING,

advocaat mr. F. Klemann te Zwolle,

en in de zaak met KG nummer 133530/KG ZA 11-423 van:

1. [EISER SUB 1],

wonende te Volendam, gemeente Edam,

2. [EISER SUB 2],

wonende te Nijkerk,

3. [EISER SUB 3],

wonende te Hoorn,

EISERS IN KORT GEDING,

Advocaat mr. C. Hellingman te Amsterdam,

tegen:

1. [GEDAAGDE SUB 1],

wonende te Medemblik,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [BEDRIJFSNAAM GEDAAGDE SUB 2],

gevestigd en kantoor houdende te Heerhugowaard,

GEDAAGDEN IN KORT GEDING,

advocaat mr. F. Klemann te Zwolle.

Partijen zullen verder worden genoemd de eisers "de Provincie" respectievelijk "[eisers 11-423]" en gedaagden gezamenlijk "[gedaagden]" dan wel ieder afzonderlijk "[gedaagde sub 1]" en "[gedaagde sub 2]".

1. HET VERLOOP VAN HET GEDING

Ter terechtzitting van 19 december 2011 hebben de Provincie en [eisers 11-423] ieder voor zich gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaardingen.

[gedaagden] hebben de vorderingen bestreden.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van de zijde van de Provincie en [eisers 11-423] de originele dagvaardingen en van alle partijen pleitnotities, overgelegd en vonnis gevraagd.

De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2. DE UITGANGSPUNTEN

2.1 In 2004 hebben Provinciale Staten het Streekplan voor Noord-Holland Noord (Ontwikkelingsbeeld voor Noord-Holland) vastgesteld. Dit streekplan voorziet onder meer in de ontwikkeling van een locatie aan de Jaagweg in Wester-Koggenland tot regionaal bedrijventerrein. De Provincie heeft voor dat doel gronden aangekocht.

2.2 De ontwikkeling van het bedrijventerrein is nog niet gerealiseerd, aangezien er een conflict bestaat tussen de Provincie en de beoogde ontwikkelaar van de gronden, Distriport Noord-Holland C.V. De locatie wordt ook wel aangeduid als de Distriport-gronden.

2.3 [gedaagde sub 1] is projectontwikkelaar. Via [gedaagde sub 2] is hij is onder meer eigenaar van gronden in Wester-Koggenland. Hij deed met deze gronden mee in de procedure rond de besluitvorming omtrent het Streekplan en hoopte dat de bestemming 'bedrijventerrein' op zijn gronden gevestigd zou worden. Deze bestemming is echter na de besluitvorming door Provinciale Staten gevestigd op het eerder genoemde terrein aan de Jaagweg.

2.4 Op 19 april 2011 heeft er op verzoek van [gedaagde sub 1] een gesprek plaatsgevonden tussen hem en de Commissaris van de Koningin te Noord-Holland, de heer [naam 1]. In dat gesprek heeft [gedaagde sub 1] opgemerkt dat er sprake is geweest van omkoping van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] bij de totstandkoming van de besluitvorming rond de Distriport-gronden.

2.5 Op 4 oktober 2011 heeft [gedaagde sub 1] telefonisch contact gehad met een medewerkervan de Sector Economie van de Provincie. In dat gesprek heeft [gedaagde sub 1] onder meer zijn bereidheid uitgesproken om via [gedaagde sub 2] de Distriport-gronden van de Provincie over te nemen zodra dat juridisch mogelijk zou zijn. Voorts heeft hij in dat gesprek opnieuw gerefereerd aan wat hij noemde 'een omkoopschandaal', waarbij het bedrijf [naam 2]] [eiser sub 1] en [eiser sub 2] geld zou hebben gegeven in ruil voor hun medewerking bij de totstandkoming van het Streekplan in de door [naam 2]] gewenste zin. Ook [eiser sub 3] zou hierbij betrokken zijn geweest.

2.6 Op 5 oktober 2011 heeft [eiser sub 1], nadat hij van de beschuldiging had gehoord, telefonisch contact gezocht met [gedaagde sub 1]. In dat gesprek heeft [gedaagde sub 1] zijn beschuldiging herhaald.

2.7 Op 6 oktober 2011 heeft [gedaagde sub 1] in een brief aan de heer [naam 1] meegedeeld dat hij over de beschuldiging een verklaring wenst af te leggen in de toen nog op te richten Commissie Schoon Schip. Hij vraagt in die brief advies hoe hij verder moet handelen.

2.8 In een brief van 19 oktober 2011 heeft het College van Gedeputeerde Staten (hierna: het College) vastgesteld dat de beschuldigingen van [gedaagde sub 1] als zij op feiten berusten zeer ernstig zijn en dat dat grond zou zijn voor het College om een onderzoek in te stellen. Voorts is in die brief echter vastgesteld dat [gedaagde sub 1] zijn beschuldigingen tot op dat moment niet heeft onderbouwd en dat hij om die reden in de gelegenheid wordt gesteld een en ander toe te lichten en alsnog eventueel bewijsmateriaal over te leggen in een gesprek met de Provinciesecretaris. Tevens heeft het College in die brief aangekondigd dat, indien [gedaagde sub 1] niet bereid zal zijn tot een dergelijk gesprek maar wel zou doorgaan met het uiten van de beschuldigingen, zij zich op nader te nemen stappen zou beraden.

2.9 [gedaagde sub 1] heeft niet ingestemd met een gesprek met de Provinciesecretaris.

2.10 [gedaagde sub 1] heeft vervolgens contact gezocht onder meer met Statenlid H. [naam 4]. Hij heeft hem in het bezit gesteld van de brief van 19 oktober 2011 van het College.

2.11 Op 24 oktober 2011 heeft Statenlid [naam 4] in de media aangekondigd dat hij tijdens het Presidium van diezelfde datum een beschuldiging van corruptie en omkoping van oud en zittend gedeputeerde(n) zal openbaren. Hij heeft vervolgens aan vertegenwoordigers van de verschenen media een exemplaar van voornoemde brief van het College ter hand gesteld. Voorts heeft hij tijdens het Presidium statenvragen aan het College gesteld.

2.12 In een brief van 25 oktober 2011 heeft [gedaagde sub 1] aan de heer [naam 1] om een bevestiging gevraagd dat hij door de Commissie Schoon Schip en niet door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland gehoord zal worden.

2.13 Op 29 oktober 2011 heeft het College schriftelijk verklaard dat de brieven van [gedaagde sub 1] zullen worden doorgeleid aan genoemde commissie, maar dat de beschuldigingen van [gedaagde sub 1] dusdanig ernstig zijn dat het onderzoek van de commissie niet kan worden afgewacht. Opnieuw is [gedaagde sub 1] uitgenodigd voor een gesprek. Opnieuw is [gedaagde sub 1] niet op deze uitnodiging ingegaan.

2.14 Op 1 november 2011 is een artikel verschenen in het Noordhollands Dagblad naar aanleiding van een gesprek met [gedaagde sub 1]. Ook daarin wordt de eerdergenoemde beschuldiging geuit. Op de vraag van de journalist of [gedaagde sub 1] zijn beschuldiging hard kan maken, heeft deze (volgens het artikel) geantwoord: 'Dat doe ik bij de commissie. Daar wil ik nu niets over zeggen.". Tot slot wordt in het artikel vermeld dat [eiser sub 3] niet zelf omgekocht zou zijn, maar dat deze wel goed vond wat er gebeurde.

2.15 Ook in het Haarlems Dagblad van 25 oktober 2011 en 1 november 2011 zijn artikelen verschenen waarin de beschuldigingen zijn weergegeven.

2.16 Bij besluit van de Provincie Holland van 1 november 2011 is het instellingsbesluit van de onderzoekscommissie Operatie Schoon Schip vastgesteld. Dit instellingsbesluit geeft in artikel 2 onder meer de volgende taak aan voor de commissie:

"De commissie heeft tot taak:

1. te onderzoeken of er bij onderwerpen en activiteiten waar bestuurders van de provincie Noord-Holland bij betrokken zijn (geweest) in de periode 2003-2011, nu ten onrechte zaken onbekend of onvoldoende bekend zijn aan het college van Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten, die wel bekend hadden moeten zijn."

In artikel 8 van genoemd instellingsbesluit wordt onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 8 rapportage

1. De commissie stelt haar bevindingen op schrift en brengt bij voorkeur vóór 1 mei 2012 aan het college van Gedeputeerde Staten een rapport uit over haar bevindingen, de door haar daaraan verbonden conclusies en aanbevelingen.

(...)

4 Indien tijdens het onderzoek ernstige onregelmatigheden aan het licht komen, waarbij het van belang is dat het college van Gedeputeerde Staten en/of Provinciale Staten zo spoedig mogelijk worden geïnformeerd, dan zal de voorzitter van de commissie dit tussentijds aan het College van Gedeputeerde Staten voorleggen. Het college van Gedeputeerde Staten neemt indien noodzakelijk of wenselijk gepaste maatregelen en informeert de commissie daarover."

2.17 Bij brief van 2 november 2011 is [gedaagde sub 1] door de raadsman van de Provincie gesommeerd uiterlijk 9 november 2011 schriftelijk te bevestigen dat hij zijn beschuldigingen niet meer zal herhalen zolang het oordeel van de commissie Schoon Schip niet is gegeven, dan wel om de beschuldigingen alsnog binnen vijf dagen na verzending van de brief in een gesprek met de provinciesecretaris met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen.

2.18 Op 3 november 2011 heeft [gedaagde sub 1] schriftelijk meegedeeld in brieven aan de Commissaris van de Koningin en de raadsman van de Provincie aan de sommatie geen gevolg te zullen geven.

3. DE VORDERING EN DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

In de zaak met KG nummer 133529/KG ZA 11-422

3.1 De Provincie vordert dat [gedaagden] worden veroordeeld:

1) om tezamen en ieder voor zich, zich te onthouden van iedere uitlating, die er toe strekt en/of de indruk wekt dat oud-Statenlid [eiser sub 1] en/of oud-Statenlid [eiser sub 2] en/of oud-gedeputeerde [eiser sub 3] zich in het kader van de vaststelling van het Streekplan "Ontwikkelingsbeeld voor Noord-Holland" schuldig hebben/heeft gemaakt aan omkoping, corruptie of enig ander strafbaar feit, althans bij een dergelijk strafbaar en/of onrechtmatig feit in welk opzicht dan ook betrokken is/zijn geweest, zolang [gedaagden] in gebreke zijn gebleven om de beschuldigingen aan het adres van [eiser sub 1], [eiser sub 2] en/of [eiser sub 3] deugdelijk ten overstaan van de Provincie te onderbouwen, zulks op straffe van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van [euro] 10.000,-- voor iedere keer dat [gedaagden], althans een van hen, dit verbod overtreedt;

2 )in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis;

3) in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op [euro] 131,-- dan wel in het geval van betekening [euro] 199,--;

4) met verklaring dat het vonnis met de proceskostenveroordelingen daaronder begrepen uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

3.2 De Provincie legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig handelen jegens haar door - ondanks herhaald verzoek daartoe - stelselmatig te weigeren de gedane beschuldigingen met bewijs te onderbouwen. Door deze opstelling van [gedaagden] is het immers voor de Provincie niet mogelijk de beschuldigingen geuit door [gedaagden] op waarheid te onderzoeken.

3.3 [gedaagden] hebben verweer gevoerd. Zij hebben zich onder meer op het standpunt gesteld dat de Provincie niet kan worden ontvangen in haar vorderingen, aangezien aan de Provincie als overheidsorgaan geen beroep op het grondrecht van artikel 8 EVRM toekomt. Het orgaan is geen persoon die zich door dergelijke uitlatingen gekwetst kan voelen en als publiek orgaan moet zij kunnen omgaan met kritiek geuit door burgers. Voorts hebben zij gesteld dat [gedaagde sub 2] ten onrechte in de onderhavige procedure is betrokken, aangezien de uitlatingen zijn gedaan door [gedaagde sub 1] in privé. Subsidiair hebben zij aangevoerd dat, voor het geval de voorzieningenrechter zal oordelen dat de Provincie wel ontvankelijk is in haar vorderingen tegen [gedaagde sub 1] en/of [gedaagde sub 2], het grondrecht van vrijheid van meningsuiting van [gedaagde sub 1] en/of [gedaagden] zwaarder dient te wegen dan het recht van de Provincie om tegen een dergelijke beschuldiging op te treden. Als dat anders zou zijn, zou [gedaagde sub 1] als klokkenluider immers monddood gemaakt worden, aldus [gedaagden] Daarnaast hebben zij aangevoerd dat de vorderingen sowieso niet voor toewijzing in aanmerking komen omdat ze te ruim geformuleerd zijn.

3.4 Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna op de verschillende standpunten van partijen worden ingegaan.

In de zaak met KG nummer 133530/KG ZA 11-423

3.5 [eisers 11-423] vorderen dat [gedaagden] worden veroordeeld:

1) zich, tezamen en ieder voor zich, te zullen onthouden van iedere

uitlating die ertoe strekt dat oud-statenlid [eiser sub 1] en/of oud-statenlid Bruins

Slot en/of oud-gedeputeerde [eiser sub 3] zich in het kader van de vaststelling

van het Streekplan "Ontwikkelingsbeeld voor Noord-Holland"schuldig

hebben/heeft gemaakt aan omkoping, corruptie of enig ander strafbaar feit,

althans bij een dergelijk strafbaar en/of onrechtmatig feit in welk opzicht dan

ook betrokken is/zijn geweest, zulks op straffe van verbeurte van een

onmiddellijk opeisbare dwangsom van [euro] 10.000,-- voor iedere keer dat

[gedaagden], althans een van hen, genoemd verbod overtreedt;

2) ieder voor zich en gezamenlijk de navolgende rectificatie zullen verspreiden binnen een duidelijk zwart omlijnd kader met in kapitalen en vet de kop: RECTIFICATIE, op na te noemen wijze en met de volgende inhoud:

"Op last van de Voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar zijn wij

veroordeeld tot de volgende rectificatie. Wij hebben ten onrechte de oud-statenleden [eiser sub 1] en Johan [eiser sub 2] beschuldigd van omkoping en

corruptie rond de besluitvorming betreffende de zogenoemde Distriport

gronden (Streekplan "Ontwikkelingsbeeld voor Noord-Holland). Wij hebben

ook oud-Gedeputeerde [eiser sub 3] met deze beschuldigingen in verband

gebracht. Geen van deze beschuldigingen vindt steun in enig feitenmateriaal,

zodat de Voorzieningenrechter ons handelen een aantasting in de eer en

goede naam van [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] en dus

onrechtmatig heeft geoordeeld.

[gedaagde sub 1]

[gedaagde sub 2]"

en ieder voor zich en gezamenlijk de rectificatie op de volgende wijze te (doen) verspreiden:

(1) door op de eerstkomende zaterdag en twee daaropvolgende zaterdagen

na het te wijzen vonnis een advertentie te plaatsen op de voorpagina van alle

in Noord-Holland verspreide dagbladen van de Hollandse Dagblad

Combinatie, waaronder mede begrepen doch niet beperkt tot het Haarlems

Dagblad en het Noord-Hollands Dagblad, over een breedte van minimaal drie

kolommen; alsmede

(2) gedurende een aaneengesloten periode van drie weken aanvangend op

de hiervoor onder (1) genoemde dag van de rectificatie in de HDC bladen op

de openingspagina van de website van Vastgoedmarkt tezamen met de

openingspagina van de op genoemde dag of de daarop eerstvolgende datum

uitkomende e-mail nieuwsbrief Vastgoedmarkt over de gehele breedte van de

webpagina resp. over een gelijke breedte en in dezelfde lettergrootte als in

het bericht "Ook CDA-Statenlid [eiser sub 2] omgekocht"; alles zonder enige

nadere toevoeging aan de hiervoor bevolen tekst;

zulks op verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van [euro] 10.000,-

per overtreding te vermeerderen met [euro] 5.000,- per dag of dagdeel dat de

overtreding voortduurt;

(3) tot betaling aan ieder der eisers bij wijze van voorschot op schadevergoeding

een bedrag van [euro] 10.000,-- , des dat de een betalend de ander zal zijn

gekweten;

(4) tot betaling van de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat

daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de

vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen vonnis;

(5) in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op [euro] 131,-- dan wel, in het geval van betekening, [euro] 199,--;

met verklaring dat het vonnis met de proceskostenveroordelingen daaronder begrepen uitvoerbaar bij voorraad zal zijn.

3.6 [eisers 11-423] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagden] onrechtmatig handelen jegens hen door het uiten van beschuldigingen, die zij ondanks herhaald verzoek daartoe weigeren te onderbouwen met bewijzen. [eisers 11-423] voeren aan dat zich tegen dergelijke ongefundeerde beschuldigingen niet in het openbaar kunnen verweren, terwijl hun goede naam wel geschaad wordt door de beschuldigingen. Nu deze beschuldigingen in de lucht blijven hangen is het vertrouwen van hun achterban in hen met betrekking tot het functioneren van [eisers 11-423] in hun verschillende publieke functies afgenomen. Men zal denken 'waar rook is, is vuur' als gevolg waarvan zij schade lijden, aldus [eisers 11-423]

3.7 [gedaagden] hebben verweer gevoerd. Zij hebben onder meer het standpunt ingenomen dat aan [eisers 11-423] geen vorderingsrecht terzake toekomt omdat zij als publiek persoon beter bestand moeten zijn tegen kritische uitlatingen in het openbaar dan een gemiddelde burger. Voor zover de voorzieningenrechter zal oordelen dat [eisers 11-423] wel een vorderingsrecht toekomt, zijn de vorderingen te ruim geformuleerd, gaat de gevraagde rectificatie veel te ver en zijn de gevraagde dwangsommen te buitensporig. Ook de gevorderde schadevergoeding is niet toewijsbaar omdat de gestelde schade, noch het causaal verband tussen de schade en de geuite beschuldiging, voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Een en ander aldus [gedaagden]

3.8 Voor zover voor de beslissing van belang zal hierna nader op de verschillende standpunten van partijen worden ingegaan.

4. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING

In de beide zaken

4.1 Door [gedaagden] is in de beide zaken aangevoerd dat [gedaagde sub 2] ten onrechte in de procedure is betrokken, omdat [gedaagde sub 1] de beschuldigingen uitsluitend als privépersoon heeft geuit. Dit verweer faalt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op grond van de overgelegde stukken voldoende aannemelijk geworden is dat de beschuldiging ook is geuit op briefpapier van [gedaagde sub 2] door [gedaagde sub 1] in zijn hoedanigheid van bestuurder van die vennootschap. Zowel de brieven van 5 oktober 2011 en 3 november 2011 aan de Commissaris van de Koningin als de brief van 8 november 2011 aan de advocaat van de Provincie zijn gesteld op briefpapier van [gedaagde sub 2] en mede uit naam van [gedaagde sub 2] geschreven. Zo houdt de brief van 5 oktober 2011 onder meer het volgende in:

"[gedaagde sub 2] (onderstreping voorzieningenrechter) staat er voor open om straks ook aan deze commissie (voorzieningenrechter: de Commissie Schoon Schip) een verklaring af te geven omtrent de provinciale locatiekeuze in 2004 aangaande de ligging van het te creëren Regionaal Bedrijvenpark, indertijd genaamd Jaagweg, nu genaamd Distriport N-H.

Evenals aan u op 19 april 2011 bij u op uw kamer heeft [gedaagde sub 2] (onderstreping voorzieningenrechter) afgelopen dinsdag 4-10-11 de heer[naam 5], ambtenaar bij de provincie N-H, op de hoogte gebracht van het onrechtmatige dat binnen het Noordhollands Provinciebestuur in de herfst van 2004 heeft plaatsgevonden aangaande de locatiekeuze."

In de brief van 3 november 2011 is onder meer het volgende opgenomen:

"Inzake Distriport-gronden

Wellicht is het u ontschoten dat ondergetekende op 19 april 2011 alleen maar naar u was gekomen om te vragen of u genegen bent om de Distriport-gronden te verkopen. [gedaagde sub 2] is bereid om de gronden van de Provincie te kopen onder voorbehoud dat de Provincie ook daadwerkelijk levert zodra zij de handen vrij heeft. (...) Het is niet onze keuze geweest om het omkoopschandaal aan de grote klok te hangen. Het lijkt ons verstandiger dat u allereerst uw peilen zet op een grondtransactie want daar gaat het om zoals u weet."

Tot slot is door [gedaagde sub 2] in reactie op een sommatiebrief van de advocaat van de provincie op 8 november 2011 schriftelijk onder meer het volgende meegedeeld:

"Evenals wij op 3 november 2011 aan de heer [naam 1] Commissaris van de Koningin van de Provincie Noord-Holland hebben geschreven (...) is het niet onze keuze geweest om het omkoopschandaal aan de grote klok te hangen, maar wel die van de Provincie zelf.

Nu dit omkoopschandaal door de Provincie in de openbaarheid is gebracht kan niemand wie dan ook verbieden om er ook over te praten.(...)

Dat wij niet door het dagelijks bestuur van de Provincie Noord-Holland zelf willen worden gehoord is toch logisch, ter vermijding van zo gezegd: "De slager die zijn eigen vlees keurt."

Gelet op de inhoud van deze brieven wordt geoordeeld dat de Provincie en [eisers 11-423] ook in hun vordering jegens [gedaagde sub 2] kunnen worden ontvangen.

In de zaak met KG nummer 133529/KG ZA 11-422

Komt aan de Provincie een vorderingsrecht toe?

4.2 Vervolgens is door [gedaagden] als meest verstrekkend verweer aangevoerd, dat de Provincie geen vorderingsrecht toekomt, omdat aan haar als publiek orgaan geen beroep op het grondrecht van artikel 8 EVRM toekomt, zodat de Provincie om die reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vorderingen. Door de Provincie is in dat verband aangevoerd dat zij zich niet op een grondrecht beroept maar haar vordering heeft gebaseerd op onrechtmatig handelen door [gedaagden]

4.3 Hieromtrent wordt het volgende overwogen. Het standpunt dat een publiek persoon of een publiek orgaan beter bestand moet zijn tegen kritiek dan een gemiddelde burger is op zichzelf juist. Van een publiek orgaan als Gedeputeerde Staten van een provincie wordt door de burgers echter ook verwacht dat zij ernstige beschuldigingen, geuit over het functioneren van haar (voormalig) ambtenaren, serieus neemt en dat zij in verband met dergelijke beschuldigingen een gedegen onderzoek instelt. De Provincie is ook bereid om een dergelijk gedegen onderzoek te doen instellen. Echter zij dient alvorens te kunnen beslissen of zij daartoe over moet gaan, te beschikken over feitenmateriaal op grond waarvan de beschuldiging wordt gedaan. [gedaagden] zijn echter tot op heden - ondanks herhaald verzoek daartoe - op geen enkele wijze bereid geweest de gedane beschuldigingen met (een begin van) bewijs te onderbouwen. De beschuldigingen zijn publiekelijk gemaakt en bij meerdere gelegenheden herhaald, terwijl voor de burgers niet zichtbaar is of de Provincie iets onderneemt in verband met de beschuldigingen en zo ja welke stappen zij onderneemt. De Provincie is als overheidsorgaan voor een goed bestuur van de provincie mede afhankelijk van de steun en het vertrouwen van haar burgers, welke steun en vertrouwen door de eerder genoemde onduidelijkheid kan worden aangetast. Om die reden wordt geoordeeld dat ook een publiek orgaan als de Provincie in rechte moet kunnen optreden tegen een geuite onjuiste dan wel ongefundeerde beschuldiging, ook als dit betekent dat mogelijk de vrijheid van meningsuiting van een burger in het geding kan komen.

De Provincie kan om die reden worden ontvangen in haar vorderingen.

De vordering van de Provincie

4.4 Zoals hiervoor overwogen, wordt van de Provincie verwacht dat zij een serieus onderzoek instelt indien dergelijke ernstige beschuldigingen met betrekking tot haar ambtenaren worden geuit. Om te beoordelen of een dergelijk onderzoek nodig is, dan wel om een dergelijk onderzoek te kunnen (doen) instellen, dient de Provincie eerst onderzoek te doen naar de feiten en omstandigheden, dan wel andere bewijsstukken die aan de beschuldiging en grondslag liggen. Om die reden is [gedaagden] meermalen gevraagd zijn beschuldigingen in een gesprek toe te lichten en met bewijsstukken te onderbouwen. Tot op heden hebben [gedaagden] echter geweigerd aan te geven op grond waarvan zij tot het oordeel zijn gekomen dat er sprake is geweest van omkoping van [eiser sub 1] en [eiser sub 2], alsmede dat [eiser sub 3] weliswaar niet zelf is omgekocht maar wel goed vond wat er gebeurde. Ook bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het onderhavige kort geding hebben [gedaagden] op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt op grond van welke feiten/of omstandigheden de geuite beschuldigingen tot stand zijn gekomen. In dat verband hebben zij zich uitsluitend uitgelaten in termen als "[gedaagde sub 1] meent dat twee personen omgekocht zijn. " en "[gedaagde sub 1] is aangelopen tegen een situatie die hij ziet als omkoping van Statenleden door een bedrijf."

4.5 Door de weigering van [gedaagden] om aan te geven waarop de beschuldigingen zijn gebaseerd is het voor de Provincie niet mogelijk de gegrondheid van de beschuldiging te onderzoeken. Door [gedaagden] is in dat verband aangevoerd dat zij aan een dergelijk onderzoek door de Provincie niet wensen mee te werken, omdat dat hetzelfde zou zijn als een slager die zijn eigen vlees keurt en dat zij een en ander in een gesprek met de Commissie Schoon Schip wensen toe te lichten. Echter, hiermee gaan [gedaagden] er aan voorbij dat de Provincie in deze een eigen verantwoordelijkheid heeft en dat het niet in het algemeen belang is als dergelijk ernstige beschuldigingen op straat blijven liggen, zonder dat daarnaar een gedegen onderzoek gedaan kan worden. De Commissie Schoon Schip is pas onlangs (bij instellingsbesluit van 1 november 2011) ingesteld en zal niet eerder dan in mei 2012 rapporteren. Bovendien is ter zitting door de Provincie verklaard dat deze commissie niet is ingesteld voor het onderzoeken van strafbare feiten, maar dat indien zij deze tijdens haar onderzoek zal constateren, zij deze feiten zal terugkoppelen met het College van Gedeputeerde Staten of Provinciale Staten die op hun beurt zo nodig de Rijksrecherche zullen vragen een onderzoek in te stellen naar die feiten. Dit is door [gedaagden] niet weersproken. Om die reden valt derhalve niet in te zien waarom [gedaagden] de onderbouwing van de beschuldigingen niet reeds thans kenbaar kunnen maken aan de Provincie zodat deze reeds nu kan bezien of een onderzoek door de Rijksrecherche aangewezen is en daartoe zonodig opdracht kan geven. Nu echter [gedaagden] weigeren de grond van hun beschuldigingen aan de Provincie te openbaren, heeft de Provincie er belang bij dat [gedaagden] zich ook verder onthouden van het herhalen van de beschuldigingen in het openbaar. [gedaagden] hebben vóór het kort geding niet willen toezeggen dat zij zich van het herhalen van deze beschuldigingen zullen onthouden, zodat de Provincie belang heeft bij de door haar gevorderde veroordeling. Weliswaar heeft [gedaagde sub 1] ter zitting bij monde van zijn advocaat verklaard dat hij zich niet meer in het openbaar zal uitspreken over de beschuldigingen totdat de commissie Schoon Schip haar rapport zal hebben uitgebracht, maar gelet op de voorgeschiedenis, de reactie van [gedaagden] in de brief van 8 november 2011 aan de advocaat van de Provincie (Nu dit omkoopschandaal door de Provincie in de openbaarheid is gebracht kan niemand wie dan ook verbieden om er ook over te praten) en de wijze waarop [gedaagden] tijdens de zitting hun aandeel in het geheel hebben gebagatelliseerd, wordt deze toezegging op zichzelf onvoldoende geacht. De Provincie heeft een duidelijk belang bij toewijzing van haar vordering.

4.6 Ook de gevorderde dwangsom is toewijsbaar, zij het dat deze zal worden gematigd en gemaximeerd. Indien [gedaagden] zich aan hun toezegging houden, zullen zij van dit dwangmiddel geen hinder ondervinden.

4.7 [gedaagden] worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van dit geding.

4.8 De Provincie vordert voorts dat [gedaagden] worden veroordeeld om aan haar te voldoen de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf 15 dagen na het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. De voorzieningenrechter begrijpt deze vordering aldus dat [gedaagden] in verzuim komen indien niet-tijdig aan de proceskostenveroordeling wordt voldaan. Deze vordering is toewijsbaar als na te melden.

4.9 De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen als na te melden.

In de zaak met KG nummer 133530/KG ZA 11-423

Komt aan [eisers 11-423] een vorderingsrecht toe?

4.10 Ook in dit geding is door [gedaagden] het verweer gevoerd dat [eisers 11-423] niet ontvankelijk verklaard moeten worden in hun vorderingen. Door [gedaagden] is daartoe aangevoerd dat aan [eisers 11-423] - aangezien de beschuldiging ziet op hun functioneren als statenleden - net zo min een beroep toekomt op het grondrecht van artikel 8 EVRM als aan de Provincie. Ook hier geldt dat het standpunt dat een publiek persoon beter bestand moet zijn tegen kritiek dan een gemiddelde burger op zichzelf juist is. Echter, gelet op de ernst en de aard van de beschuldiging, moet worden aangenomen dat [eisers 11-423] door deze beschuldiging in hun persoonlijke integriteit worden aangetast en in hun verdere functioneren worden belemmerd. Nu [gedaagden] bovendien niet verklaren op grond waarvan zij van mening zijn dat er sprake is geweest van een omkoopschandaal, is het voor [eisers 11-423] ook niet mogelijk zich naar behoren tegen de beschuldiging te kunnen verweren. Om die reden wordt geoordeeld dat zij er voldoende belang bij hebben om in rechte de bescherming van hun goede naam te kunnen afdwingen, althans in ieder geval een verbod op herhaling van de ongefundeerde beschuldigingen te kunnen afdwingen, zodat zij in hun vorderingen kunnen worden ontvangen. Dit verweer van [gedaagden] faalt derhalve.

De vorderingen van [eisers 11-423]

4.11 In deze zaak staan twee maatschappelijk belangen tegenover elkaar. Aan de ene kant het belang dat personen hebben om niet door publicaties en in het openbaar geuite beschuldigingen blootgesteld te worden aan lichtvaardige verdachtmakingen. Aan de andere kant het belang dat niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving kunnen raken blijven voortbestaan. Welke van die belangen in dit geval zwaarder dient te wegen, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. Een van die omstandigheden is de mate waarin de beschuldiging steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal.

4.12 Op grond van de inhoud van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is voldoende aannemelijk geworden dat [gedaagden] hun beschuldiging meermalen onder de aandacht hebben gebracht van personen binnen de Provincie die in hun ogen iets met deze beschuldiging konden uitrichten. Niet kan worden uitgesloten dat [gedaagden] hiermee kennelijk voor ogen hadden om een misstand die de samenleving kan raken, bekend te maken bij het grote publiek. Telkenmale is daarbij echter aan [gedaagden] gevraagd of zij bewijs hadden van hun beschuldiging. Telkens hebben [gedaagden] hetzij ontkennend geantwoord, hetzij verklaard dat men maar moest afwachten op de verklaring die zal worden afgelegd tegenover de commissie Schoon Schip. Juist omdat [gedaagden] niet bereid of in staat waren te komen met bewijzen van hun beschuldiging, was het voor de Provincie niet mogelijk en/of niet noodzakelijk om een onderzoek in te stellen en was het voor [eisers 11-423] niet mogelijk zich adequaat tegen de beschuldiging te verweren. [gedaagden] meenden kennelijk dat men de beschuldiging onvoldoende serieus nam en hebben vervolgens contact gezocht met het Statenlid [naam 4], die klaarblijkelijk wel bereid was de beschuldiging op grond van de brief van de Provincie van 19 oktober 2011 in het Presidium publiekelijk aan de orde te stellen.

4.13 [eisers 11-423] hebben met klem betwist dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan corruptie bij het tot stand komen van de locatiekeuze voor het regionaal bedrijventerrein in 2004. Zij hebben verklaard dat zij sinds de beschuldiging publiekelijk is gemaakt, worden belemmerd in het functioneren in hun verschillende functies omdat de beschuldiging hun persoonlijke integriteit raakt en hun achterban (mogelijk) minder vertrouwen in hun stellen. Zij hebben gesteld dat zij hierdoor schade leiden.

4.14 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Voorop gesteld moet worden dat de door [gedaagden] geuite beschuldiging, indien deze op waarheid berust, een ernstig feit betreft en zou inhouden dat [eisers 11-423] zich schuldig hebben gemaakt aan een ambtsmisdrijf. Dat is een ernstig misdrijf dat - indien de beschuldiging juist is - bekend zou moeten zijn bij het publiek. Echter vast staat ook dat het uiten van een zo ernstige beschuldiging een zeer grote impact heeft op de persoonlijke integriteit van de personen die het betreft, in casu [eisers 11-423] Om die reden dient beoordeeld te worden in welke mate de beschuldiging steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. In de onderhavige zaak moet echter worden geoordeeld dat de beschuldiging op geen enkele wijze steun vindt in beschikbaar feitenmateriaal. Elk begin van bewijs ontbreekt en ook ter zitting zijn [gedaagden] niet bereid gebleken openheid te geven. Dit leidt ertoe dat het handelen van [gedaagden] als onrechtmatig jegens [eisers 11-423] moet worden aangemerkt. Het is [gedaagden] immers niet toegestaan om, zonder dat een en ander in voldoende mate op objectieve feiten berust, lukraak uitlatingen als hier in het geding te doen.

4.15 Door [gedaagden] is nog aangevoerd dat niet zij, maar het Statenlid [naam 4] de beschuldiging publiekelijk heeft gemaakt, maar dit verweer faalt. [gedaagden] hebben immers [naam 4] als statenlid in kennis gesteld van wat zij noemen het 'omkoopschandaal', omdat zij van mening waren dat de Commissaris van de Koningin de beschuldiging waarvan zij hem op 19 april 2011 in kennis hadden gesteld, onvoldoende serieus nam. In hun mededeling aan [naam 4] hebben [gedaagden] tevens de brief van de Provincie van 19 oktober 2011, waarin de namen van [eisers 11-423] vermeld staan, ongeanonimiseerd aan [naam 4] ter hand gesteld. Ook is niet gesteld of gebleken dat [gedaagden] op enigerlei wijze bij [naam 4] hebben bedongen dat deze de namen niet bekend zou maken. Onder die omstandigheden kunnen [gedaagden] zich thans niet verschuilen achter het - door henzelf in werking gestelde - handelen van Statenlid [naam 4].

4.16 Het belang van [eisers 11-423] om ook als publiek persoon gevrijwaard te blijven van een dergelijke ongefundeerde beschuldiging dient zwaarder te wegen dan het belang dat [gedaagden] kennelijk stellen te hebben bij het uiten van de ongefundeerde beschuldiging.

4.17 Uit het vorenstaande volgt dat de vordering van [eisers 11-423] om [gedaagden] te veroordelen zich te onthouden van het doen van beschuldigingen aan hun adres met de hiervoor genoemde strekking kan worden toegewezen op de wijze als hierna te vermelden.

4.18 Ook de gevorderde rectificatie kan worden toegewezen, op de wijze als hierna te vermelden. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de omvang van de rectificatie terug te brengen tot twee kolommen en het aantal publicaties te beperken.

4.19 De gevorderde dwangsommen zijn eveneens toewijsbaar. [gedaagden] hebben ter zitting verklaard dat zij niet meer in het openbaar zullen verklaren omtrent de beschuldigingen zolang de Commissie Schoon Schip haar werkzaamheden niet heeft afgerond. Indien zij deze toezegging nakomen zullen zij van de op te leggen dwangsommen geen hinder ondervinden. Echter [eisers 11-423] hebben er belang bij dat [gedaagden] zich ook nadien onthouden van het doen van soortgelijke ongefundeerde beschuldigingen.

4.20 De gevorderde schadevergoeding is in dit geding niet toewijsbaar. Een geldvordering is in kort geding slechts toewijsbaar indien het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk geworden zijn en daarnaast sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat thans uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is, terwijl in de afweging van belangen van partijen mede betrokken dient te worden het risico van onmogelijkheid tot terugbetaling. Vooralsnog valt niet uit te sluiten dat [eisers 11-423] schade lijden of hebben geleden als gevolg van de beschuldigingen door [gedaagden], maar de gestelde schade is in deze procedure onvoldoende concreet gemaakt. Daarvoor zou nader feitenonderzoek en/of nadere bewijslevering noodzakelijk zijn, voor welk nader onderzoek een kort gedingprocedure zich naar zijn aard niet leent.

4.21 [gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4.22 [eisers 11-423] vorderen dat [gedaagden] worden veroordeeld om aan hen te voldoen de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf 15 dagen na het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening. De voorzieningenrechter begrijpt deze vordering aldus dat gedaagde in verzuim komt indien niet-tijdig aan de proceskostenveroordeling wordt voldaan. Deze vordering is toewijsbaar als na te melden.

4.23 De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen als na te melden.

5. DE BESLISSING

De voorzieningenrechter:

In de zaak met KG nummer 133529/KG ZA 11-422

- veroordeelt [gedaagden], tezamen en ieder voor zich, om zich te onthouden van iedere uitlating - direct of indirect - in het openbaar gedaan, die ertoe strekt en/of de indruk wekt dat oud-Statenlid [eiser sub 1] en/of oud-Statenlid [eiser sub 2] en/of oud-gedeputeerde [eiser sub 3] zich in het kader van de vaststelling van het Streekplan "Ontwikkelingsbeeld voor Noord-Holland" schuldig heeft/hebben gemaakt aan omkoping, corruptie of enig ander strafbaar feit, althans bij een dergelijk strafbaar en/of onrechtmatig feit in welk opzicht dan ook betrokken is/zijn geweest, zolang [gedaagden] in gebreke blijven om de beschuldigingen aan het adres van [eiser sub 1], [eiser sub 2] en/of [eiser sub 3] deugdelijk ten overstaan van de Provincie te onderbouwen, op straffe van een dwangsom van [euro] 1.000,-- per keer dat [gedaagden] na betekening van dit vonnis in strijd handelen met deze veroordeling, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van [euro] 25.000,--;

- veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van de Provincie begroot op [euro] 636,31 aan verschotten en op [euro] 816,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- [euro] 131,-- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen met een bedrag van [euro] 68,-- aan salaris advocaat, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelden niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening;

In de zaak met KG nummer 133530/KG ZA 11-423

- veroordeelt [gedaagden], tezamen en ieder voor zich, om zich te onthouden van iedere uitlating - direct of indirect - in het openbaar gedaan, die ertoe strekt en/of de indruk wekt dat oud-Statenlid [eiser sub 1] en/of oud-Statenlid [eiser sub 2] en/of oud-gedeputeerde [eiser sub 3] zich in het kader van de vaststelling van het Streekplan "Ontwikkelingsbeeld voor Noord-Holland" schuldig heeft/hebben gemaakt aan omkoping, corruptie of enig ander strafbaar feit, althans bij een dergelijk strafbaar en/of onrechtmatig feit in welk opzicht dan ook betrokken is/zijn geweest, zolang [gedaagden] in gebreke blijven om de beschuldigingen aan het adres van [eiser sub 1], [eiser sub 2] en/of [eiser sub 3] deugdelijk met bewijzen te onderbouwen,op straffe van een dwangsom van [euro] 1.000,-- voor iedere keer dat [gedaagden] na betekening van het vonnis in strijd handelen met deze veroordeling, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van [euro] 25.000,--;

- veroordeelt [gedaagden], ieder voor zich en gezamenlijk, de navolgende rectificatie te verspreiden binnen een duidelijk zwart omlijnd kader met in kapitalen en vet, de kop RECTIFICATIE op de na te noemen wijze en met de volgende inhoud:

"Op last van de voorzieningenrechter in de rechtbank Alkmaar zijn wij veroordeeld tot de volgende rectificatie. Wij hebben ongefundeerde beschuldigingen geuit aan het adres van de oud-statenleden [eiser sub 1] en Johan [eiser sub 2], inhoudende dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan omkoping en corruptie rond de besluitvorming betreffende de zogenoemde Distriportgronden (Streekplan "Ontwikkelingsbeeld voor Noord-Holland). Wij hebben ook oud-gedeputeerde [eiser sub 3] met deze beschuldigingen in verband gebracht. De voorzieningenrechter heeft ons handelen een aantasting in de eer en goede naam van [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] en dus onrechtmatig geoordeeld.

[gedaagde sub 1]

[gedaagde sub 2]"

en veroordeelt [gedaagden] ieder voor zich en gezamenlijk voornoemde rectificatie op de volgende wijze te (doen) verspreiden:

(1) door op de eerstkomende zaterdag na het te wijzen van het vonnis een advertentie te plaatsen op de voorpagina van het Noord Hollands Dagblad en het Haarlems Dagblad, over een breedte van minimaal twee kolommen; alsmede

(2) gedurende een aaneengesloten periode van een week aanvangend op de hiervoor onder (1) genoemde dag van de rectificatie in het Noord-Hollands Dagblad en het Haarlems Dagblad op de openingspagina van de website van Vastgoedmarkt tezamen met de openingspagina van de op genoemde dag of de daarop eerstvolgende datum uitkomende e-mail nieuwsbrief Vastgoedmarkt over een gelijke breedte en in dezelfde lettergrootte als in het bericht "Ook CDA-Statenlid [eiser sub 2] omgekocht"; alles zonder enige nadere toevoeging aan de hiervoor bevolen tekst;

een en ander op verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van [euro] 1.000,-

per dag of dagdeel dat [gedaagden] na betekening van dit vonnis aan deze veroordeling geen gevolg geven, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van [euro] 25.000,--;

- veroordeelt [gedaagden] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [eisers 11-423] begroot op [euro] 350,81 aan verschotten en op [euro] 816,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- [euro] 131,-- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen met een bedrag van [euro] 68,-- aan salaris advocaat, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelden niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan;

- weigert de meer of anders gevorderde voorziening.

Gewezen door mr. M.E. Allegro, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 december 2011 in tegenwoordigheid van C. Vis-van Zanden, griffier.