Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BU8346

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
08-12-2011
Datum publicatie
15-12-2011
Zaaknummer
14.810161-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel. In georganiseerd verband heeft verdachte gedurende langere tijd een drietal Oekraïners die illegaal in Nederland door hun te werk zijn gesteld uitgebuit. Verdachte was op de hoogte van de kwetsbare en afhankelijke positie van deze slachtoffers en heeft daar misbruik van gemaakt. Verdachte heeft zijn persoonlijk geldelijke gewin en dat van zijn medeverdachten uitdrukkelijk gesteld boven de vrijheid en integriteit van de slachtoffers. Voorts heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mensensmokkel. Verdachte heeft uit winstbejag inbreuk gemaakt op het nationale belang om illegaliteit in Nederland te voorkomen. Verdachte heeft zich ten slotte gelegitimeerd met het paspoort van een ander. De rechtbank is van oordeel dat op dergelijke feiten slechts gereageerd kan worden met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderd, nu de rechtbank niet alle ten laste gelegde feiten heeft bewezen verklaard en zij voorts van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt. Gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14/810161-11 (P)

Datum uitspraak: 8 december 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats](Polen) op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Amsterdam, Huis van Bewaring Demersluis te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

24 november 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat

1.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 19 april 2010 tot en met 11 augustus 2010, in de gemeente Amsterdam en/of in het arrondissement Alkmaar en/of (elders) in de provincie Noord-Holland, in ieder geval in/vanuit Nederland en/of Polen en/of Oekraïne, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld en/of (een) ander(e) feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

- een ander, te weten een persoon, genaamd [slachtoffer 1], heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die persoon;

en/of

- deze [slachtoffer 1] (telkens) heeft gedwongen en/of heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid en/of diensten, dan wel door voornoemde middelen (telkens) enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die persoon zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten;

en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1];

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (onder meer)

- tegen die [slachtoffer 1] verteld dat hij in Nederland (legaal) arbeid kon verrichten en/of meer geld kon verdienen dan in Oekraïne en/of

- die [slachtoffer 1] in Nederland (vanuit Amsterdam) naar een verblijfplaats vervoerd en/of voor die [slachtoffer 1] onderdak geregeld en/of

- die [slachtoffer 1] één of meer geldbedrag(en), (waaronder een bedrag van 600 euro), (voor bemiddelingskosten) laten betalen en/of

- die [slachtoffer 1] één of meerma(a)l(en) voorzien van (een) vals(e) en/of vervalst(e) (identiteits)document(en) en/of

- die [slachtoffer 1] één of meerma(a)l(en) naar en/of van (een) bedrij(f)(ven), alwaar hij arbeid kon of moest verrichten, gebracht en/of opgehaald en/of

- die [slachtoffer 1] bij één of meer bedrij(f)(ven) arbeid laten verrichten en/of

- die [slachtoffer 1] één of meerma(a)l(en) niet of nauwelijks of niet volledig betaald voor het verrichten van (die) arbeid en/of

- een gedeelte van het door die [slachtoffer 1] verdiende geld laten afstaan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of

- aldus en/of op enigerlei andere wijze een situatie gecreëerd, waarin hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) door de feitelijke verhoudingen een overwicht verkregen over die [slachtoffer 1];

2.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 september 2009 tot en met 31 maart 2010 en/of de periode van 7 juli 2010 tot en met 21 september 2010, in elk geval in de periode van 1 september 2009 tot en met 21 september 2010, in het arrondissement Alkmaar en/of (elders) in de provincie Noord-Holland, in ieder geval in/vanuit Nederland en/of Polen en/of Oekraïne, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld en/of (een) ander(e) feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

- een ander, te weten een persoon, genaamd [slachtoffer 2], heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die persoon;

en/of

- deze [slachtoffer 2] (telkens) heeft gedwongen en/of heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid en/of diensten, dan wel door voornoemde middelen (telkens) enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die persoon zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten;

en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 2];

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (onder meer)

- die [slachtoffer 2] (vanuit Alkmaar) naar een verblijfplaats (in Callantsoog) vervoerd en/of voor die [slachtoffer 2] (aldaar) onderdak en/of huisvesting geregeld en/of

- die [slachtoffer 2] één of meerma(a)l(en) voorzien van (een) vals(e) en/of vervalst(e) (identiteits)document(en) en/of

- die [slachtoffer 2] één of meerma(a)l(en) naar en/of van (een) bedrij(f)(ven), alwaar hij arbeid kon of moest verrichten, gebracht en/of opgehaald en/of

- die [slachtoffer 2] bij één of meer bedrij(f)(ven) arbeid laten verrichten en/of

- die [slachtoffer 2] niet of nauwelijks of niet volledig betaald voor het verrichten van (die) arbeid en/of

- een gedeelte van het door die [slachtoffer 2] verdiende geld laten afstaan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of

- aldus en/of op enigerlei andere wijze een situatie gecreëerd, waarin hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) door de feitelijke verhoudingen een overwicht verkregen over die [slachtoffer 2];

3.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 15 juni 2010 tot en met 18 februari 2011, in elk geval in de periode van 15 juni 2010 tot en met 30 september 2010, in de gemeente Amsterdam en/of in het arrondissement Alkmaar en/of (elders) in de provincie Noord-Holland, in ieder geval in/vanuit Nederland en/of Polen en/of Oekraïne, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld en/of (een) ander(e) feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

- een ander, te weten een persoon, genaamd [slachtoffer 3], heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die persoon;

en/of

- deze [slachtoffer 3] (telkens) heeft gedwongen en/of heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid en/of diensten, dan wel door voornoemde middelen (telkens) enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die persoon zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten;

en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 3];

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (onder meer)

- tegen die [slachtoffer 3] verteld dat hij in Nederland (legaal) arbeid kon verrichten en/of meer geld kon verdienen dan in Oekraïne en/of

- die [slachtoffer 3] in Nederland (vanuit Amsterdam) naar een verblijfplaats vervoerd en/of voor die [slachtoffer 3] onderdak geregeld en/of

- die [slachtoffer 3] één of meer geldbedrag(en) (waaronder een bedrag van 550 euro) (voor bemiddelingskosten) laten betalen en/of

- die [slachtoffer 3] verteld dat hij niets mocht zeggen als hij door de politie werd aangehouden en/of

- die [slachtoffer 3] voorgehouden dat hij uitgezet zou worden uit Nederland of zou worden opgesloten in de gevangenis en/of

- die [slachtoffer 3] één of meerma(a)l(en) voorzien van (een) vals(e) en/of vervalst(e) (identiteits)document(en) en/of

- die [slachtoffer 3] één of meerma(a)l(en) naar en/of van (een) bedrij(f)(ven), alwaar hij arbeid kon of moest verrichten, gebracht en/of opgehaald en/of

- die [slachtoffer 3] bij één of meer bedrij(f)(ven) arbeid laten verrichten en/of

- die [slachtoffer 3] niet of nauwelijks of niet volledig betaald voor het verrichten van (die) arbeid en/of

- een gedeelte van het door die [slachtoffer 3] verdiende geld laten afstaan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of

- aldus en/of op enigerlei andere wijze een situatie gecreëerd, waarin hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) door de feitelijke verhoudingen een overwicht verkregen over die [slachtoffer 3];

4.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 19 april 2010 tot en met 31 december 2010, in de gemeente Amsterdam en/of in het arrondissement Alkmaar en/of (elders) in de provincie Noord-Holland, in ieder geval in/vanuit Nederland en/of Polen en/of Oekraïne, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) door dwang en/of geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door dreiging met geweld en/of (een) ander(e) feitelijkhe(i)d(en) en/of door afpersing en/of fraude en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

- een ander, te weten een persoon, genaamd [slachtoffer 4], heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, (telkens) met het oogmerk van uitbuiting van die persoon;

en/of

- deze [slachtoffer 4] (telkens) heeft gedwongen en/of heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid en/of diensten, dan wel door voornoemde middelen (telkens) enige handeling heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) en/of redelijkerwijze moest(en) vermoeden dat die persoon zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid en/of diensten;

en/of

- (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 4];

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) (onder meer)

- tegen die [slachtoffer 4] verteld dat hij in Nederland (legaal) arbeid kon verrichten en/of meer geld kon verdienen dan in Oekraïne en/of

- die [slachtoffer 4] in Nederland (vanuit Amsterdam) naar een verblijfplaats vervoerd en/of voor die [slachtoffer 4] onderdak geregeld en/of

- die [slachtoffer 4] één of meer geldbedrag(en) (waaronder een geldbedrag van 800 euro) (voor bemiddelingskosten) laten betalen en/of

- die [slachtoffer 4] één of meerma(a)l(en) voorzien van (een) vals(e) of vervalst(e) (identiteits)document(en) en/of

- die [slachtoffer 4] één of meerma(a)l(en) naar en/of van (een) bedrij(f)(ven), alwaar hij arbeid kon of moest verrichten, gebracht en/of opgehaald en/of

- die [slachtoffer 4] bij één of meer bedrij(f)(ven) arbeid laten verrichten en/of

- die [slachtoffer 4] niet of nauwelijks of niet volledig betaald voor het verrichten van (die) arbeid en/of

- een gedeelte van het door die [slachtoffer 4] verdiende geld laten afstaan aan hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) en/of

- die [slachtoffer 4] medegedeeld dat - als hij niet betaalde - hij/zij aan een uitzendbureau en/of (een) derde(n) zoud(en) vertellen dat hij, [slachtoffer 4], (een) (identiteits)document(en) gestolen zou hebben en/of

- die [slachtoffer 4] medegedeeld dat - als hij niet betaalde - hij weggejaagd zou worden en/of geen werk meer zou krijgen en/of

- aldus en/of op enigerlei andere wijze een situatie gecreëerd, waarin hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) door de feitelijke verhoudingen een overwicht verkregen over die [slachtoffer 4];

5.

hij op één of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 september 2009 tot en met 22 maart 2011, in elk geval in de periode van 01 september 2009 tot en met 31 december 2010, in de gemeente(n) Amsterdam en/of Heerhugowaard en/of Zijpe en/of (elders) in de provincie Noord-Holland en/of (elders) in Nederland en/of in Polen en/of in Oekraïne, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, één of meer perso(o)n(en), te weten een persoon, genaamd [slachtoffer 1], en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 2], en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 3], en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 4], en/of één of meer ander(e) perso(o)n(en) behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem/hen/haar daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, en/of die perso(o)n(en) uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in genoemd(e) land(en) en/of sta(a)t(en), immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (onder meer) - tegen betaling van (een) geldbedrag(en) - voornoemd(e) perso(o)n(en) - die niet over een verblijfstitel voor Nederland beschikte(n) - informatie verstrekt over de reis (vanuit Oekraine) naar Nederland en/of hem/haar/hen, toen hij/zij in Nederland arriveerde(n), vervoerd en/of (verder) begeleid in hun/haar/zijn reis in Nederland en/of huisvesting en/of onderdak en/of werk voor haar/hem/hen geregeld en/of haar/hem/hen (een) niet op zijn/haar/hun naam gestelde paspoort(en) en/of (identiteits)document(en) verstrekt, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden dat die toegang en/of dat verblijf wederrechtelijk was, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) van bovenomschreven feit(en) een beroep en/of een gewoonte heeft/hebben gemaakt;

6.

hij op of omstreeks 22 maart 2011 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een Pools paspoort (nummer AK9998517), ten name van [slachtoffer 5], welk gebruik hierin bestond dat verdachte zich ten overstaan van een opsporingsambtenaar, genaamd [verbalisant 1], hoofdagent van de vreemdelingenpolitie, met dat paspoort heeft gelegitimeerd en/of dat paspoort aan hem overhandigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 11 augustus 2010 werd door de Vreemdelingenpolitie van de regio Noord-Holland Noord een controle uitgevoerd op een perceel land te Zijpe. Daar waren twee mannen kool aan het oogsten. Beide mannen konden zich niet legitimeren. Een van de mannen sprak een onverstaanbare taal. Hij maakte duidelijk dat hij een Pool was en dat zijn identiteitspapieren in zijn hotel in Callantsoog lagen. Onderweg naar Callantsoog pakte deze man een Oekraïens paspoort uit zijn kleding met een goed gelijkende foto en voorzien van een visum, dat zijn geldigheid op 7 juli 2010 had verloren. Het Oekraïense paspoort was op naam gesteld van [slachtoffer 1]. Later werden in de tas van deze [slachtoffer 1] onder meer twee fotokopieën aangetroffen van een Pools identiteitsbewijs op naam van [naam valse ID kaart 4]. De foto op dat identiteitsbewijs vertoonde enige gelijkenis met [slachtoffer 1].

Op 12 en 13 augustus 2010 heeft [slachtoffer 1] aangifte gedaan van mensenhandel. Hij heeft onder meer verklaard dat hij via een uitzendbureau in de Oekraïne naar Nederland is gekomen om hier legaal te gaan werken. Aangever heeft hiervoor in de Oekraïne een hoog bedrag aan bemiddelingskosten betaald. In Nederland is aangever opgehaald door twee mannen, die hij later heeft leren kennen als [bijnaam 3 medeverdachte 1] en [bijnaam verdachte]. Ook aan hen moest aangever veel geld betalen, voor papieren en voor werk. Aangever heeft in Nederland werk verricht, waarvoor hij niet betaald heeft gekregen. Ten behoeve van het kunnen verrichten van de werkzaamheden heeft aangever (kopieën van) Poolse identiteitspapieren gekregen. Aangever heeft deze werkzaamheden verricht door tussenkomst van een uitzendbureau.

Volgens aangever kwamen er meer mensen, ook via een ander uitzendbureau, uit de Oekraïne naar Nederland. Aangever heeft veel Oekraïense mensen gesproken die ook geld hebben betaald om hier te kunnen werken, maar zonder werk zaten. Ook waren er mensen die wel hadden gewerkt, maar daarvoor geen geld hadden gekregen.

Op 11 april 2011 is eveneens aangifte gedaan van mensenhandel door [slachtoffer 4]. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] hebben als getuige verklaringen afgelegd.

De verdachte ontkent alle hem ten laste gelegde feiten met uitzondering van feit 6.

De rechtbank dient - kort gezegd - te beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het - al dan niet tezamen met een ander of anderen - plegen van (diverse vormen) van mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en of hij zich schuldig heeft gemaakt aan het - al dan niet tezamen met een ander of anderen - plegen van mensensmokkel met betrekking tot onder meer deze personen. Verder moet worden beoordeeld of verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals paspoort.

B. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de mensenhandel (feiten 1 tot en met 4) kan volgens de officier bewezen worden verklaard dat de verdachte, tezamen en in vereniging met anderen, door dwang, misleiding, dreiging met een feitelijkheid, misbruik van een kwetsbare positie en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht de in de tenlastelegging genoemde personen heeft geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 1 Sr) en dat de verdachte de in de tenlastelegging genoemde personen heeft misleid en gedreigd, misbruik heeft gemaakt van de kwetsbare positie van deze personen en misbruik heeft gemaakt van het overwicht dat hij door feitelijke omstandigheden op hen had, waardoor die personen zijn gedwongen en bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid (artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4 Sr). Nu volgens de officier van justitie sprake is van medeplegen, komt hij niet toe aan de vraag of verdachte persoonlijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die personen (artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 6).

Ten aanzien van de tenlastegelegde mensensmokkel (feit 5) kunnen volgens de officier van justitie beide in artikel 197a Sr genoemde varianten worden bewezen verklaard: zowel het medeplegen van grensoverschrijdende smokkel als het medeplegen van het verschaffen van voortgezet wederrechtelijk verblijf.

De officier van justitie heeft ten aanzien van hetgeen onder feit 6 ten laste is gelegd betoogd dat dit feit, het zich legitimeren door verdachte aan een opsporingsambtenaar met een niet op zijn naam gesteld paspoort, eveneens bewezen kan worden verklaard.

C. Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 4 heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat het element “uitbuiting” niet kan worden bewezen, omdat niemand is gedwongen tot het verrichten van werkzaamheden. De in de tenlastelegging genoemde personen hebben zelf het initiatief genomen om de verdachte te benaderen. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat de verdachte sinds mei/juni 2010 geen bemoeienis meer heeft met de krantenbezorging.

Ten aanzien van de feiten 1 en 3 heeft de raadsman van de verdachte de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] en de getuige [slachtoffer 3] bestreden. Volgens de raadsman zijn de verklaringen niet consistent en zwaar aangezet en op een aantal onderdelen aantoonbaar onjuist. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze verklaringen daarom niet als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman erop gewezen dat er geen sprake is van misleiding, dwang, geweld of uitbuiting. Ook is er geen sprake van het dwingen of bewegen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid. Omdat er geen sprake is van uitbuiting, is er ook geen sprake van opzettelijk voordeel trekken uit uitbuiting.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman van de verdachte erop gewezen dat aangever slechts een aantal weken via de verdachte werkte. Weliswaar vermoedt aangever dat de verdachte voor deze werkzaamheden geld heeft ontvangen van de opdrachtgever, maar hij weet dat niet zeker.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman erop gewezen dat een ieder die Nederland inreisde beschikte over een geldig visum, zodat het element “toegang verschaffen” niet aan de orde is. Hetzelfde geldt voor “doorreis”, omdat de vier personen in kwestie niet zijn doorgereisd. Subsidiair heeft de raadman aangevoerd dat de verdachte eerst in beeld kwam toen de personen Nederland al waren ingereisd en dat er geen sprake is geweest van een zo bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de Oekraïense uitzendbureaus dat gesproken kan worden van medeplegen.

D. Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Stelselmatige observatie

De raadsman heeft er op gewezen dat het eerste observatiebevel ex artikel 126g Sv van 21 januari 2011 dateert, terwijl de verdachte al op 18 januari 2011 stelselmatig is geobserveerd. Volgens de raadsman dienen de observatiebevindingen daarom op de voet van artikel 359a Sv van het bewijs te worden uitgesloten. Subsidiair dient dit vormverzuim volgens de raadsman tot strafvermindering te leiden.

De rechtbank kan de raadsman hierin niet volgen en overweegt daartoe als volgt. Uit het proces-verbaal van observeren van 2 februari 2011 blijkt dat in opdracht van de Vreemdelingenpolitie Noord-Holland Noord op dinsdag 18 januari 2011 om 07.10 uur een observatie is gestart op het perceel [adres 1] te Heerhugowaard. Deze observatie is beëindigd om 15.00 uur. De officier van justitie heeft aangevoerd dat het doel van de observatie niet was om een min of meer volledig beeld te verkrijgen van bepaalde aspecten van iemands privéleven, maar dat men wilde weten of er beweging was rondom de desbetreffende woning. Gelet op de duur en het doel van de observatie, alsmede op de omstandigheid dat de observatie heeft plaatsgevonden op openbare voor iedereen toegankelijke plaatsen en dat bij de observatie geen technische hulpmiddelen zijn ingezet, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat sprake is van een observatie met een stelselmatig karakter. Een bevel ex artikel 126g Sv was dus op dat moment niet nodig.

De gebezigde bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer 1] heeft in de Oekraïne een advertentie gezien, waarin stond dat men in Nederland in de bloemen kon werken en hoeveel men zou verdienen. Aangever heeft het telefoonnummer gebeld wat erbij stond en heeft met een man afgesproken om elkaar te ontmoeten in Bychean. Aangever had een ontmoeting met ene [tussenpersoon 4] en ene [tussenpersoon 5]. Ze waren al bezig om een visum te regelen en zeiden dat aangever via hen overal kon gaan werken in Nederland op een legale manier. Na het verkrijgen van de juiste documenten zou aangever zelf kunnen bepalen wat voor werk hij wilde gaan doen. Hij zou tussen de € 8,- en € 10,- per uur gaan verdienen. Aangever moest zijn paspoort en vier losse pasfoto’s afgeven en € 200,- betalen. Hij heeft dit alles aan [tussenpersoon 5] gegeven. Aangever moest ook nog € 400,- betalen voor het visum. Toen hij het paspoort na een week terugkreeg was er een visum in geplakt. Vijf dagen later werd aangever gebeld door [tussenpersoon 5] dat hij de volgende dag zou vertrekken naar Nederland. Hij zei dat aangever al werk had en dat de werkgever al had gebeld. Aangever moest nog wel

€ 500,- euro betalen voor de bemiddeling van het werk in Nederland. Aangever heeft dat aan [tussenpersoon 5] betaald. Aangever heeft dus in totaal € 1.100,- betaald in de Oekraïne. Hij heeft dit geld geleend van zijn zus.

Aangever is op 19 of 20 april 2010 vertrokken vanuit de Oekraïne en is op 23 april 2010 in Nederland aangekomen. Hij heeft gereisd met de bus. De buskosten heeft hij zelf betaald. Hij reisde samen met [naam 2] en [naam 3] . Aangever en zijn reisgenoten zijn uitgestapt op de Prins Hendrikkade in Amsterdam . [naam 2] heeft toen het nummer gebeld dat ze van [tussenpersoon 5] hadden gekregen . Er werd opgenomen door een man. Deze man sprak Russisch/Pools, een soort mix. De man zei dat hij al een uur bij een andere halte stond te wachten, maar dat hij ze zou ophalen. Ze kwamen met z’n tweeën. Het waren twee mannen die aangever later leerde kennen als [bijnaam 3 medeverdachte 1] en [bijnaam 2 verdachte], ‘de Tovenaar’.

Aangever weet dat de Tovenaar eigenlijk [bijnaam verdachte] heet. Volgens aangever is [bijnaam 3 medeverdachte 1] groot en vrij zwaar. Hij is ongeveer 30 jaar oud, heeft kort haar en spreekt Pools. [bijnaam verdachte] brengt de moeder van [bijnaam 3 medeverdachte 1] naar haar werk . Van [bijnaam 3 medeverdachte 1] wordt ook gezegd dat hij [medeverdachte 1] heet . Poolse mensen hebben aangever wel eens gezegd dat [bijnaam verdachte] bij [bijnaam 3 medeverdachte 1] in Heerhugowaard woont .

[bijnaam 3 medeverdachte 1] zei dat hij voor goede papieren zou zorgen. [bijnaam 3 medeverdachte 1] zei dat er per persoon nog wel € 300,- betaald moest worden voor documenten en € 300,- voor het werk. Aangever en zijn reisgenoten hebben alle drie € 600,- betaald toen ze in het hotel in Petten aankwamen. Zij betaalden het geld aan [bijnaam 3 medeverdachte 1] en die gaf gelijk de helft aan [bijnaam verdachte].

[bijnaam verdachte] kwam de volgende dag langs en zei dat aangever en zijn reisgenoten kranten konden bezorgen. Na 2 à 3 dagen in het hotel werden ze door [bijnaam verdachte] opgehaald. Zij reden naar uitgeverij [uitgeverijl]. Aangever heeft dit werk ongeveer 2 weken gedaan en heeft geen cent gekregen voor dit werk. [bijnaam verdachte] zei dat de baas van de kranten geen geld had. Hij zei steeds morgen, morgen, morgen.

Op 20 mei 2010 heeft [bijnaam verdachte] werk in de kool geregeld in een schuur in Waarland. De avond daarvoor heeft aangever van [bijnaam verdachte] een echt Pools paspoort en een brief met een sofinummer gekregen . Deze documenten stonden op naam van [naam valse ID kaart 3] . [bijnaam verdachte] zei dat aangever deze papieren moest laten zien aan de baas van dat bedrijf. ’s Avonds heeft aangever deze weer aan [bijnaam verdachte] teruggegeven. Aangever heeft met dit werk € 420,- verdiend. Hij kreeg dit contant van de baas van het bedrijf. Daarvan moest aangever € 100,- aan [bijnaam verdachte] betalen, € 10,- per dag voor het vervoer.

Ongeveer 2 weken na het werk in Waarland heeft aangever nog vier dagen vlak bij een luchthaven gewerkt. Aangever had toen een fotokopie van een Poolse identiteitskaart en een brief met sofinummer mee. Deze papieren had hij de avond ervoor gekregen van [bijnaam verdachte], zodat aangever de naam kon leren en de handtekening op de kaart kon oefenen . Aangever gebruikte daar de naam van [naam valse ID kaart 4] . Aangever heeft geen geld voor dit werk gekregen omdat de baas van het bedrijf er achter kwam dat er was gefraudeerd met de papieren van aangever. Aangever moest meteen vertrekken. [bijnaam verdachte] zei later dat hij het geld dat aangever daar had verdiend over een maand zou geven. Aangever heeft het geld nooit ontvangen. De baas van dat bedrijf zou volgens [bijnaam verdachte] in het ziekenhuis liggen .

Aangever heeft twee maanden in het hotel in Petten gezeten. Hij verbleef daar met vier anderen. Zij moesten daar weg omdat er toeristen kwamen. Toen zijn zij naar Callantsoog verhuisd. [bijnaam verdachte] vond daar twee huizen van [medeverdachte 3], waarover aangever en zijn huisgenoten zijn verdeeld .

Aangever heeft verder verklaard dat hij wist dat hij met zijn visum wel Nederland in mocht, maar dat hij daarmee niet in Nederland mocht werken. In de Oekraïne was hem verteld dat hij in Nederland andere papieren nodig had om te werken. De Poolse man in Nederland zou dat verder regelen .

Volgens aangever wist [bijnaam verdachte] zijn echte identiteit, omdat hij uit de Oekraïne gebeld was over aangever en [bijnaam verdachte] aangever vertelde dat hij veel andere Oekraïners had geholpen aan werk .

[bijnaam verdachte] wist dat aangever niet mocht werken in Nederland. Hij heeft dit zelf tegen aangever gezegd. [bijnaam medeverdachte 1] weet dit ook, omdat hij samen was met [bijnaam verdachte] toen dat gezegd werd .

[bijnaam verdachte] wist ook dat het visum van aangever was verlopen en dat hij illegaal in Nederland verbleef. Aangever heeft [bijnaam verdachte] daarover gebeld, maar [bijnaam verdachte] had geen tijd om op dat gebied actie te ondernemen .

Aan aangever [slachtoffer 1] is door de verbalisanten foto 107 getoond, afkomstig uit de iPhone van aangever, op welke foto de rechtbank ambtshalve verdachte [verdachte] herkent. Aangever heeft de man op de foto herkend als de [bijnaam verdachte] waarover hij heeft verklaard. Volgens aangever is de foto genomen bij aangever thuis in Petten . De rechter-commissaris heeft aangever foto K001 getoond. Aangever verklaart tijdens dit verhoor dat dit de [bijnaam 3 medeverdachte 1] is waarover hij heeft verklaard. De rechtbank stelt vast dat deze foto hetzelfde is als foto K 56.01 , op welke foto blijkens het bijgevoegde proces-verbaal medeverdachte [medeverdachte 1] staat afgebeeld.

De getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat [verdachte] (naar de rechtbank begrijpt: [verdachte]) in Heerhugowaard woont, op de [adres]. Op datzelfde adres woont volgens de getuige de zogenaamde vriend van [verdachte]. De getuige kent deze vriend van [verdachte] onder drie verschillende namen: [medeverdachte 1], [bijnaam medeverdachte 1] en [bijnaam 2 medeverdachte 1] . Hij is ongeveer 1.80 meter lang, stevig gebouwd en heeft een ruwe stem. Volgens de getuige kennen [verdachte] en [bijnaam medeverdachte 1] elkaar al negen jaar . [bijnaam medeverdachte 1] is ongeveer 30 jaar oud en heeft donkerbruin kortgeknipt haar (gemillimeterd). Hij heeft een rond dik gezicht en heeft tatoeages op zijn arm .

Op 18 november 2011 heeft de getuige over [bijnaam medeverdachte 1] nog verklaard dat hij weet dat zijn vrouw en schoonmoeder af en toe naar Nederland komen en dat zijn vrouw drie maanden geleden een zoon heeft gekregen .

De getuige heeft verklaard dat [verdachte] en [bijnaam medeverdachte 1] mensen bedriegen. Dit bedriegen houdt in dat mensen uit de Oekraïne naar Nederland willen komen. Een persoon belt [verdachte] hierover op. Die mensen komen de laatste tijd uit de stad Ternopol. De man die [verdachte] opbelt vertelt tevens hoeveel geld deze mensen bij zich hebben. Hij vraagt dan voor hoeveel [verdachte] de mensen kan oplichten. De getuige weet dit omdat hij bij een telefoongesprek tussen [verdachte] en een persoon uit Ternopol aanwezig is geweest en toen het volledige gesprek heeft gehoord.

De getuige heeft ook een keer bij tankstation ringweg Amsterdam gehoord dat [verdachte] mensen uit Oekraïne op bevelachtige wijze toesprak dat zij € 500,- moesten betalen voor werk, een kopie van een Pools identiteitsbewijs en huisvesting. Dat waren mensen die net in Nederland waren aangekomen. De mensen gaven ieder € 200,- aan hem af. De mensen hadden niet meer geld bij zich. Die mensen moeten dat later alsnog aan [verdachte] betalen. Zo bouwden die mensen een schuld bij hem op. Volgens de getuige heeft [verdachte] tegen hem gezegd dat hij dat geld over zou maken aan zijn vriend [bijnaam medeverdachte 1], die op dat moment in Polen zat. Normaal gaf [verdachte] het geld contant aan die [bijnaam medeverdachte 1] .

Volgens de getuige komen er ongeveer twee keer per maand mensen naar Nederland vanuit Oekraïne, tussen de 4 à 7 personen per keer. Toen de laatste vier in Nederland aankwamen was hij erbij. Voor de rest praat hij veel met mensen. Hij werkt ook bij ze. Hij is daarom op de hoogte van de situatie. Ook van [verdachte] weet hij dingen, hij heeft daarover verteld .

De getuige heeft verder verklaard dat [verdachte] in Nederland alles deed, maar dat het geld naar [bijnaam medeverdachte 1] ging. Volgens de getuige is [verdachte] bang voor [bijnaam medeverdachte 1]. De getuige weet dat [bijnaam medeverdachte 1] op 18 september 2010 uit Polen kwam en heeft [verdachte] op 21 september 2010 gezien met verwondingen in het gezicht en de hals. [verdachte] heeft toen tegen de getuige gezegd dat [bijnaam medeverdachte 1] dat had gedaan met een mes .

Als [verdachte] geld heeft gekregen, dan belt [verdachte] naar [bijnaam 2 medeverdachte 1] en brengt hij hem het geld. Als [bijnaam 2 medeverdachte 1] niet in Nederland is maakt hij het geld over naar [bijnaam 2 medeverdachte 1] via Western Union. De getuige weet dit omdat [verdachte] dit zelf aan hem heeft verteld. [bijnaam 2 medeverdachte 1] krijgt geld omdat [verdachte] bang voor hem is, omdat hij hem slaat en bedreigt met het feit dat hij [verdachte] in de achterbak van de auto doet en dan naar Polen rijdt, omdat [verdachte] nog een hele lange gevangenisstraf in Polen moet uitzitten .

Ook op de dag dat de getuige met [verdachte] op de ringweg bij Amsterdam mensen moest ophalen, heeft [verdachte] hem verteld dat [bijnaam 2 medeverdachte 1] hem belde dat hij met geld moest komen. Dat had toen betrekking op het geld van die vier personen die zij moesten ophalen. [verdachte] heeft gezegd dat het altijd zo ging. Hij zei dat hij al het geld dat hij met de Oekraïners verdiende aan [bijnaam 2 medeverdachte 1] moest geven, dat hij zelf niets overhield .

Aan de getuige [slachtoffer 2] is de foto K 56.01 getoond. De getuige heeft de man op deze foto herkend als de [medeverdachte 1], [bijnaam medeverdachte 1] of [bijnaam 2 medeverdachte 1] waarover hij heeft verklaard . Blijkens het bijgevoegde proces-verbaal staat op deze foto medeverdachte [medeverdachte 1] afgebeeld.

De getuige [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij via een bedrijf genaamd [onderneming] een Pools Schengenvisum heeft geregeld, waarmee hij naar Nederland is gekomen. De getuige had op een internetsite een advertentie van dit bedrijf gezien en is op het kantoor in Lvov geweest. De directeur van het bedrijf heet [tussenpersoon 1]. De onderdirecteur is een vrouw en heet [tussenpersoon 2]. Er is nog een andere man en dat is een expert. Hij heet [tussenpersoon 3].

De getuige heeft € 1.000,- aan [tussenpersoon 1] overhandigd. Daarna heeft hij nog € 450,- betaald. Hij moest € 550,- meenemen naar Nederland. Volgens de getuige had [onderneming] hem in Nederland legaal werk beloofd, met een contract voor een jaar. Daarnaast heeft [onderneming] gezegd dat er huisvesting en eten geregeld zou worden door de werkgever in Nederland . Het salaris zou € 1.200,- per maand zijn. [onderneming] heeft de documenten ten behoeve van het verkrijgen van het visum geregeld. De getuige moest de aanvraag persoonlijk doen. Daarna heeft hij zijn paspoort ingeleverd bij [onderneming]. [onderneming] heeft vervolgens geregeld wanneer de getuige kon vertrekken met de bus en heeft geregeld dat zijn paspoort voorzien van een visum op het busstation werd afgeleverd. De getuige heeft het bedrag van € 2.000,- geleend van een vreemde. Hij moet daarover 5% rente per maand betalen. Hij heeft nu een schuld van € 3.200,- .

De getuige is op 15 of 16 juni 2010 vanuit de Oekraïne naar Nederland vertrokken en is op 18 juni 2010 aangekomen op de Prins Hendrikkade in Amsterdam. Toen hij bijna aankwam kreeg hij een sms van [tussenpersoon 3] met de naam en het telefoonnummer van een persoon die hij moest bellen in Nederland. De getuige heeft dat nummer gebeld en kreeg een persoon aan de telefoon die Pools en Oekraïens sprak. Deze man heet [verdachte].

De getuige is op het Centraal Station opgehaald door [verdachte] en [naam valse ID kaart 3] . Dit is [naam valse ID kaart 3]. [verdachte] werd [Bijnaam 3 verdachte] genoemd .

De getuige is naar de [Hotel] in Callantsoog gebracht. In de [Hotel] moest hij € 550,- aan [verdachte] betalen voor de huisvesting en het arbeidscontract voor één jaar .

Toen de getuige in Nederland kwam was er geen werk. Hij heeft toen gebeld met [tussenpersoon 2] en [tussenpersoon 3] van [onderneming]. Zij zeiden dat [verdachte] voor contracten zou zorgen en alles zou gaan regelen . Na vier dagen wachten is de getuige aan het werk gegaan in het veld .

De getuige heeft op diverse plekken gewerkt. [verdachte] bracht hem altijd en regelde alles. Van [verdachte] heeft hij een kopie van een Poolse dowod gekregen op de naam [naam valse ID kaart 1]. Als iemand op de werkplek naar zijn identiteit zou vragen, moest hij die laten zien . Volgens de getuige had [verdachte] altijd een heleboel documenten bij zich in een plastic tas, niet per se originelen. Het waren paspoorten, identiteitsdocumenten en sofinummers . [verdachte] kon gewoon een kopie van een paspoort uitzoeken. Lijk je op de foto, dan krijg je die mee .

In september 2010 heeft de getuige 13 dagen van 8 uur gewerkt bij een bouwbedrijf. Daarvoor heeft hij nooit betaald gekregen . [verdachte] heeft voor de getuige ook werk geregeld in de kranten. Ook hiervoor heeft hij nooit uitbetaald gekregen .

Als [verdachte] geen werk regelde, had aangever geen werk. Omdat de getuige geen geld heeft gekregen en geen contract, kon hij zich in Nederland niet legaal verplaatsen en legaal werken. Verder was de getuige bang vanwege dreigementen van [verdachte]. [verdachte] ging dreigen met uitzettingen en deportaties. Als de getuige onverhoopt zou worden aangehouden, dan mocht hij niet zeggen waar hij verbleef, hoe hij aan het werk was gekomen en dat hij niet betaald kreeg. Als hij werd aangehouden door de politie zou hij teruggestuurd worden naar de Oekraïne en nooit meer terug kunnen keren naar Nederland en hij zou in Nederland worden opgesloten in een stenen gevangenis .

Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat [tussenpersoon 1] op internet goed betaald werk aanbood in het buitenland. Er werd een officieel contract en onderdak beloofd. Aangever heeft het telefoonnummer van [tussenpersoon 1] gebeld en daarna hebben ze elkaar ontmoet. Er werd gezegd dat aangever naar Nederland zou worden gebracht en dat alles zou worden geregeld. Aangever moest daarvoor € 270,- aan het bedrijf betalen en € 35,- voor de ambassade. Daarna moest hij nog € 600,- betalen. Er werd ook gezegd dat hij geld mee moest nemen naar Nederland: € 300,- per maand voor onderdak en € 200,- per maand voor eten. Aangever had zelf € 1.000,- en heeft de rest via zijn broer geleend bij een kredietmaatschappij. Zo heeft aangever een bedrag van ongeveer € 2.000,- bij elkaar gekregen .

Het visum is geregeld door [tussenpersoon 1]. Aangever heeft wel zelf in de rij gestaan om de aanvraag te doen, maar hij heeft de papieren niet zelf ingevuld. Die heeft hij van [tussenpersoon 1] gekregen. Er is tegen aangever gezegd dat hij € 10,- per uur kon verdienen, maar ook € 12,- of € 15,- bijvoorbeeld in de bouw .

Op 19 april 2010 is aangever vanuit Lviv in de Oekraïne naar Nederland vertrokken. Omdat er zoveel spoed bij was werd aangever niet gebracht en moest hij zelf naar Nederland reizen. Aangever heeft dit zelf betaald. [tussenpersoon 1] heeft uitleg gegeven over de reis en heeft een stukje papier gegeven met daarop het telefoonnummer van zijn Poolse partner in Nederland. Hierbij was door [tussenpersoon 1] de naam [bijnaam verdachte] geschreven.

Aangever is samen met [naam 1] naar Nederland gereisd. Hij is op 23 april 2010 omstreeks 7.00 uur in de ochtend aangekomen in Amsterdam. [bijnaam 2 verdachte] stond bij aankomst al te wachten, [naam 1] had hem gebeld vanuit de bus.

Aangever is in Sint Maartensbrug, naar een hotel gebracht. Tijdens de rit zei [bijnaam 2 verdachte] dat aangever hem € 800,- moest betalen, hij zou dan alle benodigde papieren in orde brengen voor het werk en het verblijf. [naam 1] moest ook € 800,- betalen, maar hij had maar € 500,-. Hij zou de rest in natura betalen. Aangever heeft voor zichzelf en [naam 1] het hotel betaald voor de hele week. [bijnaam 2 verdachte] zei dat ze het hotel zelf moesten betalen. Zij moesten [bijnaam 2 verdachte] betalen voor het feit dat hij een woning voor hen zou zoeken .

De tweede dag in Nederland kwamen [bijnaam 2 verdachte] en [bijnaam 2 medeverdachte 1] bij het hotel in Sint Maartensbrug. Aangever en [naam 1] moesten bij hun in de auto zitten. [bijnaam 2 verdachte] en [bijnaam 2 medeverdachte 1] spraken met elkaar over wat ze met aangever en [naam 1] moesten gaan doen. Het ging over waar aangever moest werken. Zij spraken in het Pools, waarvan aangever veel verstaat. [bijnaam 2 medeverdachte 1] keek naar aangever en zei toen dat hij op iemand leek. Twee à drie weken later kreeg hij documenten en zag aangever dat hij leek op de Pool op de foto. [bijnaam 2 verdachte] wist dat aangever een Oekraïner was .

Aangever heeft twee nachten geslapen in Sint Maartensbrug. Daarna werden hij en [naam 1] uit het hotel gezet. De eigenaar wilde documenten zien, maar [bijnaam 2 verdachte] had hen verboden hun geldige documenten te laten zien. Diezelfde dag had [bijnaam 2 verdachte] nog drie Oekraïners gekregen, die ging hij in Petten huisvesten. Aangever en [naam 1] werden daar ook heen gebracht. Aangever heeft ongeveer 2.5 maand in Petten gezeten met [naam 1], [naam 2], [getuige 1]] en [slachtoffer 1]. Daarna is hij in Hotel [Hotel] in Callantsoog gaan wonen .

Aangever is pas na 1,5 maand gaan werken, één maand in de bloemen in de buurt van het vliegveld . Aangever mocht nooit zeggen op het werk dat hij een Oekraïner was. Hij mocht niet met Poolse mensen praten. [bijnaam 2 verdachte] zei dat Oekraïners in Nederland niet mogen werken . Aangever werkte daar in juni 2010 onder de naam [naam valse ID kaart]. Die naam heeft hij van [bijnaam 2 verdachte] gekregen. Hij heeft van [bijnaam 2 verdachte] een Poolse identiteitskaart gekregen van deze persoon. [naam 1] kreeg een of andere kopie. Later moest aangever naar een uitzendbureau in Alkmaar met [bijnaam 2 verdachte]. De baas van dat bureau herkende de man op de foto. Hij sprak [bijnaam 2 verdachte] hierop aan en zij gingen samen in een kantoortje praten. Daarna zei [bijnaam 2 verdachte] dat aangever niet betaald kreeg voor het werk, omdat de baas van het uitzendbureau niet had betaald. Het salaris was € 7,- euro per uur en aangever heeft er ongeveer 100 uur gewerkt .

Aangever heeft verklaard dat hij ook geld aan [bijnaam 2 medeverdachte 1] heeft betaald voor de documenten op naam van [naam valse ID kaart 2], omdat [bijnaam 2 medeverdachte 1] hem aan het bedreigen was. [bijnaam 2 medeverdachte 1] wilde € 500,- hebben. Als aangever niet zou betalen, zou [bijnaam 2 medeverdachte 1] tegen het uitzendbureau zeggen dat aangever de papieren gestolen had. Ook zei hij dat hij de politie zou bellen en zou zeggen dat aangever op de papieren van iemand anders werkte. Uiteindelijk heeft aangever verspreid over drie weken een bedrag van € 450,- betaald aan [bijnaam 2 medeverdachte 1] .

Aangever heeft dit niet aan [bijnaam 2 verdachte] verteld. Aangever merkte dat [bijnaam 2 verdachte] bang was voor [bijnaam 2 medeverdachte 1]. Hij heeft ook van veel mensen gehoord dat het niet goed zat tussen hen en dat [bijnaam 2 medeverdachte 1] [bijnaam 2 verdachte] sloeg .

Aangever is via [bijnaam 2 verdachte] bij [medeverdachte 2] terecht gekomen. Hij werkte bij een boer. [bijnaam 2 verdachte] bracht hem altijd weg en haalde hem weer op . Toen aangever voor [medeverdachte 2]werkte, had [bijnaam 2 verdachte] soms ’s avonds ook werk voor hem in Bergen. Dat betaalde hij grotendeels wel, behalve de eerste dag en nog een keer 7 uren. Later is aangever voor [bijnaam 2 verdachte] mensen gaan vervoeren naar hun werk. Ook heeft aangever nog een keer op het land gewerkt voor [bijnaam 2 verdachte], waarvoor hij niet betaald heeft gekregen .

In de periode dat aangever aan het werk was hoorde en zag aangever dat er ongeveer 10 à 15 mensen met valse papieren van [bijnaam 2 verdachte] aan het werk waren. Dit waren allemaal Oekraïners. Zij waren ook via bemiddelaars in de Oekraïne naar Nederland gekomen om te werken.

Aangever was in alles afhankelijk van [bijnaam 2 verdachte]. Aangever wist in Nederland helemaal niets, hij spreekt de taal niet, hij was afhankelijk van [bijnaam 2 verdachte] voor het vervoer naar het werk en voor het salaris. Aangever spreekt maar een klein beetje Engels .

Aangever heeft de man op foto K 56.01 herkend als de [bijnaam 2 medeverdachte 1] die hij samen met [bijnaam 2 verdachte] heeft gezien en die hem heeft afgeperst . Blijkens het bijgevoegde proces-verbaal staat op deze foto medeverdachte [medeverdachte 1] afgebeeld.

De getuige [getuige 1]] heeft verklaard dat hij in het voorjaar van 2010 naar Nederland is gekomen. Hij is via een advertentie in contact gekomen met een persoon in Ternopil, ene [tussenpersoon 5]. Hij had contact met een Pool in Nederland, die werk en documenten kon regelen. De getuige heeft in Ternopil € 650,- betaald en is met de bus naar Nederland gereisd. Hij is in Amsterdam opgehaald door twee Polen. Zij stonden al te wachten. Dat waren [verdachte] en [bijnaam 3 medeverdachte 1]. De getuige was samen met [getuige 2] en [slachtoffer 1]. Zij zijn naar Petten gegaan. [verdachte] en [bijnaam 3 medeverdachte 1] hebben gezegd dat de getuige zelf de huisvesting moest betalen, dat hij moest wachten op werk en dat het werk kranten bezorgen zou zijn. De getuige moest [verdachte] en [bijnaam 3 medeverdachte 1] € 400,- betalen voor documenten en werk, € 250,- aan [bijnaam 3 medeverdachte 1] en de rest aan [verdachte]. Daarnaast heeft de getuige € 150,- aan huur betaald voor drie weken. Eigenlijk wilde [verdachte] het geld hebben en de huur regelen, maar de getuige heeft het direct aan de verhuurster betaald.

Over het werk heeft de getuige onder meer verklaard dat hij twee weken kranten heeft bezorgd, waarvoor hij geen salaris heeft gekregen .

Over [bijnaam 3 medeverdachte 1] heeft de getuige nog verklaard dat hij hier een vrouw en een kind heeft .

Aan de getuige [getuige 1]] is door de verbalisanten foto K-038 getoond, op welke foto de rechtbank ambtshalve de verdachte [verdachte] herkent. De getuige heeft de man op de foto herkend als [verdachte]. Volgens de getuige is de foto genomen in het hotel in Petten .

De getuige [getuige 2] heeft onder meer verklaard dat hij in Oekraïne heeft gereageerd op een advertentie, waarin legaal werk in Nederland werd beloofd, waarmee hij € 7,- à € 8,- per uur zou verdienen. In de advertentie stond een telefoonnummer van [tussenpersoon 4]. De getuige heeft deze [tussenpersoon 4] gebeld en die vroeg aan hem een voorschot van € 200,- en zijn paspoort om een visum te regelen. Verder heeft ene [tussen persoon] in Ternopil het geregeld. In Ternopil heeft de getuige zijn paspoort teruggekregen en moest hij € 500,- betalen. Een Pool in Nederland zou het verder regelen. [naam heeft gezegd dat het om [bijnaam 2 verdachte] ging.

De getuige [getuige 2] is samen met [slachtoffer 1] en [getuige 1]] naar Nederland gekomen. In Amsterdam heeft hij gebeld met [bijnaam 2 verdachte]. [bijnaam 2 verdachte] vroeg om te omschrijven waar zij waren. Na 40 minuten wachten is [bijnaam 2 verdachte], die ook [bijnaam 2 verdachte] wordt genoemd, aangekomen met [bijnaam 3 medeverdachte 1].

De getuige en zijn reisgenoten zijn naar Petten gebracht. [bijnaam 2 verdachte] en [bijnaam 3 medeverdachte 1] hebben daar zijn geld afgepakt. Om de documenten in orde te maken en het verblijf te regelen hadden [bijnaam 2 verdachte] en [bijnaam 3 medeverdachte 1] geld nodig. Volgens de getuige hebben hij en zijn reisgenoten € 1.500,- betaald, € 500,- per man. Dit was voor werk, voor papieren om legaal in Nederland te kunnen werken en ook voor het verblijf. Na Petten zijn de getuige en zijn reisgenoten verhuisd naar Callantsoog. [bijnaam 2 verdachte] heeft dit geregeld.

De getuige kreeg in Nederland een kopie van een Poolse dowod, dit kreeg hij van [bijnaam 2 verdachte] of [bijnaam 3 medeverdachte 1], dat weet hij niet zeker. [bijnaam 2 verdachte] heeft gezegd dat hij met deze kopie kon gaan werken .

Over [bijnaam 3 medeverdachte 1] heeft de getuige verklaard dat hij zwaar is, 100 à 110 kilo, en dat zijn haar gemillimeterd is. Hij is iets kleiner dan aangever, die 1.84 is. De getuige heeft gehoord dat zijn naam niet [bijnaam 3 medeverdachte 1] is, maar [medeverdachte 1], en dat hij een vrouw en een kind heeft .

Aan de getuige [getuige 2] is door de verbalisanten foto K-019 getoond, op welke foto de rechtbank ambtshalve de medeverdachte [medeverdachte 1] herkent. De getuige heeft de man op deze foto herkend als de [bijnaam 3 medeverdachte 1] waarover hij heeft verklaard . Aan de getuige is ook foto K-038 getoond, de foto waarop de rechtbank ambtshalve de verdachte herkent. De getuige geeft aan dat deze persoon [bijnaam 2 verdachte] is.

De getuige [getuige 3] heeft verklaard dat in Lviv in de Oekraïne door een soort van agentschap via advertenties op internet mensen worden geworven om te komen werken in Nederland. Ze vertellen dat ze legaal werk kunnen vinden in Nederland. Een medewerker heet [tussenpersoon 1]. [tussenpersoon 1] en zijn vrouw regelden de papieren voor de reis naar Nederland.

De getuige moest voor deze papieren, zoals het visum, € 800,- betalen. Hij is met de bus naar Nederland gereisd. Daar moest hij ook voor betalen. Op 12 februari 2011 om ongeveer 08.00 uur heeft hij in Amsterdam [verdachte] ontmoet. Ze zijn naar Alkmaar gereden. [verdachte] vroeg aan de getuige € 500,- maar de getuige heeft € 300,- gegeven. Hij vertelde [verdachte] dat hij hem zou betalen als hij werk had. De getuige heeft van [verdachte] een paspoort gekregen. Op basis van dat paspoort zou [verdachte] werk voor hem regelen en zoeken .

Verdachte heeft verklaard dat hij [bijnaam 2 verdachte], [verdachte] en “de tovenaar” wordt genoemd .

Hij heeft zichzelf herkend op de foto K-038, die door verbalisanten aan hem is getoond. Hij denkt dat de foto in Petten genomen is, waar de krantenbezorgers zitten.

Aan de verdachte is voorts een foto getoond met nummer K37.01 . Volgens [verdachte] is dit één van de Oekraïners die in Petten woonde. Hij denkt dat zijn voornaam [voronaam] is, maar de verdachte noemde hem [slachtoffer 1]. De verdachte heeft [slachtoffer 1] en twee collega’s eind april 2010 uit Amsterdam opgehaald. Ze zeiden zelf dat ze uit de Oekraïne kwamen. [slachtoffer 1] en zijn collega’s zijn naar Petten gebracht, waar de verdachte voor hen een hotel had geregeld. De verdachte heeft deze personen kranten laten bezorgen voor [medeverdachte 2]. Volgens de verdachte heeft [slachtoffer 1] twee weken kranten bezorgd, waarna hij voor hem werk in de kool regelde in Waarland. Het was werk in de kool bij een bedrijf dat [bedrijf] heette. Hij werkte daar op naam van [naam valse ID kaart 3] .

Aan de verdachte is voorts een foto getoond van de getuige [slachtoffer 3] met nummer K015 . Volgens de verdachte is dit [slachtoffer 3], een Oekraïner die hij eind juni 2010 samen met [naam valse ID kaart 3] heeft opgehaald uit Amsterdam en die ze naar Callantsoog hebben gebracht. Later heeft de verdachte voor hem nog een andere woning geregeld .

Eind september 2010 heeft de verdachte samen met [naam 4] vier Oekraïners opgehaald bij een tankstation in Amsterdam. De verdachte heeft deze personen eerst ondergebracht in een caravan op een camping te Wogmeer. Later kwam er plek vrij in de [Hotel] in Callantsoog en toen zijn ze daarheen gegaan .

Volgens de verdachte heeft hij alles bij elkaar ongeveer 10 keer Oekraïners opgehaald, 5 keer in Amsterdam, een paar keer op het station van Alkmaar en een paar keer op andere plaatsen in Nederland . In totaal heeft hij ongeveer 20 Oekraïners opgehaald en geholpen .

Uit verschillende tapverslagen van gesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt dat de verdachte bekend is met de komst van Oekraïners naar Nederland voor werk en dat hij daar ook een zeer duidelijke, bemiddelende en wervende rol in speelt.

Uit onderzoek naar telefoongegevens van verdachte, zijn medeverdachte [medeverdachte 1], en diverse telefoonnummers in gebruik bij medewerkers van “[onderneming]”, het uitzendbureau in de Oekraïne waar diverse getuigen over spreken, blijkt dat zowel de verdachte als zijn medeverdachte telefonisch contact hebben gehad met [tussenpersoon 1], [tussenpersoon 3] en [tussenpersoon 2] van “[onderneming]”.

De beoordeling van de bewijsmiddelen

Vrijspraak feit 2

Hoewel uit de verklaringen van [slachtoffer 2] blijkt dat hij meermalen via de verdachte in Nederland heeft gewerkt, dat hij voor die werkzaamheden niet of niet volledig betaald heeft gekregen en dat de verdachte voor hem huisvesting en vervoer heeft geregeld, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het initiatief daartoe bij de verdachte heeft gelegen. De getuige heeft verklaard dat hij zelf meermalen Nederland is ingereisd, ook nadat hij in verband met illegaal verblijf Nederland was uitgezet. Hij heeft bij zijn reis van Oekraïne naar Nederland geen gebruik gemaakt van een bemiddelaar in Oekraïne. Voorts is niet gebleken dat de getuige bemiddelingskosten heeft moeten betalen voor zijn reis naar Nederland. De getuige heeft verder verklaard dat hij bij aankomst in Nederland zelf contact heeft gezocht met de verdachte voor huisvesting en vervoer.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder 2. ten laste gelegde feit niet bewezen en zal zij de verdachte van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van de overige feiten

De rechtbank stelt voorop dat zij niet onderschrijft hetgeen de raadsman heeft aangevoerd met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] en de getuige [slachtoffer 3]. Deze verklaringen zijn gedetailleerd en voor een groot deel consistent te noemen. Bovendien worden deze verklaringen op belangrijke punten ondersteund door de andere bewijsmiddelen. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen, voor zover tot het bewijs gebezigd, daarom als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt.

Ten aanzien van de feiten 1, 3 en 4

Aan de verdachte wordt ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde personen het medeplegen van drie modaliteiten van mensenhandel verweten:

a. het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 1 Sr); en

b. het beschikbaar stellen tot het verrichten van arbeid en diensten (artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 4 Sr); en

c. het voordeel trekken uit de uitbuiting (artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 6 Sr).

Medeplegen

Uit de hiervoor genoemde verklaringen van aangevers en de getuigen blijkt dat in Oekraïne verschillende bedrijven actief bezig zijn geweest met het werven van personen voor het verrichten van arbeid in onder meer Nederland, waarbij legaal werk tegen beloning in het vooruitzicht is gesteld. Hiervoor moesten in Oekraïne, zeker voor Oekraïense begrippen, grote geldbedragen worden betaald.

Uit de verklaringen blijkt verder dat hieraan een nauwe samenwerking ten grondslag lag met de verdachte. Betrokkenen hebben allemaal zijn naam en telefoonnummer gekregen. Daarbij is hen verteld dat zij hem bij aankomst in Nederland moesten bellen en dat hij alles voor hen zou regelen. Uit sommige verklaringen blijkt dat de verdachte al vooraf op de hoogte was van de komst van de Oekraïners naar Nederland. Vaak was hij ook op de hoogte van de hoeveelheid geld die zij meebrachten. De verdachte haalde betrokkenen op in Amsterdam en regelde huisvesting elders in Noord-Holland. Voorts regelde hij voor de Oekraïners werk, veelal onder een valse Poolse identiteit, alsmede vervoer van en naar de werkplek.

De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] hiervan op de hoogte was en hieraan ook een wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Uit de verklaringen blijkt dat hij aanwezig is geweest bij het ophalen van de - na bemiddeling in Oekraïne - in Nederland aangekomen Oekraïners en dat hij betrokken is geweest bij het tewerkstellen van de Oekraïners onder een valse identiteit. Voorts blijkt dat een aanzienlijk deel van de geldbedragen die in Nederland betaald moesten worden, aan hem ten goede zijn gekomen. De betrokkenen hebben dat geld zelf aan hem betaald of hij heeft dat van de verdachte ontvangen.

De rechtbank is, gelet op de hierboven geschetste nauwe en bewuste samenwerking, dan ook van oordeel dat gesproken moet worden van medeplegen door de verdachte, de medeverdachte [medeverdachte 1] en hun handlangers in de Oekraïne.

Ad a.

Bij de beoordeling van de vraag of deze variant van mensenhandel bewezen kan worden, dient gelet op hetgeen ten laste is gelegd allereerst vastgesteld te worden of er sprake was van een zogenaamde handeling (werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen).

Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt dat sprake is geweest van werven, vervoeren en huisvesten.

Vervolgens dient te worden vastgesteld of ook sprake is geweest van een middel, in casu ten laste gelegd als dwang, (dreiging met) geweld, (dreiging met) feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.

De levensstandaard en de lonen liggen in de Oekraïne aanzienlijk lager dan in Nederland. Uit de verklaringen van de aangevers en de getuigen blijkt verder dat de Oekraïners onder valse voorwendselen via een bemiddelaar in de Oekraïne naar Nederland zijn gekomen en dat zij voor hun reis naar en verblijf in Nederland grote bedragen aan bemiddelingskosten hebben moeten betalen. Ook hebben zij zelf de reis naar Nederland betaald. Hiervoor hebben zij zich in hun thuisland in de schulden gestoken. Betrokkenen konden in Nederland niet legaal werken en waren na het verlopen van hun visum illegaal in Nederland. Zij beschikten bij aankomst in Nederland over geen of weinig eigen financiële middelen, spraken de Nederlandse taal niet en hadden geen enkel sociaal netwerk in Nederland. Tot slot zijn betrokkenen niet of niet volledig uitbetaald voor hun werkzaamheden.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte ervan op de hoogte was dat de Oekraïners zich ten opzichte van hem en zijn medeverdachten in een ongelijkwaardige positie bevonden. Hij was op de hoogte van de achtergrond en de feitelijke omstandigheden waarin betrokkenen verkeerden. Betrokkenen zijn door verdachte en zijn medeverdachten bewust in een situatie gebracht die ver verwijderd is van de omstandigheden waarin een mondige huurder of werknemer in Nederland pleegt te verkeren.

Naar het oordeel van de rechtbank is hierdoor sprake geweest van misleiding, van misbruik maken van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en van misbruik maken van een kwetsbare positie. Bij de betrokkenen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] is daarnaast sprake geweest van dreiging met feitelijkheden. De rechtbank verwijst daartoe naar de verklaringen van deze personen en naar de feitelijke handelingen zoals die ten aanzien van deze personen onder 5. zijn bewezenverklaard.

Tot slot moet de vraag worden beantwoord of verdachte het oogmerk tot uitbuiting van betrokkenen heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten de Oekraïners naar Nederland hebben gehaald met de enkele bedoeling om daaraan geld te verdienen. Betrokkenen hebben in Oekraïne en in Nederland grote bedragen aan bemiddelingskosten moeten betalen. Daarvoor hebben zij zich in de schulden moeten steken. Daarnaast zijn zij niet of verre van volledig betaald voor hun werkzaamheden. Deze niet uitbetaalde bedragen zijn aan verdachte en zijn medeverdachten ten goede gekomen.

Ad b.

Gelet op hetgeen hiervoor onder a. is overwogen en gelet op de verklaringen van aangevers en de getuigen, hebben verdachte en zijn mededaders tevens de inmiddels illegaal in Nederland verblijvende Oekraïners door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van hun kwetsbare positie, werk laten verrichten en zich daarbij schuldig gemaakt aan uitbuiting.

Ad c.

Vaststaat dat verdachte en zijn medeverdachten voordeel uit de uitbuiting van de illegale Oekrainers hebben getrokken.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ten aanzien van de ten laste gelegde feiten onder 1, 3 en 4 alle aan verdachte ten laste gelegde modaliteiten van mensenhandel wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 5

Uit de verklaringen van de Oekraïners en de overige bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte samen met anderen, een drietal Oekraïners heeft geholpen bij hun reis naar Nederland. Vaststaat dat deze personen ten tijde van de inreis in Nederland beschikten over een geldig visum, zodat van grensoverschrijdende smokkel naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is. Na aankomst in Nederland zijn de Oekraïners vervoerd naar een verblijfplaats in Noord-Holland, waar zij werden gehuisvest. Vervolgens werden deze personen tewerkgesteld. Verdachten en zijn mededaders wisten dat deze personen niet legaal in Nederland konden werken en dat zij na het verlopen van hun visum illegaal in Nederland verbleven. De rechtbank acht daarom bewezen dat sprake is van het medeplegen van het verschaffen van voortgezet wederrechtelijk verblijf. Voorts acht de rechtbank bewezen dat bij verdachte een winstoogmerk aanwezig is geweest. De Oekraïners hebben grote geldbedragen betaald aan verdachte en zijn medeverdachten en zij zijn voor hun werkzaamheden niet of verre van volledig uitbetaald. Voorts acht de rechtbank, gelet op de periode waarin en de frequentie waarmee verdachte en zijn medeverdachten Oekraïners, die in Nederland niet mogen werken, naar Nederland haalden, tevens bewezen dat zij van het te werk stellen van deze mensen een beroep en/of gewoonte hebben gemaakt.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 5 ten laste gelegde tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan.

Ten aanzien van feit 6

Op grond van:

- de bekennende verklaring van verdachte op de terechtzitting van 24 november 2011;

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gedateerd 22 maart 2011 (dossierpagina 2153 en 2154);

- het ambtsedig proces-verbaal van bevindingen door verbalisant [verbalisant 3] gedateerd 24 maart 2011 (dossierpagina 2191 en 2192);

acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 6 ten laste gelegde feit heeft begaan, in die zin dat hij zich op 22 maart 2011 in Heerhugowaard heeft gelegitimeerd aan verbalisant [verbalisant 1] met een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 19 april 2010 tot en met 11 augustus 2010, in Nederland en Oekraïne, tezamen en in vereniging met anderen,

door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,

- een ander, genaamd [slachtoffer 1], heeft geworven en vervoerd en gehuisvest,

met het oogmerk van uitbuiting van die persoon;

en

- deze [slachtoffer 1] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid;

en

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1];

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

- tegen die [slachtoffer 1] verteld dat hij in Nederland legaal arbeid kon verrichten en meer geld kon verdienen dan in Oekraïne en

- die [slachtoffer 1] in Nederland vanuit Amsterdam naar een verblijfplaats vervoerd en voor die [slachtoffer 1] onderdak geregeld en

- die [slachtoffer 1] geldbedragen, waaronder een bedrag van 600 euro voor bemiddelingskosten, laten betalen en

- die [slachtoffer 1] voorzien van valse identiteitsdocumenten en

- die [slachtoffer 1] naar en van bedrijven, alwaar hij arbeid kon verrichten, gebracht en opgehaald en

- die [slachtoffer 1] niet of niet volledig betaald voor het verrichten van die arbeid en

- een gedeelte van het door die [slachtoffer 1] verdiende geld laten afstaan aan hem, verdachte, en zijn mededaders en

- aldus een situatie gecreëerd, waarin hij, verdachte, en zijn mededaders door de feitelijke verhoudingen een overwicht verkregen over die [slachtoffer 1];

3.

hij in de periode van 15 juni 2010 tot en met 30 september 2010, in Nederland en Oekraïne, tezamen en in vereniging met anderen,

door dreiging met feitelijkheden en door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,

- een ander, genaamd [slachtoffer 3], heeft geworven en vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die persoon;

en

- deze [slachtoffer 3] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid;

en

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 3];

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

- tegen die [slachtoffer 3] verteld dat hij in Nederland legaal arbeid kon verrichten en meer geld kon verdienen dan in Oekraïne en

- die [slachtoffer 3] in Nederland vanuit Amsterdam naar een verblijfplaats vervoerd en voor die [slachtoffer 3] onderdak geregeld en

- die [slachtoffer 3] geldbedragen, waaronder een bedrag van 550 euro voor bemiddelingskosten, laten betalen en

- die [slachtoffer 3] verteld dat hij niets mocht zeggen als hij door de politie werd aangehouden en

- die [slachtoffer 3] voorgehouden dat hij uitgezet zou worden uit Nederland of zou worden opgesloten in de gevangenis en

- die [slachtoffer 3] voorzien van een vals identiteitsdocument(en) en

- die [slachtoffer 3] naar en van bedrijven, alwaar hij arbeid kon verrichten, gebracht en opgehaald en

- die [slachtoffer 3] niet betaald voor het verrichten van die arbeid en

- aldus een situatie gecreëerd, waarin hij, verdachte, en zijn mededaders door de feitelijke verhoudingen een overwicht verkregen over die [slachtoffer 3];

4.

hij in de periode van 19 april 2010 tot en met 31 december 2010, in Nederland en Oekraïne, tezamen en in vereniging met anderen,

door dreiging met feitelijkheden en door misleiding en door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie,

- een ander, te weten een persoon, genaamd [slachtoffer 4], heeft geworven en vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van uitbuiting van die persoon;

en

- deze [slachtoffer 4] heeft bewogen zich beschikbaar te stellen voor het verrichten van arbeid;

en

- opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 4];

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders

- tegen die [slachtoffer 4] verteld dat hij in Nederland legaal arbeid kon verrichten en meer geld kon verdienen dan in Oekraïne en

- die [slachtoffer 4] in Nederland vanuit Amsterdam naar een verblijfplaats vervoerd en voor die [slachtoffer 4] onderdak geregeld en

- die [slachtoffer 4] geldbedragen waaronder een geldbedrag van 800 euro voor bemiddelingskosten laten betalen en

- die [slachtoffer 4] voorzien van een vals identiteitsdocument en

- die [slachtoffer 4] naar en van bedrijven, alwaar hij arbeid kon verrichten, gebracht en opgehaald en

- die [slachtoffer 4] niet of niet volledig betaald voor het verrichten van die arbeid en

- een gedeelte van het door die [slachtoffer 4] verdiende geld laten afstaan aan hem, verdachte, en zijn mededaders en

- die [slachtoffer 4] medegedeeld dat - als hij niet betaalde - zij aan een uitzendbureau en derden zouden vertellen dat hij, [slachtoffer 4], een (identiteits)document gestolen zou hebben en

- die [slachtoffer 4] medegedeeld dat - als hij niet betaalde - hij weggejaagd zou worden en geen werk meer zou krijgen en

- aldus een situatie gecreëerd, waarin hij, verdachte, en zijn mededaders door de feitelijke verhoudingen een overwicht verkregen over die [slachtoffer 4];

5.

hij in de periode van 01 september 2009 tot en met 22 maart 2011, in Nederland en in Oekraïne, tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders - tegen betaling van geldbedragen - voornoemde personen - die niet over een verblijfstitel voor Nederland beschikten - informatie verstrekt over de reis vanuit Oekraine naar Nederland en hen, toen zij in Nederland arriveerden, vervoerd en verder begeleid in hun reis in Nederland en huisvesting en werk voor hen geregeld en hen niet op hun naam gestelde paspoorten en/of (identiteits)documenten verstrekt, terwijl verdachte en zijn mededaders wisten dat dat verblijf wederrechtelijk was, terwijl hij, verdachte, en zijn mededaders van bovenomschreven feiten een beroep en/of een gewoonte hebben gemaakt;

6.

hij op 22 maart 2011 in de gemeente Heerhugowaard opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, te weten een Pools paspoort (nummer AK9998517), ten name van [slachtoffer 5], welk gebruik hierin bestond dat verdachte zich ten overstaan van een opsporingsambtenaar, genaamd [verbalisant 1], hoofdagent van de vreemdelingenpolitie, met dat paspoort heeft gelegitimeerd.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 3:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 4:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

Ten aanzien van feit 5:

een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit wordt begaan door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt en in vereniging wordt begaan door meerdere personen;

Ten aanzien van feit 6:

opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft erop gewezen dat geen sprake is geweest van geweld of intimidatie, dat de betrokken Oekraïners vrij waren om zich te onttrekken aan de situatie en dat van een langdurige uitzichtloze situatie voor betrokkenen geen sprake is geweest. Indien de rechtbank tot strafoplegging overgaat dient volgens de raadsman een fors deel van een eventuele gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm te worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat na te melden straf in overeenstemming is met de aard en de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan. Voorts is deze gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank neemt in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel. In georganiseerd verband heeft verdachte gedurende langere tijd een drietal Oekraïners die illegaal in Nederland door hun te werk zijn gesteld uitgebuit. Verdachte was op de hoogte van de kwetsbare en afhankelijke positie van deze slachtoffers en heeft daar misbruik van gemaakt. Verdachte heeft zijn persoonlijk geldelijke gewin en dat van zijn mededaders uitdrukkelijk gesteld boven de vrijheid en integriteit van de slachtoffers. Voorts heeft verdachte zich samen met anderen schuldig gemaakt aan mensensmokkel. Verdachte heeft uit winstbejag inbreuk gemaakt op het nationale belang om illegaliteit in Nederland te voorkomen. Verdachte heeft zich ten slotte gelegitimeerd met het paspoort van een ander.

De rechtbank is van oordeel dat op dergelijke feiten slechts gereageerd kan worden met een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank niet alle ten laste gelegde feiten heeft bewezen verklaard en zij voorts van oordeel is dat de op te leggen straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

9. Vordering van de benadeelde partijen

[slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 2.192,- wegens schade die de verdachte met zijn mededaders aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van de hiervoor in het rubriek Bewezenverklaring onder feit 1 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte - ook al zijn andere daders daarbij betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 600,- kan de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2010, tot dat bedrag worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de immateriële schade van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Het overige gedeelte van de vordering, te weten de gevorderde reiskosten van de benadeelde partij, zal de rechtbank afwijzen.

[slachtoffer 3]

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 12.119,- wegens schade die de verdachte met zijn mededaders aan de benadeelde partij heeft toegebracht.

Nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 3 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte - ook al zijn andere daders daarbij betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.000,-, bestaande uit de gevorderde bemiddelingskosten en de gevorderde woonkosten, kan de vordering tot dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2010, worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank levert de behandeling van het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de immateriële schade en het achterstallig loon van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het overige gedeelte van de vordering, te weten de gevorderde rente van een lening van de benadeelde partij, zal de rechtbank afwijzen.

[slachtoffer 4]

De benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie opgave gedaan van de inhoud van de vordering tot vergoeding van € 1.903,60 wegens schade die de verdachte met zijn mededaders aan de benadeelde partij heeft toegebracht. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van [slachtoffer 4], mr. A. Koopsen, de vordering toegelicht.

Nu voorts is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in de rubriek Bewezenverklaring onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte - ook al zijn andere daders daarbij betrokken - rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag kan de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2010, worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De verdachte is niet tot vergoeding gehouden voor zover het toewijsbare reeds door de mededaders aan de benadeelde partij is voldaan.

10. Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna onder Beslissing te noemen maatregelen besloten omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de in de rubriek Bewezenverklaring bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de benadeelden. De toepassing van hechtenis, bij gebreke van voldoening van de verschuldigde bedragen, heft de opgelegde verplichtingen niet op.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36f, 47, 57, 197a, 231 en 273f van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

12. Beslissing

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen, dat de verdachte het onder feit 1, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek Bewezenverklaring aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feit 1, 3, 4, 5 en 6 meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek Bewezenverklaring bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek Strafbaarheid van het bewezen verklaarde vermelde strafbare feiten.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

Veroordeelt de verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 600,- (zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2010, als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Bepaalt dat het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de immateriële schade van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en bepaalt dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Wijst de vordering voor het overige af.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] tot het hierna te noemen bedrag.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 2.000,- (tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2010, als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Bepaalt dat het gedeelte van de vordering dat betrekking heeft op de immateriële schade en het achterstallig loon van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en bepaalt dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verklaart de benadeelde partij in het resterende deel van de vordering niet ontvankelijk.

Wijst toe de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4].

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een bedrag van € 1.903,60 (negentienhonderd drie euro en zestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2010, als schadevergoeding.

Veroordeelt de verdachte voorts in de kosten die de benadeelde partij tot op heden heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken. De tot heden gemaakte kosten begroot de rechtbank op nihil.

Bepaalt dat de verdachte niet tot betaling gehouden is indien en voor zover de verschuldigde bedragen reeds door de mededaders zijn voldaan.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1], te betalen een som geld ten bedrage van € 600,-, (zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 augustus 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 3], te betalen een som geld ten bedrage van € 2.000,-, (tweeduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 september 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4], te betalen een som geld ten bedrage van € 1.903,60, (negentienhonderd drie euro en zestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2010, bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 29 dagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de betaling aan de Staat.

Bepaalt dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de betaling aan de benadeelde partij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C. Haverkate, voorzitter,

mr. L. Boonstra en mr. M.E. Francke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L. de Jong, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 8 december 2011.