Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BU7599

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
05-12-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
374971 CV EXPL 11-3136
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kern van het geschil is of werkneemster, overeenkomstig de cao, in opdracht van haar werkgeefster bereikbaarheidsdiensten heeft gedraaid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-1030
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector Kanton

Locatie Hoorn

Zaaknr/rolnr.: 374971 CV EXPL 11-3136

Uitspraakdatum: 5 december 2011

Vonnis in de zaak van:

[naam]

wonende te [plaats],

eisende partij,

verder ook te noemen: [werkneemster],

gemachtigde: mr. S. Bakker, jurist bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Leeuwarden,

tegen

de stichting STICHTING ALGEMEEN ZIEKENHUIS WESTFRIESGASTHUIS,

gevestigd te Hoorn aan het adres Maelsonstraat 3,

gedaagde partij,

verder ook te noemen: Wfg,

gemachtigde: mr. D.G. Veldhuizen, advocaat te Amsterdam.

Het procesverloop

-[werkneemster] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding met producties d.d. 7 juli 2011.

-Wfg heeft bij antwoord met producties verweer gevoerd.

-De kantonrechter verwijst naar het op 12 september 2011 in deze zaak uitgesproken tussenvonnis.

-Naar aanleiding van dat tussenvonnis heeft op 4 november 2011 een comparitie na antwoord plaatsgevonden, waarvan aantekeningen zijn gemaakt.

-De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

-Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.1[werkneemster] is van 1 september 2001 tot 1 februari 2011 bij Wfg in dienst geweest. Eerst in de functie Hoofdanalist PA-lab van de Unit Pathologie. In 2006 is die functie vervangen door de functie Unithoofd (van de Unit Pathologie) en [werkneemster] heeft die functie uitgeoefend tot aan het einde van het dienstverband. Het laatstverdiende loon van [werkneemster] bedroeg € 3.495,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en een vaste maandelijkse vergoeding van € 432,- bruto. Op de arbeidsovereenkomst is van toepassing de Cao voor het Ziekenhuiswezen (hierna: de Cao).

1.2In 2009-2010 heeft het bestuur van de Unit Pathologie, waarvan Wfg toen deel uitmaakte, gesproken over het al dan niet hebben van bereikbaarheidsdiensten. Zij heeft zich daarbij mede gebaseerd op een door [werkneemster] opgesteld memorandum van 19 april 2010 over de wijze waarop zij vanaf 2003 bereikbaar was en hoe dat in de toekomst geregeld zou moeten worden. Daarop heeft het bestuur van de Unit Pathologie beslist dat vanaf 1 september 2010 vier medewerkers worden aangesteld en ingeroosterd die beschikbaar zijn voor calamiteiten na kantooruren. Daarvoor is tot 1 januari 2011 beschikbaar een bedrag van € 300,- per maand dat onder die medewerkers moet worden verdeeld.

1.3Bij brief d.d. 8 juli 2010 heeft Wfg aan [werkneemster] meegedeeld dat zij eenmalig een bedrag van € 5.400,- bruto zal ontvangen “voor uw flexibiliteit ten aanzien van calamiteiten na kantooruren de afgelopen jaren.” Bij brief d.d. 28 juli 2010 heeft [werkneemster] aan Wfg meegedeeld niet akkoord te gaan met het voorstel van 8 juli 2010 en overeenkomstig de Cao aanspraak te maken op vergoeding van bereikbaarheidsdiensten de afgelopen zeven jaar.

1.4Bij brief d.d. 4 maart 2011 van haar gemachtigde heeft [werkneemster] aan Wfg meegedeeld dat zij aanspraak maakt op een vergoeding wegens door [werkneemster] gedraaide bereikbaarheidsdiensten. Onder verwijzing naar artikel 11 van de Cao sommeert [werkneemster] Wfg tot betaling over te gaan van een bedrag van € 80.000,- bruto wegens in de periode van september 2003 tot september 2010 gedraaide bereikbaarheidsdiensten. Bij brief d.d. 19 april 2011 heeft Wfg aansprakelijkheid van de hand gewezen.

1.5Artikel 11.1 van de Cao luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

“Artikel 11.1. Definities

1. Onder bereikbaarheidsdienst wordt verstaan een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, naast het verrichten van de bedongen arbeid, verplicht is om bereikbaar te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.

…”

1.6Tussen partijen is een discussie ontstaan over de vraag of [werkneemster] tijdens het dienstverband bereikbaarheidsdiensten heeft verricht.

Het geschil

2.1[werkneemster] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Wfg tot betaling van een bedrag van € 49.387,20 bruto, te vermeerderen met € 24.693,60 bruto wegens wettelijke verhoging ex artikel 7:625 Burgerlijk Wetboek (BW), wettelijke rente hierover vanaf de vervaldag en € 1.500,- netto wegens buitengerechtelijke kosten, kosten rechtens.

2.2[werkneemster] stelt hiertoe, zakelijk weergegeven, dat Wfg het dienstverband van [werkneemster] niet correct heeft afgewikkeld. [werkneemster] kon namelijk nog recht doen gelden op de door haar gedurende vijf jaar voorafgaand aan 1 februari 2011 verrichte bereikbaarheids/consignatiediensten als bedoeld in de artikelen 11.1 en 11.4 van de Cao. Op grond van artikel 11.4 lid 2 Cao bedraagt de compensatie in tijd gemiddeld 7,75 uur per week. Bij een uurloon van € 27,19 bruto, is dat € 210,72 bruto per week. [werkneemster] die zelfs tijdens haar vakanties bereikbaar moest zijn, kan aldus nog recht doen gelden op 5 jaar x 52 weken x € 210,72 bruto = € 54.787,20 bruto. Op dat bedrag dient in mindering te worden gebracht het bedrag van € 5.400,- bruto dat Wfg in 2010 aan [werkneemster] heeft voldaan. Aldus heeft [werkneemster] nog te vorderen € 49.387,20 bruto vermeerderd met wettelijke verhoging en wettelijke rente. Daarnaast maakt [werkneemster] aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 1.500,-.

2.3Wfg concludeert tot afwijzing van de vordering van [werkneemster] en voert hiertoe, zakelijk weergegeven het volgende aan. De vordering van [werkneemster] is deels verjaard. Zij heeft de vordering ingesteld bij brief d.d. 4 maart 2011. Dit betekent dat de vordering vanaf 2003 tot 1 maart 2006 is verjaard. Vanaf 1 september 2010 was [werkneemster] vrijgesteld van werkzaamheden, zodat zij ook na die datum geen aanspraak kan maken op enige vergoeding. Voor het overige betwist Wfg dat [werkneemster] bereikbaarheidsdiensten als bedoeld in de Cao heeft gedraaid.

De beoordeling

3.1Tijdens de comparitie heeft [werkneemster] verzocht haar eis te vermeerderen. Dat verzoek heeft de kantonrechter ter comparitie afgewezen. Een eisvermeerdering dient bij akte of conclusie gedaan te worden. Dat heeft [werkneemster] niet gedaan. Bovendien lag het op de weg van [werkneemster] om van het voornemen tot een dergelijk verzoek zeven dagen voor de zitting de kantonrechter en de wederpartij in kennis te stellen. Dat heeft [werkneemster], zonder geldige reden, evenmin gedaan. Daarmee heeft [werkneemster] gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

3.2Wfg heeft een aantal weren gevoerd tegen de vordering, onder meer inhoudende dat deze (deels) is verjaard. De vordering heeft betrekking op de periode vanaf 1 februari 2006. [werkneemster] heeft aangevoerd de vordering reeds gestuit te hebben bij brief d.d. 8 juli 2010 (bedoeld zal zijn haar brief d.d. 28 juli 2010, productie 15 bij antwoord). Met [werkneemster] is de kantonrechter van mening dat met de brief d.d. 28 juli 2010 van [werkneemster] aan Wfg de verjaring is gestuit. De thans aan de orde zijnde vordering is derhalve niet verjaard.

3.3De centrale te beantwoorden vraag is echter of [werkneemster], overeenkomstig artikel 11.1 lid 1 van de Cao, in opdracht van Wfg bereikbaarheidsdiensten heeft gedraaid. Vooropgesteld moet worden dat partijen bij de indiensttreding van [werkneemster] niet hebben beoogd haar bereikbaarheidsdiensten te laten draaien. Dit blijkt, onder meer, uit het tussen partijen bij de indiensttreding opgestelde personeelsdocument, waarop staat vermeld dat [werkneemster] geen bereikbaarheidsdiensten draait. Ook in 2007 toen de functie van [werkneemster] opnieuw is beschreven, hebben partijen nergens enige aanwijzing gegeven waaruit blijkt dat [werkneemster] bereikbaarheidsdiensten draaide. Pas in de loop van 2009 is de zaak gaan rollen. Dit naar aanleiding van de (nieuwe) leidinggevende van [werkneemster], Karsten, die iets wilde doen aan het verlofstuwmeer van [werkneemster]. Daarop heeft [werkneemster] op verzoek van Karsten een memo over bereikbaarheidsdiensten geschreven, waarbij zij ook is ingegaan op de situatie in het verleden. Ook daarna hebben partijen nooit met elkaar afgesproken dat Wfg bereikbaarheidsdiensten als bedoeld in de Cao draaide of heeft gedraaid. Daarbij woog mee dat er daarvoor te weinig oproepen waren.

3.4Het voorgaande neemt niet weg dat er sprake kan zijn van bereikbaarheidsdiensten als bedoeld in de Cao, indien de door [werkneemster] verrichte werkzaamheden volgens de bewoordingen van de Cao zijn te beschouwen als een bereikbaarheidsdienst. Artikel 11.1 van de Cao verstaat onder bereikbaarheidsdienst “een aaneengesloten periode van ten hoogste 24 uren waarin de werknemer, naast het verrichten van de bedongen arbeid, verplicht is om bereikbaar te zijn om op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.”

3.5Vast staat dat er in of rond 2003 binnen de Unit Pathologie een afspraak is gemaakt over de bereikbaarheid van [werkneemster] buiten de overeengekomen werktijden. Met Wfg is de kantonrechter van oordeel dat deze afspraak niet is aan te merken als een opdracht tot het verrichten van bereikbaarheidsdiensten in de zin van de Cao. Die bereikbaarheid hield immers geen verplichting voor [werkneemster] in om bij een oproep zo spoedig mogelijk te verschijnen om bij Wfg “de bedongen arbeid te verrichten”. [werkneemster] hoefde immers niet beschikbaar te zijn. Zij ging ook gewoon op vakantie, zoals zij zelf ter comparitie heeft toegelicht. Daar komt bij dat partijen ook nooit hebben bedoeld een bereikbaarheidsdienst als bedoeld in de Cao in te stellen en [werkneemster] slechts incidenteel werd gebeld. Dat Wfg uit coulance een vergoeding van € 5.400 bruto aan [werkneemster] heeft betaald “voor uw flexibiliteit ten aanzien van calamiteiten na kantooruren de afgelopen jaren”, maakt dit niet anders.

3.6De conclusie is dat de vordering wordt afgewezen.

3.7[werkneemster] dient als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [werkneemster] in de proceskosten, die tot heden voor Wfg worden vastgesteld op een bedrag van € 1.725,81 [inclusief BTW indien en voorzover door [werkneemster] verschuldigd], waaronder begrepen een bedrag van € 1.200,00 voor salaris van de gemachtigde van Wfg [waarover [werkneemster] geen BTW verschuldigd is].

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 5 december 2011 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter