Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BU7524

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
21-04-2011
Datum publicatie
12-12-2011
Zaaknummer
127385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Formele bezwaren tegen de totstandkoming van de Lijst der Geldelijke Regelingen ongegrond. Bezwaren tegen punten waterhuishouding en verkaveling ongegrond. Het bezwaar tegen het niet toekennen van een vergoeding voor kavelaanvaardingswerk ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK TE ALKMAAR

Sector civiel recht

SNS/MAB/BvP

zaaknummer / rekestnummer: 127385 / HA ZA 11-178

Bezwaren tegen de lijst der geldelijke regelingen ruilverkaveling De Gouw

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken van 21 april 2011

in de zaak van

[reclamant],

wonende te [woonplaats],

RECLAMANT,

gemachtigde mr. ing A.E. Noordhuis te Hornhuizen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon,

LANDINRICHTINGSCOMMISSIE DE GOUW,

zetelend te Utrecht,

GERECLAMEERDE,

gemachtigde mr. J.P.M. Verhoeven.

Partijen zullen hierna reclamant en de commissie genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de door de commissie ter inzage gelegde lijst der geldelijke regelingen (hierna: LGR), voor zover betrekking hebbend op reclamant;

- het bezwaarschrift van reclamant van 24 mei 2010 met bezwaren 1 tot en met 14;

- het proces-verbaal van de behandeling door de commissie op

9 september 2010, waarbij de bezwaren ongegrond zijn verklaard;

- het proces-verbaal van bezwarenbehandeling door de rechter-commissaris op

17 februari 2011. Omtrent de bezwaren 1 tot en met 14 is geen overeenstemming bereikt. De rechter-commissaris heeft de behandeling van de bezwaren verwezen naar de zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 24 maart 2011;

- de akte houdende producties en bewijsaanbod van reclamant van 17 maart 2011 met producties 1 t/m 12;

- de nadere akte houdende producties van reclamant van 20 maart 2011 met producties 14 tot en met 20;

- het proces-verbaal van behandeling door de rechtbank op 24 maart 2011 met aangehecht de pleitnotities van partijen.

1.2. Tenslotte is vonnis bepaald.

2. Het geschil en de beoordeling

2.1. Vaststaande feiten

- De ruilverkaveling De Gouw is gelegen ten noordwesten van Hoorn in het centrale deel van West-Friesland en bestrijkt een oppervlakte van circa 6800 ha.

- De Landinrichtingswet is met ingang van 1 januari 2007 ingetrokken en vervangen door de Wet inrichting landelijk gebied. Op grond van de overgangsbepaling van artikel 95 lid 2 van deze wet is de Landinrichtingswet op de onderhavige ruilverkaveling, dat een landinrichtingsproject betreft waarin reeds voor 1 januari 2007 toepassing is gegeven aan artikel 198 Landinrichtingswet, van toepassing gebleven.

- De landinrichtingscommissie De Gouw voert haar werkzaamheden in het gebied uit conform het Landinrichtingsplan "De Gouw" dat op 26 februari 1988 is vastgesteld door de Centrale Landinrichtingscommissie.

- Het Plan van toedeling is door deze rechtbank vastgesteld. Op 4 maart 2005 heeft de aktepassering plaatsgevonden.

- De lijst der geldelijke regelingen is opgesteld door de commissie en heeft van 12 april 2010 tot en met 11 mei 2010 ingevolge artikel 213 Landinrichtingswet ter inzage gelegen. Bezwaren konden worden ingediend tot en met 25 mei 2010.

2.2. De bezwaren van reclamant

Reclamant heeft een zestal "formele bezwaren" (bezwaren 1 tot en met 6) en 8 materiële bezwaren (bezwaren 7 tot en met 14) tegen de lijst der geldelijke regelingen ingebracht:

1. bezwaar tegen uitsluiting lid commissie;

2. kwaliteit tervisielegging LGR;

3. voorlopige kostenopgave tijdens tervisielegging niet voorhanden;

4. bezwaar tegen het in rekening brengen van kosten die niet terug te voeren zijn op het landinrichtingsplan (m.n. kosten EHS, schadeclaims en opruimen vervuiling);

5. bezwaar tegen het als overbedeling in rekening brengen van meetverschillen;

6. gelijke behandeling BBL en andere belanghebbenden;

7. ten onrechte geen kavelaanvaardingswerk door commissie verricht;

8. vergoeding kavelaanvaardingswerk;

9. houding commissie ten aanzien van kavelaanvaardingswerk;

10. waterpeil;

11. onderbemaling;

12. slootwater niveau;

13. waterhuishouding en blauwe vlekkenkaart;

14. punten verkaveling.

2.3. Het standpunt van de commissie

De commissie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de bezwaren 1 tot en met 14.

2.4. Op de standpunten van partijen zal de rechtbank hierna ingaan.

3. De beoordeling

Bezwaar 1 - uitsluiting lid commissie

Reclamant heeft als bezwaar 1 naar voren gebracht dat het besluit tot vaststelling van de ter visie gelegde LGR en het besluit tot tervisielegging van de LGR niet zijn genomen door de landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling De Gouw zoals deze destijds is benoemd door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, aangezien het benoemde lid van de commissie, de heer L. [], stelselmatig is uitgesloten van het deelnemen aan de besluitvorming der commissie, door hem onvrijwillig geen convocaties van vergaderingen te zenden en hem geen pakket vergaderstukken ter voorbereiding op de vergaderingen te zenden. De besluiten zijn volgens reclamant derhalve niet genomen door de commissie maar door een onbevoegd gezelschap van personen, waardoor de bedoelde besluiten nietig zijn.

Blijkens het proces-verbaal ex artikel 172 lid 2 van de Landinrichtingswet heeft de commissie het standpunt ingenomen dat de Landinrichtingscommissie De Gouw conform de Landinrichtingswet en het Besluit nadere regelen leden commissie door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland is ingesteld en dat de afwezigheid van een van de leden - door ziekte of op welke wijze dan ook - er niet toe leidt dat de besluiten van de commissie niet rechtsgeldig zouden zijn. De commissie heeft het bezwaar afgewezen en het proces-verbaal aan de rechter-commissaris voorgelegd.

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft reclamant zijn standpunt herhaald. Door de commissie is aangevoerd dat de heer [] geen convocaties en vergaderstukken heeft gekregen omdat hij ziek was. Door reclamant is betwist dat de heer [] wegens ziekte niet aan de vergaderingen van de commissie heeft kunnen deelnemen. Met reclamant is ten aanzien van dit bezwaar geen overeenstemming bereikt, zodat de rechter-commissaris het bezwaar heeft doorverwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. Ter terechtzitting hebben partijen hun standpunten nader uiteengezet, waarbij door de commissie is aangegeven dat de heer [] een schriftelijk ontslagverzoek bij Gedeputeerde Staten heeft ingediend. Of Gedeputeerde Staten daarop een ontslagbesluit ten aanzien van de heer [] hebben genomen, is de commissie niet bekend. Door reclamant is aangevoerd dat de heer [] niet is ontslagen en dat hij ook per januari 2011 weer is herbenoemd en derhalve nog steeds lid is van de commissie.

De rechtbank stelt vast dat de (her)benoeming van de leden van de landinrichtingscommissie voor de ruilverkaveling De Gouw rechtsgeldig heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in artikel 28 Landinrichtingswet en het Besluit nadere regelen leden landinrichtingscommissie van 11 september 1985 (Stb.526). Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, stelt de rechtbank voorts vast dat de besluitvorming door de commissie - in het bijzonder de besluitvorming met betrekking tot de vaststellling en tervisielegging van de LGR - heeft plaatsgevonden overeenkomstig het bepaalde in artikel 31 Landinrichtingswet, te weten in aanwezigheid van tenminste de helft van het aantal commissieleden. Daarmee is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor rechtsgeldige besluitvorming. De afwezigheid van een der leden bij de vergaderingen der commissie - wat daarvan ook de oorzaak moge zijn geweest - leidt er niet toe dat de commissie niet meer zou kunnen vergaderen in de evenwichtige samenstelling als door de wetgever bedoeld en door Gedeputeerde Staten benoemd bestuursorgaan, maar "als gezelschap van personen niet zijnde de lic", zoals door appellant is gesteld. Daarvoor is geen steun in de wet te vinden. Evenmin leidt de afwezigheid van een der leden tot nietige besluitvorming zolang aan het bepaalde in artikel 31 Landinrichtingswet is voldaan. De rechtbank verklaart het bezwaar derhalve ongegrond.

Bezwaren 2 en 3 - bezwaren tegen wijze van terinzagelegging

Reclamant heeft een aantal bezwaren aangevoerd tegen de wijze van terinzagelegging.

Hij heeft in de eerste plaats gesteld dat tijdens de tervisielegging van de LGR de voorlopige kostenopgave en andere detailleringen zoals de berekening van de puntwaarde aan de zijde van de kosten van de ruilverkaveling niet voorhanden waren. De commissie heeft - onweersproken door reclamant - naar voren gebracht dat de voorlopige kostenopgave en de berekening van de puntwaarde wel degelijk aanwezig waren en dat een ieder die deze stukken wilde inzien is bediend. Toen de gemachtigde van reclamant tijdens de tervisielegging de voorlopige kostenopgave wilde inzien, werd deze door een ander ingezien, zodat niet direct aan het verzoek kon worden voldaan. De gemachtigde van reclamant heeft echter op een later moment tijdens de tervisielegging inzage gehad in de voorlopige kostenopgave en ook een kopie daarvan ontvangen.

De rechtbank stelt vast dat de voorlopige kostenopgave tijdens de tervisielegging ter inzage heeft gelegen en voor reclamant voorhanden is geweest. De omstandigheid dat niet direct aan een verzoek om inzage kon worden voldaan omdat op dat moment juist een andere belanghebbende het document inzag, doet daaraan niet af. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Reclamant heeft voorts als bezwaar naar voren gebracht dat de tervisielegging van de LGR niet voldeed aan de daaraan te stellen randvoorwaarden en daarom nietig is. Volgens reclamant is uitgangspunt dat de tervisiegelegde stukken in fysieke vorm gedurende een aantal uren op alle werkdagen binnen de termijn van de tervisielegging voor vrije inzage door het publiek beschikbaar moeten zijn op een plaats in de buurt van het project waar de tervisielegging op ziet. Aan deze vereisten is niet voldaan. Gedurende een deel van de termijn lagen de stukken ter inzage in Amsterdam. Reclamant acht de afstand tussen Amsterdam en het blok van de ruilverkaveling De Gouw te groot. Bovendien kon reclamant in Amsterdam geen afspraak maken op de door hem gewenste dag, omdat de betrokken medewerker bij het Kadaster die dag niet aanwezig was. De LGR was dus niet op alle werkdagen in de aangekondigde periode in te zien. Bij de tervisielegging in Amsterdam was de fysieke LGR niet aanwezig; er was slechts een mogelijkheid via een laptop de digitale vorm van de LGR in te zien onder begeleiding van een medewerker van het Kadaster. Het zelf bedienen van het apparaat was niet toegestaan. De begeleiding was sterk gericht op het uitsluitend inzage nemen in de LGR-gegevens omtrent de eigen inbreng en toedeling.

De commissie heeft het standpunt ingenomen dat de tervisielegging van de LGR voldeed aan de geldende randvoorwaarden. Het tervisiegelegde is volledig beschikbaar geweest voor reclamant en zijn gemachtigde; er was steeds een medewerker beschikbaar voor het begeleiden van de inzage en het beantwoorden van vragen. Aan alle vragen van de gemachtigde is voldaan en alle gevraagde kopieën zijn verstrekt. In Abbekerk was de LGR in geprinte vorm aanwezig. De informatie is daar meest op de laptop verstrekt en in een groot aantal gevallen is een kopie geprint en aan de bezoekers meegegeven. In Amsterdam was de inzage eveneens via de laptop. Aan de gemachtigde van reclamant is aangeboden de volledige LGR te printen om fysieke aanwezigheid te realiseren. Door gemachtigde zijn alle gewenste stukken ingezien en op eigen verzoek niet direct geprint, maar op 4 mei per post aan hem toegestuurd. De inzage was op afspraak, de locatie was bespreekbaar. Er is niet aangegeven dat dit voor reclamant of zijn gemachtigde een probleem was.

Het standpunt van reclamant dat de terinzagelegging niet voldoet omdat de stukken gedurende een deel van de termijn in Amsterdam ter inzage hebben gelegen, slaagt niet. Uit artikel 213 van de Landinrichtingswet volgt dat de commissie bepaalt op welke plaats de LGR ter inzage wordt gelegd. Amsterdam is niet gelegen op dusdanige afstand van Abbekerk dat van reclamant niet in redelijkheid kon worden verlangd dat hij naar Amsterdam zou reizen om de stukken in te zien. Ook is de rechtbank niet gebleken dat reclamant in zijn belangen is geschaad doordat hij in overleg met het Kadaster een afspraak voor inzage heeft moeten maken. De rechtbank acht het bezwaar in zoverre ongegrond.

In de Landinrichtingswet en de Awb zijn geen voorschriften opgenomen over de wijze waarop stukken ter kennisname moeten worden aangeboden. Dat steeds alle stukken fysiek aanwezig moeten zijn, volgt daaruit dus niet. De rechtbank neemt als beoordelingsmaatstaf of reclamant kennis heeft kunnen nemen van alle relevante stukken op een wijze die in redelijkheid van hem kon worden verlangd.

Uit het betoog van reclamant en de commissie blijkt dat reclamant, ook in Amsterdam, alle relevante op de LGR betrekking hebbende stukken heeft kunnen inzien. Hem zijn daarnaast op verzoek afschriften van alle gewenste stukken toegezonden. De rechtbank volgt reclamant niet in zijn stelling dat hem de gelegenheid geboden had moeten worden om vrij in alle relevante stukken te bladeren. De rechtbank ziet niet in waarom kennisname van stukken met behulp van een laptop en onder begeleiding van een medewerker van het Kadaster niet zou voldoen. Reclamant heeft niet concreet gemaakt op welke wijze hij daardoor in zijn belangen is geschaad. De rechtbank stelt dan ook vast dat de terinzagelegging heeft voldaan aan de daaraan te stellen eisen en verklaart het bezwaar van reclamant ongegrond.

Bezwaar 4 - bezwaar tegen het in rekening brengen van kosten die niet terug te voeren zijn op het landinrichtingsplan

Reclamant heeft bezwaar gemaakt tegen het geheel of gedeeltelijk bij de gezamenlijke eigenaren van het blok in rekening brengen van kosten die niet zijn terug te voeren op het Landinrichtingsplan voor de ruilverkaveling De Gouw. De gemachtigde van reclamant heeft aangegeven dat het hierbij met name zou gaan om kosten voor de ecologische hoofdstructuur (EHS) en de inrichting van natuurgebied. Ook meent reclamant dat in grote posten kavelaanvaarding en/of waterbeheersing kosten zijn ondergebracht die zijn veroorzaakt door onrechtmatige activiteiten van de commissie en die te maken hebben met verwerking van vervuild slib en met het voorkomen van asbest. Reclamant stelt dat de commissie uitsluitsel had behoren te geven, bijvoorbeeld door een verklaring van haar accountant, nu uit de stukken niet blijkt dat deze kosten niet worden verhaald op de gezamenlijke eigenaren.

De commissie heeft naar voren gebracht dat zij de voorlopige kostenopgave op de juiste wijze overeenkomstig de bepalingen van de Landinrichtingswet en binnen het kader van het Landinrichtingsplan heeft opgesteld en dat er géén kosten voor de EHS of voor natuurinrichting ten laste van de gezamenlijke eigenaren zijn gekomen. Voorts heeft de commissie, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 november 2009 (NJ 2009,582), er op gewezen dat artikel 210 Landinrichtingswet niet voorschrijft dat de LGR een gespecificeerde opgave bevat van de kosten van landinrichting die artikel 222 lid 4 Landinrichtingswet ten laste van de gezamenlijke eigenaren brengt. De commissie heeft tenslotte, onder aanhaling van het arrest van de Hoge Raad van 18 februari 2011 (LJN: BO9770), naar voren gebracht dat de LGR posten van nog uit te voeren werken mag bevatten. De Hoge Raad geeft in het arrest aan: "De rechtbank heeft dit bezwaar terecht verworpen nu de wet (artikel 212 lid 1, aanhef en onder a Landinrichtingswet) voorschrijft dat de lijst der geldelijke regelingen een zo nauwkeurig mogelijke opgave bevat van de op grond van artikel 223 lid 1 voortvloeiende kosten voor de betrokken eigenaren. De wetgever is dus niet ervan uitgegaan dat op de voet van artikel 212 lid 1, aanhef en onder a, ten laste van de gezamenlijke eigenaren slechts die landinrichtingskosten mogen worden omgeslagen die ten tijde van het opstellen van die lijst reeds zijn gemaakt."

De rechtbank overweegt het volgende. De artikelen 221 e.v. van de Landinrichtingswet bepalen de verdeling van de kosten van landinrichting tussen het Rijk, de openbare lichamen en de eigenaren van het blok. In artikel 222 lid 4 Landinrichtingswet is bepaald dat ten laste van de gezamenlijke eigenaren de kosten van de landinrichting komen, die gemaakt zijn ten behoeve van het blok, voor zover deze kosten niet worden gedekt door het Rijk of voor zover de betaling van deze lasten niet bij overeenkomst is verzekerd. In het Landinrichtingsplan (hoofdstuk 13 Raming van de kosten en de verdeling daarvan; tabel 8 raming van de kosten en bijdragen) is aangegeven welke kostenposten voor rekening van het blok komen. Dit betreft naast een bijdrage in de algemene (administratieve) kosten, bijdragen in de kosten van ontsluiting en verkaveling, in het bijzonder in de kosten van de kavelaanvaardingswerkzaamheden. Alle overige kosten, waaronder de kosten van natuurinrichting, komen blijkens het Landinrichtingsplan ten laste van het Rijk, belanghebbende instanties of individuele belanghebbenden. Reclamant veronderstelt dat er kosten ten onrechte ten laste van de gezamenlijke eigenaren zijn gebracht, maar laat na deze veronderstelling concreet te onderbouwen. Blijkens zijn bezwaar gaat reclamant ervan uit dat de commissie moet aantonen dat bepaalde kosten, waaronder die voor de EHS, niet ten laste van de gezamenlijke eigenaren zijn gebracht. Deze veronderstelling is, zoals blijkt uit de Landinrichtingswet en de hierboven aangehaalde jurisprudentie, niet juist. De rechtbank verklaart het bezwaar derhalve ongegrond.

Bezwaar 5 - bezwaren tegen het als overbedeling in rekening brengen van meetverschillen

Reclamant heeft als bezwaar aangevoerd dat hij bij de LGR een te zware geldelijke bijdrage heeft moeten leveren in verband met overbedeling. Het blok van de ruilverkaveling De Gouw is bij toedeling groter gebleken dan bij inbreng. Dit is een gevolg van meetverschillen. Degenen die exact hun eigen grond toebedeeld hebben gekregen, zijn vrijgesteld van een vergoeding in verband met overbedeling, in tegenstelling tot degenen die geheel of gedeeltelijk door anderen ingebrachte grond toebedeeld kregen. Dit verschil in behandeling is ongerechtvaardigd, nu de toedeling voor eenieder een originaire verkrijging vormt.

Blijkens het proces-verbaal ex artikel 172, tweede lid, van de Landinrichtingswet heeft de commissie het standpunt ingenomen dat de inbreng en toedeling worden bepaald op waarde, zijnde het voortbrengend vermogen van de grond. De oppervlakte staat daar los van; alle oppervlakten in de verkaveling worden opnieuw berekend. De post overbedeling komt ten goede van het blok. De commissie heeft verwezen naar de "Notitie oppervlaktevergroting".

Ten overstaan van de rechter-commissaris heeft de commissie bevestigd dat indien de toedeling gelijk is aan de inbreng, geen kosten voor overbedeling in rekening worden gebracht, ook niet als de oppervakte wegens meetverschillen is toegenomen.

De rechtbank stelt aan de hand van de "Notitie oppervlaktevergroting" vast dat bij de ruilverkaveling niet de oppervlakte, maar de waarde van de grond als ruilmiddel fungeert. De waarde wordt vastgesteld aan de hand van het agrarisch voortbrengend vermogen van de grond. Daartoe worden schattingsklassen vastgesteld. De waarde wordt bepaald door de oppervlakte van de grond te vermenigvuldigen met de schattingsklasse. Bij de vaststelling van de waarde van de grond speelt dus ook - maar niet uitsluitend - de oppervlakte een rol. De rechtbank stelt verder vast dat voor wat betreft de verrekening van overbedeling onderscheid wordt gemaakt tussen degenen die hun eigen grond toebedeeld hebben gekregen en degenen die geheel of gedeeltelijk door anderen ingebrachte grond toebedeeld hebben gekregen. Dit brengt niet zonder meer mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Daarvan is uitsluitend sprake indien een ongerechtvaardigd onderscheid wordt gemaakt tussen gelijke gevallen. Deze situatie doet zich in het onderhavige geval niet voor. Iedereen die zijn eigen grond toebedeeld heeft gekregen is op gelijke wijze behandeld, evenals iedereen die geheel of gedeeltelijk andere grond toebedeeld heeft gekregen. Het maken van een onderscheid tussen deze twee categorieën gevallen acht de rechtbank gerechtvaardigd. Zij overweegt daartoe dat bij toedeling van de eigen grond, eventuele overbedeling in de regel zal zijn ontstaan door meetverschillen. Als geheel of gedeeltelijk andere grond wordt toebedeeld, kan die conclusie niet worden getrokken, omdat bij de vaststelling van de waarde van inbreng en toedeling de oppervlakte maar één van de waardebepalende elementen is. Het in de tweede situatie niet vrijstellen van overbedelingsvergoeding levert dus geen strijd met het gelijkheidsbeginsel op. Dat in beide gevallen sprake is van een originaire wijze van verkrijging van grond doet daaraan niet af. De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Bezwaar 6 - gelijke behandeling BBL en andere belanghebbenden

Reclamant heeft als bezwaar naar voren gebracht dat het Bureau Beheer Landbouwgronden (hierna BBL) ten onrechte een andere afrekenprijs voor de onderbedeling heeft gekregen. Deze afrekenprijs is niet gebaseerd op de schattingswaarde. Het BBL krijgt daardoor een hogere prijs voor de grond dan de prijs die andere rechthebbenden binnen het blok krijgen bij een onderbedeling. Bovendien zijn als gevolg van de hogere verrekenprijs de kosten voor het blok hoger. Reclamant stelt dat hierdoor de gezamenlijk belanghebbenden zijn benadeeld. Het BBL dient het verschil alsnog terug te storten in de kas van het blok, zodat het uiteindelijk berekende bedrag aan de gezamenlijke belanghebbende ten goede komt, aldus reclamant.

Reclamant verzoekt daarom primair een overeenkomstige behandeling als BBL. Subsidiair verzoekt hij een afrekening met het BBL op basis van de inbrengwaarde vermenigvuldigd met de actualiseringsfactor, gelijk bij iedere andere rechthebbende is gebeurd.

De commissie stelt zich op het standpunt dat het BBL ten aanzien van de verwerving van gronden in een ruilverkaveling een unieke positie inneemt. Op grond van artikel 29 lid 1 Wet Agrarisch Grondverkeer in combinatie met artikel 2a van de beschikking "Werkzaamheden BBL", vervult het BBL een rol bij "het verkrijgen, tijdelijk beheren en vervreemden van onroerende zaken gelegen binnen de grenzen van het in te richten gebied, zoals vastgesteld in het Landinrichtingsplan op grond van de Landinrichtingswet". Het BBL heeft de taak om reeds ver voor het Plan van toedeling ter inzage wordt gelegd in het gebied aankopen te verrichten. Deze aankopen zijn voor de commissie van essentieel belang en onmisbaar om overbedeling en ruiling in een gebied mogelijk te maken. Ten tijde van het Plan van toedeling neemt het BBL als eigenaar van ingebrachte gronden rechtspositioneel geen afwijkende positie in in vergelijking met andere rechthebbenden. Doordat de gronden van het BBL voor overbedeling en ruiling worden ingezet, heeft het BBL als eigenaar een enorme onderbedeling. Deze onderbedeling bedraagt meer dan de wettelijke 5% die in artikel 144 van de Landinrichtingswet wordt genoemd. Indien de onderbedeling meer dan 5% bedraagt, dient de commissie afspraken met de eigenaar te maken over de wijze waarop de onderbedeling wordt afgerekend. Daarom is er voor de grond van het BBL een uitgebreide berekeningsmethodiek ontwikkeld. De uitkomst van die berekening heeft de commissie overgenomen. De grond van het BBL is afgerekend voor een bedrag van

euro 34.487,30. De gemiddelde schattingswaarde van het blok bedraagt euro 34.250,=. Gelet op de bijzondere positie van het BBL kan zij voor wat betreft de afrekening van de gronden niet worden gelijkgesteld met de andere rechthebbenden in het blok, aldus de commissie. De commissie verzoekt dan ook het bezwaar ongegrond te verklaren.

Met de commissie is de rechtbank van oordeel dat het bezwaar van reclamant ongegrond is. Vaststaat dat het BBL in de ruilverkaveling De Gouw een onderbedeling heeft gekregen die groter is dan 5% van de inbreng. Eveneens staat vast dat reclamant geen onderbedeling maar een overbedeling heeft gekregen. Voor zover het bezwaar ziet op een (on-)gelijke behandeling van reclamant en BBL bij afrekening van een onderbedeling kan daar feitelijk geen sprake van zijn. Reclamant heeft immers zowel in waarde als in oppervlakte een overbedeling gekregen.

Wat betreft de bepaling van de prijs van de afrekening van de onderbedeling van het BBL overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank onderschrijft het standpunt van de commissie dat het BBL in de ruilverkaveling een andere positie inneemt dan de overige eigenaren. Het BBL heeft immers niet tot doel gronden toebedeeld te krijgen. Het in de artikelen 139 e.v. Landinrichtingswet neergelegde uitgangspunt dat iedere eigenaar in de herverkaveling aanspraak heeft op het verkrijgen van een recht van zoveel mogelijk dezelfde aard en waarde als hij heeft ingebracht, gaat voor het BBL niet op.

De rechtbank overweegt voorts dat de Landinrichtingswet niet uitsluit dat buiten het in de artikelen 139 e.v. Landinrichtingswet voorgestane systeem de commissie bij overeenkomst een geldelijke verrekening van een onderbedeling met een rechthebbende afspreekt. Ingevolge artikel 144, eerste lid, Landinrichtingswet kan een afwijking van de maximale over - of onderbedeling van 5% slechts met toestemming van de betreffende rechthebbende plaatsvinden. Als dit percentage wordt overschreden, zal de commissie dus met de betrokken eigenaar - in casu het BBL - overeenstemming moeten bereiken over de te hanteren verrekenprijs. Dat deze verrekenprijs anders tot stand komt dan op basis van een methodiek die bij rechthebbenden met een onderbedeling van minder dan 5% wordt gehanteerd, is vanuit de bijzondere positie van het BBL te rechtvaardigen.

Bezwaren 7 tot en met 13: kavelaanvaardingswerk en waterhuishouding

Reclamant heeft in zijn bezwaarschrift onder 7 tot en met 13 bezwaren aangevoerd die betrekking hebben op nagelaten kavelaanvaardingswerk en de gebrekkige waterhuishouding op een deel van zijn perceel. Deze bezwaren hangen samen, zodat de rechtbank ze gezamenlijk zal behandelen.

Reclamant stelt zich in het bezwaarschrift op het standpunt dat de commissie ten onrechte heeft nagelaten kavelaanvaardingswerk op zijn perceel uit te voeren. Hem is zware, laaggelegen grond toegedeeld in ruil voor hooggelegen lichte grond van bollengrondkwaliteit. Er diende dus kavelaanvaardingswerk te worden verricht.

De waterhuishouding is volgens reclamant achtergebleven bij de gewekte verwachtingen. Het waterpeil op zijn perceel is te hoog gehouden. Reclamant betwist dat de verbeteringen die zichtbaar zijn op de blauwe vlekkenkaart daadwerkelijk zijn doorgevoerd en stelt dat een behoorlijke ontwatering uitsluitend kan plaatsvinden met onderbemaling.

Reclamant begroot de kosten voor kavelaanvaardingswerk en het op een aanvaardbaar niveau brengen van het waterpeil op zijn perceel op euro 319.193,70.

De commissie heeft het standpunt ingenomen dat zij niet verplicht is zelf kavelaanvaardingswerk uit te voeren. Aan reclamant is op aanvraag een vergoeding voor kavelaanvaardingswerk van euro 25.779,00 uitbetaald. Dit bedrag is berekend op basis van de rechten kavelaanvaarding die zijn ontleend aan het verschil in de kavelovergangsschattingen inbreng en toedeling onder aftrek van de overbedeling. Daarnaast is reclamant een vergoeding betaald voor de periode dat hij een mindere opbrengst van het land zou kunnen halen. De commissie ziet geen grond voor toekenning van een hoger bedrag aan kavelaanvaardingswerk. Zij stelt daartoe dat reclamant de toedeling wenst op te hogen, terwijl daartoe op basis van een vergelijking tussen inbreng en toedeling geen aanleiding bestaat. Reclamant heeft verder stelselmatig geweigerd medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de bestekswerken en daarmee de aansluiting op het waterpeil van

NAP -1.95 meter. In de inbrengsituatie was sprake van een waterpeil in de zomer van

NAP -1.40 meter. In de toedelingsituatie is, bij aansluiting op het waterpeil, in het landbouwgebied zowel 's zomers als 's winters sprake van een waterpeil van NAP -1.90 meter. Er is dus wel degelijk sprake van een verbetering. Reclamant kan met een eenvoudige uitvoering van werken alsnog aansluiten op dit waterpeil.

Ter terechtzitting hebben partijen hun standpunten herhaald en nader toegelicht. Reclamant heeft gesteld dat de ontheffing van het waterschap niet voorzag in ontwatering voor de laagst gelegen grond die aan reclamant was toegedeeld. Daarover heeft veelvuldig overleg met de betrokken instanties plaatsgevonden. Uiteindelijk heeft de commissie, in afwijking van de haar verleende ontheffing, peildammen gelegd op zodanige wijze dat reclamant geheel is afgesloten van het laagwaterniveau. Om de ontwatering in overeenstemming te brengen met de uitgangspunten en normen van het Landinrichtingsplan moeten diverse werkzaamheden worden verricht. Deze zijn voor rekening van de commissie. Reclamant betwist te hebben geweigerd werkzaamheden te laten uitvoeren.

De commissie heeft nog toegevoegd dat reclamant aan het eind van het systeem zit, zodat derden geen hinder ondervinden van het niet meewerken van reclamant. Voor het toepassen van bestuursdwang bestond daarom geen aanleiding. Reclamant heeft niet gereageerd op de brief van de commissie van 17 augustus 2009, waarin is aangegeven dat door tegenwerking van reclamant de commissie niet in staat is de voor de waterhuishouding noodzakelijk werken uit te voeren. Gevolg hiervan is dat het perceel van reclamant niet optimaal kan afwateren. Dit kan de commissie niet worden aangerekend.

De rechtbank stelt vast dat kavelaanvaardingswerkzaamheden de werkzaamheden zijn die moeten worden uitgevoerd om de toedeling zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met de inbreng. Het recht op kavelaanvaardingswerk vloeit voort uit artikel 148 van de Landinrichtingswet, waarin is vastgelegd dat aan iedere eigenaar zoveel mogelijk onroerende zaken worden toegedeeld van gelijke hoedanigheid en gebruiksbestemming als de inbreng. Van kavelaanvaardingswerk moet worden onderscheiden het bestekswerk dat door de commissie wordt verricht ter uitvoering van het Landinrichtingsplan.

De rechtbank is met de commissie van oordeel dat de Landinrichtingswet de commissie er niet toe verplicht kavelaanvaardingswerkzaamheden zelf uit te voeren. Een systeem waarbij de belanghebbende op aanvraag een vergoeding wordt toegekend om werkzaamheden uit te voeren teneinde de toedeling zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met de inbreng, kan de rechterlijke toets doorstaan. Het bezwaar van reclamant dat de commissie zelf kavelaanvaardingswerk (bezwaar 7) had moeten uitvoeren, is dus ongegrond.

De rechtbank stelt verder vast dat een deel van het door reclamant gewenste kavelaanvaardingswerk feitelijk betrekking heeft op de aansluiting van zijn perceel op het laagwaterpeil. Zoals hiervoor aangegeven zijn dit geen kavelaanvaardingswerkzaamheden, maar bestekswerkzaamheden. Met betrekking tot deze werkzaamheden en de stellingen van reclamant aangaande de waterhuishouding overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat in het gebied waarin de percelen van reclamant zich bevinden een laagwaterpeil is gerealiseerd, maar dat reclamant hierop niet is aangesloten. Evenmin is in geschil dat de landinrichtingscommissie uitgangspunten moet scheppen voor het kunnen aansluiten van iedere belanghebbende, en dus ook reclamant, op het laagwaterpeil. De commissie heeft echter gesteld dat reclamant deze werkzaamheden heeft verhinderd en dat de consequenties daarvan voor rekening van reclamant moeten blijven.

Uit de bijlagen die als bijlage D zijn gevoegd bij het proces-verbaal ex artikel 172 van de Landinrichtingswet, in het bijzonder het verslag van de hoorzitting van 11 augustus 2008, de brief van de commissie aan reclamant van 21 november 2008, de schriftelijke weergave van met reclamant gemaakte afspraken d.d. 18 februari 2009, de brieven van de commissie aan reclamant van 8 en 27 april 2009 en de brief van de commissie aan mr. ing. Noordhuis van 17 augustus 2009, blijkt dat er veelvuldig overleg tussen partijen heeft plaatsgevonden over de uit het Landinrichtingsplan voortvloeiende bestekswerkzaamheden in het kader van de waterbeheersing op het perceel van reclamant. De rechtbank leidt uit deze stukken af dat reclamant aanvankelijk geen medewerking aan de werkzaamheden wilde verlenen, omdat hij zijn perceel niet doorgraven wilde hebben met een sloot. Nadat reclamant bezwaar had gemaakt tegen het door de commissie staken van de bestekwerkzaamheden, is deze beslissing teruggedraaid en zijn tussen partijen alternatieven besproken. De commissie heeft bij brief van 8 april 2009 een voorstel gedaan voor bestekswerk. Daarbij was niet langer sprake van het doorsnijden van het perceel van reclamant met een sloot, maar van het omgraven van percelen met kavelscheidingssloten. Reclamant moest daarvoor nog wel op onderdelen overeenstemming bereiken met de eigenaar van het aangrenzende perceel. De brief van de commissie van 8 april 2009 is, zoals door de commissie onweersproken is gesteld, door reclamant onbeantwoord gelaten. In een brief van 17 augustus 2009 heeft de commissie mr. ing Noordhuis - voor zover hier van belang - bericht:

"bij de uitvoering op vrijdag 31 juli 2009 kwam, door het bezoek van (...) Van den Berg, directievoerder, wederom de breedte van de sloten ter sprake. Op 1 juli j.l. heeft u telefonisch contact gehad met de voorzitter van de ruilverkaveling (...) Tijdens het telefoongesprek heeft u medegedeeld dat de bestekswerkzaamheden zonder tegenwerking van uw cliënt konden worden uitgevoerd. Op 2 juli j.l. heeft u telefonisch aan (...) Rennings (...) het vorenstaande bevestigd. Nu wederom, voor de derde maal, uw cliënt weigert medewerking te verlenen aan het graven van de afgesproken kavelscheidingssloten op de voorgeschreven maat van 2.90 m. op de waterlijn en gezien de vele gemaakte kosten van stilstand van de machines en de extra inzet van personeel, zien wij ons genoodzaakt de uitvoering van de bestekswerken bij uw cliënt definitief te beëindigen".

In het licht van bovenstaande, uit de stukken blijkende, toedracht die reclamant op geen enkel punt concreet heeft betwist, neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de commissie zich voldoende heeft ingespannen om de bestekwerkzaamheden ten behoeve van de waterbeheersing op de percelen van reclamant uit te voeren en dat reclamant geen medewerking aan de uitvoering heeft verleend. De stelling dat de commissie in afwijking van de ontheffing peildammen heeft geplaatst, kan daaraan niet afdoen, nu het plaatsen van die dammen verband houdt met het niet verlenen van medewerking door reclamant. De omstandigheid dat reclamant niet heeft kunnen profiteren van het laagwaterpeil komt dan ook voor zijn risico. De rechtbank zal de bezwaren van reclamant die betrekking hebben op de waterhuishouding op de grond van zijn toedeling (bezwaren 10, 11, 12 en 13) daarom ongegrond verklaren.

Uit het voorgaande volgt tevens dat de commissie niet gehouden was reclamant een vergoeding te verstrekken voor het zelf verrichten van werkzaamheden met betrekking tot de aansluiting op het laagwaterpeil. Voor zover de aanvraag voor kavelaanvaardingswerk betrekking heeft op deze werkzaamheden, heeft de commissie dus terecht geen vergoeding toegekend en zijn de bezwaren (bezwaar 9) van reclamant ongegrond.

De commissie heeft voor kavelaanvaardingswerk een bedrag toegekend van euro 25.778, 81. Bij haar brief aan reclamant van 6 mei 2009 is een berekening gevoegd. De rechtbank acht deze berekening, waartegen reclamant geen concrete bezwaren heeft ingebracht, voldoende inzichtelijk. Zij is voorts van oordeel dat de commissie er bij haar berekening van mocht uitgaan dat de grond afkomstig uit de te graven kavelscheidingssloten kon worden gebruikt voor het egaliseren van de toegedeelde grond.

De stelling van de commissie dat de door reclamant ingebrachte offerte voor het kavelaanvaardingswerk deels ziet op verbetering van het perceel, heeft reclamant niet betwist. Dit alles afwegende verklaart de rechtbank de bezwaren van reclamant tegen de toegekende vergoeding voor kavelaanvaardingswerk (bezwaar 8) ongegrond.

Bezwaar 14, punten verkaveling

Reclamant heeft bezwaren aangevoerd tegen de punten die hem voor verkaveling in rekening zijn gebracht. Hij is van mening dat de toegedeelde grond niet gelijkmatig van kwaliteit en niet universeel bruikbaar is. De ogenschijnlijk verbeterde verkaveling zal geen verbetering blijken te zijn, omdat percelen door de kwaliteitsverschillen in tweeën zullen moeten worden verdeeld.

De commissie acht de aanslag voor verkaveling terecht, omdat sprake is van een grotere huiskavel. Het nut van samenvoeging van percelen, de vormverbetering en de vergroting, alsmede de afstandsverkorting wordt vastgesteld aan de hand van een aantal representatieve verkavelingsmodellen. Er worden vijf klassen gehanteerd. Reclamant is met zijn bedrijf in klasse 3 ingedeeld. De schatting is zorgvuldig en volgens de voorschriften verricht en heeft niet geleid tot een onredelijk resultaat.

De rechtbank is van oordeel dat de puntentoekenning voor verkaveling in stand kan blijven. Reclamant heeft niet betwist dat er ten aanzien van de aspecten samenvoeging, vorm, vergroting, dan wel afstandsverkorting sprake is van een verbetering die indeling in klasse 3 rechtvaardigt. Zijn bezwaren zien op de bruikbaarheid en de kwaliteit van de grond. Dit betreft bezwaren die geen rol spelen bij de verkaveling, maar bij de vaststelling van de waarde van de grond. Het bezwaar is ongegrond.

Proceskosten

Gelet op het hiervoor overwogene zal de rechtbank de bezwaren ongegrond verklaren. Reclamant zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld. De rechtbank ziet aanleiding om de kosten aan de zijde van de Landinrichtingscommissie te begroten op nihil.

4. De beslissing

De rechtbank:

- verklaart de bezwaren van reclamant ongegrond;

- verwijst reclamant in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van de commissie begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J. van der Molen, mr. M.A.J. Berkers en mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2011.