Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BU6797

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
16-11-2011
Datum publicatie
05-12-2011
Zaaknummer
373992 \ CV EXPL 11-3674
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het was werknemer op grond van de door partijen ondertekende bruikleenovereenkomst niet toegestaan de bedrijfswagen voor privé doeleinden te gebruiken. Kern van het geschil is of werknemer schadeplichtig is geworden door in strijd te handelen met de bruikleenovereenkomst. De kantonrechter overweegt dat sprake is van opzet aan de zijde van werknemer en werknemer is daarom aansprakelijk voor de door werkgever ten gevolge van dat verboden privé gebruik geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2011-1014

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector kanton - Locatie Alkmaar

zaak/rolnr.: 373992 \ CV EXPL 11-3674

datum uitspraak: 16 november 2011

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DIT Technical Services 1 B.V.

te 's-Hertogenbosch

eisende partij

hierna te noemen DIT

gemachtigde mr. J. Pijtak

tegen

[naam]

te [plaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [werknemer]

gemachtigde mr. J.J.C. Engels

De procedure

Voor de loop van het geding verwijst de kantonrechter naar de volgende stuk¬ken:

-de dagvaarding van 1 maart 2011, met producties,

-de conclusie van antwoord, met producties,

-de akte van DIT,

-het door de sector civiel recht van deze rechtbank gewezen en op 22 juni 2011 uitgesproken tussenvonnis houdende verwijzing naar de kantonrechter,

-het door de kantonrechter tussen partijen gewe¬zen en op 13 juli 2011 uitgesproken tussenvonnis,

-de aantekeningen van de griffier van de ingevolge dat vonnis op 20 september 2011 gehouden comparitie van partijen.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende betwist en/of op grond van de onweerspro¬ken inhoud van de producties, staat tussen partij¬en het volgende vast:

a.DIT is een onderneming die zich bezighoudt met het uitzenden c.q. detacheren van werknemers in de techniek- en bouwsector aan diverse inleners.

b.[werknemer], geboren op [datum], is op 14 juni 2006 in dienst getreden bij DIT als elektromonteur.

c.De laatste arbeidsovereenkomst van [werknemer] liep van 11 augustus 2010 tot

10 januari 2011, zijnde de einddatum van de detachering bij BAM Techniek.

d.In de periode van 11 augustus 2010 tot 10 januari 2011 heeft [werknemer] op twee plaatsen zijn werkzaamheden verricht, te weten: 50 dagen op het project HHNK aan de Bevelandseweg 1 te Heerhugowaard en 27 dagen op het project OMRING aan de

PJ. Jongstraat 52 te Lutjebroek.

e.Tijdens het (onder c. en d. genoemde) laatste dienstverband heeft DIT aan [werknemer] een bedrijfsauto ter beschikking gesteld.

f.In de arbeidsovereenkomst tussen partijen is met betrekking tot het ter beschikking stellen van een bedrijfswagen onder meer het volgende opgenomen:

“Voor privé gebruik wordt € 65,00 per periode ingehouden op het salaris van de werknemer.”

g.Op 11 augustus 2010 is door partijen met betrekking tot de onder e. genoemde bedrijfsauto een “Bruikleenovereenkomst bedrijfsauto” (hierna: de bruikleenovereenkomst) ondertekend.

h.In de onder g. genoemde bruikleenovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Artikel 7

Het is de gebruiker niet toegestaan de bedrijfsauto voor privédoeleinden, anders dan woon-werk-verkeer, te gebruiken. Gebruiker dient tevens een verklaring “Geen privé-gebruik bedrijfswagen” aan te vragen bij de belastingdienst. (…)

Artikel 8

Als DIT niet in het bezit is van een verklaring “Geen privé-gebruik bedrijfswagen”, wordt de fiscale bijtelling op het salaris in het kader van de loonbelasting toegepast, hetgeen ook zal gebeuren indien DIT redenen heeft om aan te nemen, dat niet langer aan de betreffende voorwaarden wordt voldaan, alsook, wanneer de gebruiker niet terstond alle informatie en documentatie aan DIT verschaft, wanneer daarnaar wordt gevraagd.

Artikel 10

De gebruiker die niet privé rijdt in de ter beschikking gestelde bedrijfsauto, is verplicht onmiddellijk eigener beweging DIT er schriftelijk van op de hoogte te stellen, wanneer hij/zij redelijkerwijs weet dat de vrijstelling waarop de verklaring geen privé gebruik van de belastingdienst (…) het oog heeft zich niet langer voor zal doen c.q. voordoet. (…)”

i.Ten tijde van de terbeschikkingstelling van de bedrijfswagen op 11 augustus 2010 was de kilometerstand 44.544 kilometers, terwijl deze kilometerstand bij het einde van de terbeschikkingstelling op 10 januari 2011 71.216 kilometers was.

De vordering

DIT vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [werknemer] zal veroordelen om aan DIT tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 6.546,99, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede een bedrag van € 700,00 wegens buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van [werknemer] in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over het ter zake toe te wijzen bedrag, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot de dag der algehele voldoening.

DIT heeft het volgende aan de vordering ten grond¬slag gelegd:

Het was [werknemer] verboden de bedrijfswagen voor privédoeleinden te gebruiken.

Gelet op de afstand tussen de woning van [werknemer] en de plaatsen waar hij in de periode van 11 augustus 2010 tot 10 januari 2011 zijn werkzaamheden heeft verricht, zou [werknemer] met de auto maximaal 3.104 zakelijke kilometers hebben moeten rijden. Deze 3.104 kilometer is op-gebouwd gedurende 50 dagen à 17,8 kilometer per dag en 27 dagen à 82 kilometer per dag.

Aan het einde van het dienstverband op 10 januari 2011 heeft [werknemer] de bedrijfswagen in-geleverd. Toen werd geconstateerd dat de bedrijfswagen op die dag een kilometerstand had van 71.216 gereden kilometers.

[werknemer] heeft in de genoemde periode van vijf maanden de bedrijfswagen veelvuldig, name-lijk voor (71.216 – 55.544 – 3.104 =) 26.672 kilometers, voor privé doeleinden gebruikt. DIT heeft hiervoor nimmer toestemming gegeven.

Van een werknemer mag worden verwacht dat hij zich als goed werknemer gedraagt en zich houdt aan de gemaakte afspraken en de bepalingen uit de ondertekende overeenkomsten na-leeft.

Doordat [werknemer] willens en wetens de bruikleenovereenkomst met voeten heeft getreden, heeft DIT aanzienlijke schade geleden.

De schade die DIT heeft geleden doordat [werknemer] in strijd met artikel 7 van de bruikleen-overeenkomst de auto voor privédoeleinden heeft gebruikt, valt uiteen in de volgende onderde-len:

Brandstofkosten:

In totaal blijkt door [werknemer] voor € 2.391,50 te zijn getankt. Slechts een deel hiervan, te we-ten: 3.104/26.672 x 100% = 11,64% heeft betrekking op zakelijk gereden kilometers.

Voor privé doeleinden is derhalve € 2.113,12 getankt.

Extra gereden kilometers:

Met de leasemaatschappij is DIT overeengekomen dat jaarlijks niet meer dan 27.000 kilome-ters met de auto mag worden gereden. In vijf maanden zouden dan 11.250 kilometers mogen worden gereden.

De leaseprijs is € 420,88 per maand, hetgeen neerkomt op € 2.104,40 in vijf maanden.

Het leasebedrag per kilometer bedraagt € 0,1817 per kilometer.

Het bedrag dat [werknemer] verschuldigd is, bedraagt:

het aantal gereden kilometers boven het toegestane aantal kilometers (26.672 – 11.250 =) 15.422 x de prijs per kilometer van € 0,1817 = € 2.885,45.

Boete:

Bovenop het leasebedrag zal DIT een boete krijgen voor het teveel gereden aantal kilometers.

Voor elke meer gereden kilometer rekent de leasemaatschappij € 0,0657 per kilometer.

Daarom is [werknemer] verschuldigd: (23.568 x € 0,0657 =) € 1.548,42.

De totale kosten voor DIT waarvoor [werknemer] aansprakelijk is, bedragen:

€ 2.113,12 + € 2.885,45 + € 1.548,42 = € 6.546,99.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft [werknemer] DIT genoodzaakt de vordering ter incasso uit handen te geven. DIT heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten ten belope van € 700,00. [werknemer] dient deze kosten ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW aan DIT te voldoen.

Voorts is [werknemer] de wettelijke rente verschuldigd geworden.

Het verweer

[werknemer] betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan:

Uit twee beschikkingen van de belastingdienst blijkt onomstotelijk dat DIT wel degelijk toestemming heeft gegeven om de bedrijfswagen tevens voor privé doeleinden te gebruiken.

[werknemer] verkeerde in de veronderstelling onder dezelfde voorwaarden als voorheen een nieuw dienstverband voor bepaalde tijd te zijn aangegaan met DIT. De heer [persoon 1] heeft uitdrukkelijk aan [werknemer] gemeld dat het gebruik van de lease-auto door [werknemer] onder dezelfde condities als voorheen zou worden gecontinueerd.

DIT had wel degelijk de wetenschap van het privégebruik van de bedrijfswagen door [werknemer].

[werknemer] verkeerde voorts door de fiscale bijtelling in de veronderstelling dat hij gerechtigd was tot privégebruik van de bedrijfswagen.

De bij de belastingdienst opgegeven en doorgevoerde fiscale bijtelling ten laste van [werknemer], evenals voornoemde feiten en omstandigheden wijzen erop dat DIT als werkgever zich niet heeft gedragen zoals een goed werkgever zou betamen.

Door het garagebedrijf werd bij iedere onderhoudsbeurt een afschrift aan onder andere DIT gezonden. De stelling van DIT dat zij geen enkele wetenschap zou hebben gehad van het privégebruik kan dus niet worden gehandhaafd.

Wegens omstandigheden heeft [werknemer] in [plaats] gewoond, waardoor de afstand woon-werk-verkeer groter waren dan vanaf zijn eigen adres.

Voorts bestrijdt [werknemer] de door DIT gestelde schadeposten. Daarvoor ontbreekt iedere grondslag, de kosten zijn buitensporig hoog en niet deugdelijk gespecificeerd. Evenmin heeft DIT aangetoond dat de kosten daadwerkelijk zijn gemaakt.

Tenslotte bestrijdt [werknemer] de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en de gevorderde administratiekosten ten bedrage van € 76,31.

De beoordeling van het geschil

1.Gelet op de arbeidsrechtelijke relatie tussen partijen zal de vraag naar de aansprakelijkheid van [werknemer] voor de gestelde schade van DIT allereerst moeten worden beantwoord aan de hand van artikel 7:661 BW.

2.De hoofdregel uit art. 7:661 BW luidt dat de werknemer niet aansprakelijk is voor schade aan de werkgever of derden die hij bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst toebrengt. Uitzondering daarop vormt de situatie waarin de werknemer opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld. Voor de toepassing van dit artikel dient de schade voorts te zijn ontstaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.

3.Gesteld noch gebleken is dat de door DIT beweerdelijk geleden schade tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is ontstaan. Om die reden is naar het oordeel van de kantonrechter de bepaling van artikel 7:661 BW hier niet van toepassing.

4.Beoordeeld moet daarom worden of [werknemer] schadeplichtig is geworden door in strijd te handelen met de bruikleenovereenkomst.

5.Omdat het hier een arbeidsrechtelijke relatie tussen partijen betreft, dient die beoordeling te geschieden aan de hand van het strenge criterium zoals dat ook bij artikel 7:661 BW geldt, te weten: er moet sprake zijn van opzet of bewuste roekeloosheid aan de zijde van [werknemer].

6.Tussen partijen staat vast dat het [werknemer] op grond van de door partijen ondertekende bruikleenovereenkomst niet was toegestaan de bedrijfswagen voor privé doeleinden te gebruiken.

7.[werknemer] heeft aangevoerd dat dit privé gebruik wel was toegestaan en heeft zich daarbij op de volgende feiten beroepen:

a.Uit twee beschikkingen van de belastingdienst blijkt onomstotelijk dat DIT wel degelijk toestemming heeft gegeven om de bedrijfswagen tevens voor privé doeleinden te gebruiken.

b.[werknemer] verkeerde in de veronderstelling onder dezelfde voorwaarden als voorheen een nieuw dienstverband voor bepaalde tijd te zijn aangegaan met DIT. [persoon 1] heeft uitdrukkelijk aan [werknemer] gemeld dat het gebruik van de lease-auto door [werknemer] onder dezelfde condities als voorheen zou worden gecontinueerd.

c.[werknemer] verkeerde voorts door de fiscale bijtelling in de veronderstelling dat hij gerechtigd was tot privé gebruik van de bedrijfswagen.

d.Door het garagebedrijf werd bij iedere onderhoudsbeurt een afschrift aan onder andere DIT gezonden. De stelling van DIT dat zij geen enkele wetenschap zou hebben gehad van het privégebruik kan dus niet worden gehandhaafd.

8.De kantonrechter verwerpt dit standpunt van [werknemer] als volgt:

ad 4 onder a:

Op grond van de bruikleenovereenkomst moest [werknemer] zelf de verklaring bij de belastingdienst aanvragen. Dat ging buiten DIT om. Gesteld noch gebleken is dat [werknemer] DIT op de hoogte heeft gebracht van de onderhavige verklaringen. Om die reden mocht [werknemer] er niet op vertrouwen dat DIT instemde met het gebruik voor privé doeleinden.

Ad 4 onder b:

Nu [werknemer] de bruikleenovereenkomst zonder voorbehoud heeft ondertekend moet hij hebben geweten dat het privé gebruik niet was toegestaan. Dat [persoon 1] iets anders aan [werknemer] zou hebben meegedeeld is betwist en voorts onvoldoende gebleken. Daarbij komt dat de inhouding op het salaris van € 65,00 per maand voor privé gebruik in de onderhavige periode van het gebruik van de bedrijfswagen, in tegenstelling tot het verleden, niet heeft plaatsgevonden. [werknemer] mocht er daarom niet vanuit gaan dat privé gebruik was toegestaan.

Ad 4 onder c:

De fiscale bijtelling is het gevolg van het feit dat [werknemer] de door de belastingdienst afgegeven verklaring niet aan DIT heeft verstrekt. [werknemer] kan er onder die omstandigheden daarom geen beroep op doen dat DIT zou hebben ingestemd met dit privé gebruik.

ad 4 onder d:

Daargelaten dat wetenschap bij DIT niet zondermeer instemming met zich brengt, is door DIT onweersproken gesteld dat zij de onderhoudsbonnen nimmer onder ogen heeft gekregen omdat deze naar het hoofdkantoor gaan en niet naar de vestiging van waaruit [werknemer] werkzaam was.

9.Op grond van het vorenstaande kantonrechter tot de conclusie dat sprake is van opzet aan de zijde van [werknemer]. Hij heeft bewust in strijd gehandeld met de bruikleenovereenkomst. Daarbij geldt dat het volstrekt onacceptabel is dat een werknemer die meent dat hij toestemming voor privé gebruik heeft, in een periode van vijf maanden 26.672 kilometers voor privé doeleinden rijdt zonder de werkgever daarvan in kennis te stellen. Daarvoor heeft [werknemer] geen enkele aannemelijke verklaring gegeven.

10.[werknemer] is daarom aansprakelijk voor de door DIT ten gevolge van dat verboden privé gebruik geleden schade.

11.Tegen de gedetailleerde berekening van die schade door DIT heeft [werknemer] geen steekhoudend verweer gevoerd. De kantonrechter zal die berekening daarom volgen. Daarbij merkt de kantonrechter dat DIT een kennelijke vergissing heeft begaan bij de berekening van het bedrag van € 2.885,45.

15.422 x € 0,1817 is immers € 2.802,18. Dit laatstgenoemde bedrag zal daarom worden toegewezen.

12.Aan hoofdsom wordt in totaal toegewezen: € 2.113,12 + € 2.802,18 + € 1.548, 42 = € 6.463,72.

13.De kosten verbonden aan de door DIT gestelde - en door [werknemer] betwiste - buitengerechtelijke werkzaamheden zijn aan te merken als redelijke kosten die voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen, en wel voor een bedrag overeenkomstig het in rapport Voorwerk II vastgelegde geldende tarief van € 700,00.

14.[werknemer] heeft ten onrechte aangevoerd dat administratiekosten worden gevorderd. Het bedrag van € 76,31 heeft immers betrekking op de kosten van de dagvaarding en vallen onder de proceskostenveroordeling. De kantonrechter verwerpt daarom ook dit verweer van [werknemer].

15.DIT heeft wel gesteld dat [werknemer] de wettelijke rente is verschuldigd, maar zij heeft verzuimd deze rente over de hoofdsom te vorderen. Daarom kan de wettelijke rente alleen over de proceskosten worden toegewezen, zoals gevorderd.

16.[werknemer] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [werknemer] om tegen behoorlijk bewijs van kwij¬ting aan DIT te betalen € 7.163,72.

Veroordeelt [werknemer] in de kosten van deze procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van DIT begroot op de volgende bedragen:

dagvaarding € 97,81

griffierecht € 284,00

salaris gemachtigde € 500,00

te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voor¬raad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.

de griffier de kantonrechter