Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BU6576

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
17-11-2011
Datum publicatie
01-12-2011
Zaaknummer
14.810253-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake handel in hennepstekken; vrijspraak van betrokkenheid bij harddrugs

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector straf

Parketnummer: 14.810253-10 + 14/706289-08 (TUL) (P)

Datum uitspraak: 17 november 2011

TEGENSPRAAK

VONNIS van de rechtbank Alkmaar, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak van het

OPENBAAR MINISTERIE

tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Land) op [geboortedatum],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres en woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 november 2011.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd, dat

1. hij op of omstreeks 26 februari 2010 in de gemeente Medemblik tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 118,4 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 55,2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 2,2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 26 februari 2010 in de gemeente Medemblik tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 118,4 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 55,2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of 2,2 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 26 februari 2010 in de gemeente(s) Wervershoof en/of Medemblik, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die/deze [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een loods/pand aan de [adres 1] te Medemblik voor de opslag en/of overslag van die/deze heroïne en/of cocaïne en/of amfetamine en/of hennep -tegen betaling van een geldbedrag- ter beschikking te stellen;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 oktober 2009 tot en met 02 juni 2010 in de gemeentes Wervershoof en/of Enkhuizen en/of (elders) in het/de gerechtelijk(e) arrondissement(en) Alkmaar en/of Haarlem, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, en/of alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een of meer hoeveelheid/heden van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 02 juni 2010 in de gemeente Wervershoof en/of (elders) in het/de gerechtelijk(e) arrondissement(en) Alkmaar en/of Haarlem, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer (totaal aan henneptoppen) 2614 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, en/of 504 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. Overweging ten aanzien van het bewijs

A. Inleiding

Op 26 februari 2010 hebben verbalisanten in een loods aan de [adres 1] te Medemblik, waarvan verdachte mede-eigenaar was, tassen aangetroffen met daarin pakketten die op drugs gelijkende stoffen bevatten. Later onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut heeft de vaststelling opgeleverd dat de uit de pakketten genomen monsters heroïne, cocaïne en amfetamine bevatten.

Aan verdachte is onder 1 ten laste gelegd dat hij de aangetroffen verdovende middelen op 26 februari 2010 in vereniging met een ander of anderen aanwezig heeft gehad (primair), dan wel (subsidiair) dat hij – kort gezegd – medeplichtig is geweest aan dit feit door het tegen betaling ter beschikking stellen van zijn loods.

Op 2 juni 2010 is verdachte staande gehouden terwijl hij met zijn VW Transporter reed over de [adres 3] te Noordbeemster. In de laadruimte van de bestelbus trof de politie 6 dozen met elk 84 hennepplantjes aan. Verdachte is hierop aangehouden. Diezelfde dag heeft een doorzoeking plaatsgevonden van de woning van verdachte in Wervershoof. Hierbij is een grote hoeveelheid hennep aangetroffen.

De officier van justitie verwijt verdachte, naast het aanwezig hebben van de genoemde hennep(planten) (feit 3), dat hij zich in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 2 juni 2010 heeft bezig gehouden met de handel in hennep (feit 2).

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor feit 1 primair (het medeplegen van het aanwezig hebben van diverse harddrugs). De raadsman heeft eveneens vrijspraak voor het onder 1 primair ten laste gelegde bepleit.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat het dossier onvoldoende grond biedt om tot een bewezenverklaring van feit 1 primair te komen en zal dit onderdeel van de tenlastelegging daarom verder onbesproken laten. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De raadsman heeft verweren gevoerd met betrekking tot:

- de rechtmatigheid van telefoontaps/de start van het onderzoek (feiten 1, 2 en 3);

- de rechtmatigheid van de inbeslagname van de verdovende middelen in de loods in Medemblik (feit 1);

- het opzet op het medeplegen van, dan wel de medeplichtigheid aan het aanwezig hebben van harddrugs (feit 1).

De rechtbank zal hierna achtereenvolgens op deze verweren ingaan.

B. Rechtmatigheid telefoontaps/start van het onderzoek

B.1 Standpunt van de verdediging

Het onderzoek naar hennephandel door verdachte is een uitvloeisel van een onderzoek naar de handel in niet-toegelaten consumentenvuurwerk met de naam 10Nijver. In dat onderzoek is een aan verdachte gerelateerd telefoonnummer afgeluisterd. Uit analyse van de tapgesprekken rees de verdenking dat verdachte zich bezig hield met de hennephandel. Deze tapinformatie, in combinatie met het aantreffen van drugs op 26 februari 2010, was de aanleiding voor de start van het onderzoek 10Abedejo. De taps in het onderzoek Nijver zijn echter onrechtmatig verkregen, nu overtreding van het vuurwerkbesluit geen misdrijf is als bedoeld in artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering (Sv) waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Bovendien werd verdachte slechts gezien als afnemer van het vuurwerk. De rechter-commissaris had derhalve geen machtiging mogen verlenen tot het afluisteren van de telefoon van verdachte. Dit is een ernstig, niet te herstellen, vormverzuim, dat moet leiden tot bewijsuitsluiting van het tapmateriaal, maar ook van de naar aanleiding hiervan verkregen onderzoeksresultaten, waaronder met name de bekennende verklaringen van verdachte. Verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van de feiten 2 en 3.

Nu het onderzoek 10Abedejo zich niet alleen richtte op de opsporing van hennephandel, maar ook op de opsporing in de harddrugszaak, is ook de bewijsvoering in die harddrugszaak hierdoor besmet. Ook het bewijs in de harddrugszaak is onrechtmatig verkregen. Verdachte moet daarom ook van feit 1 worden vrijgesproken.

B.2 standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft erop gewezen dat 10Nijver een groot, langlopend, onderzoek betrof naar grootschalige handel in illegaal vuurwerk. Een van de verdachten in dit onderzoek was eerder aangehouden met een partij vuurwerk van 8000 kilogram. Zeker sinds de vuurwerkramp in Enschede kan gezegd worden dat bij handel in illegaal vuurwerk sprake is van een geschokte rechtsorde. De precieze rol van verdachte in het onderzoek is niet van belang. De taps zijn rechtmatig gebruikt, aldus de officier van justitie.

B.3 Beoordeling door de rechtbank

De door de rechter-commissaris op 11 december 2009 afgegeven ‘tapmachtiging’ ex artikel 126m Sv op het nummer [telefoonnummer] is gebaseerd op de feiten en omstandigheden die worden gerelateerd in het proces-verbaal ‘aanvraag bevel onderzoek van telecommunicatie’ d.d. 11 december 2009 (p. 293 e.v. van het dossier). Uit dit proces-verbaal komt naar voren dat het onderzoek in het kader waarvan de tapmachtiging wordt aangevraagd naar aard en omvang als een groot onderzoek kan worden aangemerkt. Het onderzoek richtte zich op groothandelaren en kleinere tussenhandelaren in illegaal vuurwerk. Het is algemeen bekend dat het transport, de opslag en het gebruik van vuurwerk dat niet voldoet aan de Nederlandse eisen grote risico’s met zich meebrengt voor de veiligheid van personen en goederen. Naar het oordeel van de rechtbank dient daarom in dit geval wel degelijk te worden gesproken van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. De omstandigheid dat verdachte – uiteindelijk – een minder grote rol in het geheel werd toebedacht, maakt dit niet anders.

De rechtbank komt aldus tot de slotsom dat de rechter-commissaris de machtiging mocht verlenen en dat het afluisteren van de telefoon van verdachte in het kader van onderzoek 10Nijver rechtmatig was. Ook stond niets in de weg aan het gebruiken van de tapinformatie uit onderzoek 10Nijver in het onderzoek 10Abedejo naar betrokkenheid van verdachte bij handel in hennep en bij harddrugs.

Het beroep op bewijsuitsluiting ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 wordt derhalve verworpen.

C. rechtmatigheid inbeslagneming harddrugs (feit 1)

C.1 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verbalisanten op 26 februari 2010 bij gebrek aan een concrete verdenking geen bevoegdheid hadden om in de loods aan de [adres 1] te Medemblik zoekend rond te kijken.

Daarnaast is sprake geweest van een onrechtmatige doorzoeking. De pakketten met op harddrugs gelijkende inhoud waren pas zichtbaar na verwijdering van planken en dat is een doorzoekingshandeling. Zelfs indien de pakketten al zichtbaar waren voordat de planken werden verwijderd, dan nog geldt dat deze pas door het verwijderen van de planken in beslag genomen konden worden, hetgeen een doorzoekingshandeling is.

De inbeslagneming van de harddrugs is onrechtmatig geweest. Dit levert een ernstig en onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv op. Bewijsuitsluiting is de meest passende sanctie, zodat vrijspraak voor feit 1 moet volgen.

C.2 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de verbalisanten op grond van artikel 2 van de Politiewet bevoegd waren in de loods binnen te treden om poolshoogte te nemen. Deze rechtbank heeft eerder in de zaken van de medeverdachten geoordeeld dat het buitenproportioneel was om deze bevoegdheid te laten uitoefenen door zes verbalisanten. De rechtbank heeft toen tevens geoordeeld dat hiermee geen rechtsbelang geschonden is. De officier van justitie is het met dit oordeel eens.

De officier van justitie heeft er voorts op gewezen dat de rechtbank in de zaak van de medeverdachten weliswaar heeft geoordeeld dat het zoekend rondkijken door verbalisanten in de loods niet rechtmatig was, maar dat het geschonden rechtsbelang niet zo zwaar weegt, dat van bewijsuitsluiting sprake zou moeten zijn.

C.3 Beoordeling door de rechtbank

Op grond van de overwegingen zoals weergegeven in het vonnis d.d. 4 mei 2011, dat door deze kamer van de rechtbank, in een andere samenstelling, is gewezen in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 2] (welk vonnis de raadsman ter terechtzitting heeft overgelegd en daarmee deel uitmaakt van de processtukken), is de rechtbank van oordeel dat de verbalisanten op grond van artikel 2 van de Politiewet bevoegd waren de loods te betreden.

Eveneens op gelijke grond als in bovengenoemd vonnis overwogen is de rechtbank in de onderhavige zaak van oordeel dat bij gebrek aan een concrete verdenking geen bevoegdheid bestond om in de loods zoekend rond te kijken, maar dat dit vormverzuim in de concrete omstandigheden van dit geval een zodanig geringe schending oplevert van het belang dat dit voorschrift beschermt, dat kan worden volstaan met de enkele constatering van het verzuim, zonder daar verdere gevolgen aan te verbinden.

De rechtbank gaat er daarbij, anders dan de verdediging, vanuit dat de inhoud van de sporttassen, te weten met plastic omwikkelde pakketten, al zichtbaar was vóórdat de plank die zich boven de tassen bevond, was verwijderd. De rechtbank baseert zich hierbij op de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] afgelegd bij de rechter-commissaris op 10 februari 2011 en van verbalisant [verbalisant 4], afgelegd bij de rechter-commissaris op 8 februari 2011. Weliswaar verklaart verbalisant [verbalisant 5] op 8 februari 2011 bij de rechter-commissaris dat collega [verbalisant 1], die de tassen als eerste zag, op het moment dat [verbalisant 5] bij de stapel sporttassen kwam kijken, met een plank in zijn handen stond, maar dit sluit niet uit dat [verbalisant 1] de inhoud van de tassen al had waargenomen voordat hij deze plank verwijderde.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het enkele verwijderen van een plank, nadat in de tassen daaronder pakketjes waren gezien die werden herkend als pakjes waar harddrugs in kunnen zitten, nog niet maakt dat sprake is van een doorzoekingshandeling.

Het verweer wordt verworpen.

D. (voorwaardelijk) opzet (feit 1 subsidiair)

D.1 Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op het gelegenheid geven tot of behulpzaam zijn bij het aanwezig hebben van ruim 178 kilogram harddrugs. Verdachte wist niet, toen hij zijn loods ter beschikking stelde, dat het om harddrugs ging en heeft ook niet bewust de aanmerkelijke kans daarop aanvaard. De raadsman concludeert ook op deze grond tot vrijspraak voor feit 1 subsidiair.

D.2 Standpunt van de officier van justitie

Verdachte is ingegaan op een aanbod om voor duizend euro zijn loods enkele uren ter beschikking te stellen. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij dacht dat het zou gaan om softdrugs. In de ogen van de officier van justitie heeft verdachte hiermee de aanmerkelijke, althans aanzienlijke kans aanvaard dat er harddrugs in het spel zouden zijn. De aard en hoeveelheid van de verboden waar is niet relevant voor het opzet. De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair wettig en overtuigend bewezen.

D.3 Beoordeling door de rechtbank

Verdachte heeft verklaard dat hij op enig moment, via een derde persoon, is benaderd door [medeverdachte 2], die hem vroeg of hij, samen met [medeverdachte 1], verdachtes loods kon huren. Het zou gaan om een paar uur en [medeverdachte 2] bood duizend euro voor die paar uur. Verdachte is op dit aanbod ingegaan. Hij heeft zonder veel nadere vragen te stellen de sleutel van de loods afgegeven en heeft verder geen enkele controle uitgeoefend op de daarop volgende activiteiten in zijn loods. Gelet op deze omstandigheden, was naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans aanwezig dat in de loods van verdachte tijdens de uren dat deze verhuurd was aan [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] illegale stoffen in de vorm van harddrugs aanwezig zouden zijn.

Vervolgens dient zich de vraag aan of verdachte deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Daartoe is van belang dat [medeverdachte 2] desgevraagd tegen verdachte heeft gezegd dat ze hash gingen verpakken in de loods en dat het om ongeveer 100 kilo ging. [medeverdachte 1] vertelde dat ze met een klein vrachtwagentje zouden komen en dat ze de spullen moesten uitladen, verpakken en weer inladen. Verdachte had naar eigen zeggen geen moeite met hash, omdat hij zelf ook in de hennep zat. Hij ging er vanuit dat hij ook om die reden benaderd was door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte wist of kon weten van enige eerdere betrokkenheid van [medeverdachte 2] of [medeverdachte 1] bij harddrugs-zaken.

Onder deze omstandigheden is het naar het oordeel van de rechtbank niet onaannemelijk dat verdachte werkelijk in de veronderstelling verkeerde dat er ‘slechts’ softdrugs in het spel zouden zijn. De rechtbank heeft in dit geval niet de overtuiging gekregen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het om harddrugs zou gaan. De rechtbank acht derhalve niet bewezen dat verdachte opzet, ook niet in voorwaardelijke vorm, heeft gehad op het gelegenheid of middelen verschaffen tot, dan wel het behulpzaam zijn bij het aanwezig hebben door anderen van harddrugs. Het aanwezig hebben van hennep is in deze zaak feitelijk niet aan de orde.

Verdachte zal daarom ook van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

E. Beoordeling van de tenlastelegging, feiten 2 en 3

E.1 Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde.

E.2 Standpunt van de verdediging/verdachte

De raadsman heeft – afgezien van het hiervoor besproken verweer – geen verweren gevoerd ten aanzien van het bewijs met betrekking tot de feiten 2 en 3.

E.3 Beoordeling door de rechtbank

Redengevende feiten en omstandigheden

In december 2009 is verdachte in beeld gekomen bij een onderzoek naar de handel in illegaal vuurwerk. In het kader van dat onderzoek is verdachte geobserveerd en zijn gesprekken die werden gevoerd via zijn gsm afgeluisterd. Uit de afgeluisterde gesprekken kon worden afgeleid dat verdachte degene was die de growshop [naam] te Enkhuizen dreef. Tevens rees het ernstig vermoeden dat hij zich daarnaast bezig hield met de handel in hennep(-stekken). Daarop is tegen verdachte een onderzoek naar hennephandel gestart. Ook in het kader van dit onderzoek is het telefoonnummer dat in gebruik was bij verdachte afgeluisterd en is verdachte geobserveerd.

Op 2 juni 2010 zijn telefoongesprekken afgeluisterd tussen verdachte en [getuige 1], waarin wordt gesproken over het ophalen van zes ‘ruiten’. Het observatieteam heeft vervolgens gezien dat verdachte met zijn VW Transporter met kenteken [kenteken 1] naar een industrieterrein in Heemskerk reed, dat hij daar bij het perceel [adres 4] met geopende achterklep geparkeerd stond en dat hij na enkele minuten weer wegreed. Kort daarna is verdachte op een parkeerhaven aan [adres 3] (N243) te Noordbeemster staande gehouden en vervolgens aangehouden. Bij onderzoek van de VW Transporter waar verdachte in reed, werden – naast een contant geldbedrag van € 5.650,00 – op 2 juni 2010 zes dozen met elk 84 hennepstekjes aangetroffen.

Diezelfde dag is de woning van verdachte aan de [adres 5] te Wervershoof doorzocht. In een bijgebouwtje bij de woning zijn meerdere plastic zakken met henneptoppen en hennepresten gevonden. Het materiaal is gewogen en onderzocht door medewerkers van de Forensische Opsporing van de politie. De conclusie luidt dat de onderzochte plantendelen Cannabis Sativa L., of wel hennep betroffen. Het totaalgewicht bedroeg (opgeteld) 2.449,6 gram.

Op 22 juni 2010 heeft verdachte verklaard dat de in zijn auto aangetroffen stekken bestemd waren voor de verkoop. Hij haalde de stekken altijd op bij [getuige 1] in Heemskerk. Vanaf oktober 2009 was verdachte in geldnood geraakt en daarom was hij de stekken erbij gaan doen. De stekken werden geleverd per doos of per halve doos. Normaal gesproken zaten er 84 stekken in een doos.

Verdachte is door de politie geconfronteerd met een tweetal getapte sms-berichten, te weten:

- Vrijdag 26 maart 00.19 sms van [getuige 1] 330’55’320

- Donderdag 8 april 17.37 sms naar[getuige 1] 470*50 120*19

Verdachte verklaart hierover dat dit gaat om aantallen hennepstekken die hij bestelde. Verder verklaart hij dat, waar in tapgesprekken over ‘ruiten’ wordt gesproken, dit het codewoord voor dozen met stekken is.

De politie heeft verdachte ook voorgehouden dat uit het onderzoek bleek dat verdachte, direct nadat hij bij [getuige 1] is geweest, bij diverse mensen langs ging. Verdachte verklaart dat hij dan de stekken afleverde.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij in de periode voor 2 juni 2010 ongeveer eens per twee weken op de [adres 4] in Heemskerk dozen met hennepstekken afleverde aan verdachte. Hij bevestigt dat, wanneer over de telefoon over ‘ruiten’ werd gesproken, daarmee dozen met hennepstekken werden bedoeld.

[getuige 8] heeft verklaard dat hij heeft gewerkt in de kwekerij aan de [adres 4] in Heemskerk en dat hij ongeveer tien keer dozen met hennepstekjes aan verdachte heeft afgegeven, gemiddeld zes dozen per keer.

Over de in de aanbouw bij de woning aan [adres 5] in Wervershoof gevonden hennep heeft [getuige 2], de vriendin van verdachte, verklaard dat die daar lag voor de verkoop. Verdachte was samen met [getuige 3] aan het knippen geweest in de schuur.

[getuige 3] heeft op 29 juni 2010 verklaard dat hij voor [getuige 4] een hennepkwekerij heeft getimmerd op de [adres 6] in Medemblik. De eerste oogst heeft hij samen met verdachte geknipt. De hele planten zijn meegenomen naar het huis van verdachte en daar zijn de toppen geknipt en vervolgens in het schuurtje te drogen gelegd. Dit was de hennep die de politie in de woning van verdachte in beslag genomen heeft genomen.

De politie heeft verdachte in verhoor voorgehouden dat is gebleken dat [getuige 5] van de Coffeeshop Enkhuizen op 16 april 2010 naar verdachte heeft gebeld met de vraag of hij nog zo’n doosje voor hem had. Het antwoord was dat [getuige 5] maar een sms moest sturen. Vervolgens kwam er een sms binnen met de tekst: ‘110 als kan tnx’. Op 17 april zegt [getuige 5] dat hij een jongen stuurt om de bestelling op te halen. Verdachte verklaart dat dit gaat over de levering aan [getuige 5] van een doos met 110 hennepstekken. Ook is verdachte geconfronteerd met een tapgesprek van 4 mei 2010, waarin [getuige 5] hem vraagt hoe het zit met die anderhalve ‘partybox’, en met een gesprek van diezelfde dag, waarin [getuige 5] vraagt of het ‘Zilver’ is of een ‘A’. Verdachte verklaart dat het telkens over hennepstekken gaat.

Op 22 april 2010 heeft een observatieteam van de politie gezien dat verdachte op de [adres 7] te Zwaagdijk-Oost contact maakt met de bestuurder van een Audi A3 met het kenteken [kenteken 2]. Laatstgenoemde haalt uit zijn auto een plastic tas, die verdachte aanpakt en in zijn eigen VW Transporter legde.

[getuige 5] heeft verklaard dat hij weet dat verdachte zich met hennepstekjes bezig houdt. [getuige 5] is de eigenaar van de Audi A3 met het kenteken [kenteken 2]. Geconfronteerd met de genoemde observatie van 22 april 2010 en met een tapgesprek met verdachte waarin over ‘anderhalf’ wordt gesproken, verklaart hij: Als coffeeshop koop je iets in. Als de kwaliteit minder is, dan breng je ook wel eens iets terug.

In zijn volgende verklaring concretiseert [getuige 5] deze mededeling aldus:

Die 1,5 kilo hennep heb ik teruggegeven aan [verdachte], Dat was slechte kwaliteit.

Op 15 juni 2010 heeft de politie in de woning van [getuige 9] in Oostwoud twee zogeheten kweektenten aangetroffen. In de een van de tenten lagen twee zakken met gedroogde henneptoppen en in de andere stond een hennepkwekerij van 74 planten, die in bedrijf was.

Verdachte heeft verklaard dat hij tweemaal stekken heeft geleverd aan [getuige 9].

Verdachte heeft verder verklaard dat ook [getuige 6] een klant van hem was, aan wie hij, vanaf december 2009, hennepstekken leverde.

Op 2 juni 2010 is in de schuur behorende bij de woning op het adres [adres 8] te Spierdijk een hennepkwekerij aangetroffen.

[getuige 6] heeft tegenover de politie te kennen gegeven dat hij de huurder was van het bewuste pand en dat de aangetroffen kwekerij van hem was. Bij verdachte bestelde hij hennepstekken, zowel voor zichzelf als voor anderen. De eerste keer dat hij hennepstekken bij verdachte kocht was ongeveer acht maanden geleden. De rechtbank merkt hierbij op dat het verhoor plaatsvond op 20 juli 2010, zodat het moment waarop [getuige 6] is begonnen hennepstekken af te nemen van verdachte ongeveer medio november 2009 geplaatst moet worden. [getuige 6] heeft misschien tien keer stekken voor iemand anders gekocht en drie keer voor zichzelf: de eerste keer 450 en de tweede en de derde keer ongeveer 900, aldus [getuige 6].

Ook [getuige 7] was een klant aan wie verdachte volgens zijn eigen verklaring hennepstekken leverde. Verdachte heeft in zijn verhoor bij de politie bevestigd dat tapgesprekken met [getuige 7] van respectievelijk 19 december 2009, 29 april 2010 en 21 mei 2010 over de levering van hennepstekken gingen.

Op 3 maart 2010 is in de kelder van een bedrijfspand aan de [adres 2] in Grootebroek een in werking zijnde hennepkwekerij van 326 planten aangetroffen. Dit pand was verhuurd aan [getuige 7].

[getuige 7] heeft verklaard dat hij drie of vier keer hennepstekken heeft geregeld bij verdachte.

Conclusie

Op grond van voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de rechtbank het onder 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, op de wijze zoals hieronder in de rubriek ‘Bewezenverklaring’ nader aangeduid.

5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2

hij op tijdstippen in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 2 juni 2010 in de gerechtelijke arrondissementen Alkmaar en/of Haarlem telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep;

3.

hij op 2 juni 2010 in de gemeente Wervershoof en/of in het gerechtelijk arrondissement Haarlem telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad 2449,6 gram hennep en 504 hennepplanten.

6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten, zodat dit strafbaar is.

Het bewezen verklaarde levert op:

Met betrekking tot feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

Met betrekking tot feit 2:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar nu niet gebleken is van enige omstandigheid die de strafbaarheid uitsluit.

8. De strafoplegging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, uitgaande van bewezenverklaring van de feiten 1 subsidiair, 2 en 3, een gevangenisstraf gevorderd voor de duur van dertig maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijk strafdeel wil de officier van justitie de bijzondere voorwaarden verbonden zien van een verplicht reclasseringscontact en een meldgebod.

Standpunt van de verdachte/de verdediging

De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit. De raadsman heeft verder voor feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de strafmaat verwezen naar het reclasseringsrapport van 25 oktober 2010 en naar hetgeen verdachte zelf ter terechtzitting over zijn persoonlijke omstandigheden naar voren heeft gebracht.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon van de verdachte.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen:

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode intensief bezig gehouden met de handel in hennep, voornamelijk door hennepkwekers te voorzien van hennepstekken. Daarnaast heeft verdachte een aanzienlijke hoeveelheid geoogst hennepmateriaal (henneptoppen) voorhanden gehad in zijn woning, klaarblijkelijk bestemd voor

(groot-)handelsdoeleinden. Verdachte verkeerde in geldnood en heeft ervoor gekozen om zich op deze wederrechtelijke wijze van inkomsten te voorzien. Hij heeft zich daarbij kennelijk niet bekommerd om het gegeven dat hij hiermee heeft bijgedragen aan het in stand houden van het illegale drugscircuit in Nederland met alle nadelige aspecten die daar aan kleven. Cannabis is bij regelmatig gebruik niet alleen schadelijk voor het welzijn van de (vaak jeugdige) gebruikers, maar is daarnaast vaak direct en indirect oorzaak van vele vormen van criminaliteit en overlast.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 september 2011. Hieruit blijkt dat verdachte op 14 september 2009 ter zake van het kweken van hennep is veroordeeld tot een werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank neemt het hoog op dat verdachte de onderhavige feiten heeft gepleegd terwijl hij in een proeftijd liep van deze veroordeling voor een soortgelijk feit en zelfs nog bezig was met het uitvoeren van de werkstraf die hem hiervoor was opgelegd.

De rechtbank acht een gevangenisstraf van na te noemen duur daarom thans de enig passende sanctie. Daarbij zal een deel van deze gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm worden opgelegd. Verdachte ervaart nu dat de gevolgen van het plegen van strafbare feiten ingrijpend kunnen zijn. Evenzeer moet hij zich realiseren dat de consequenties wanneer hij nogmaals de fout ingaat, nog ernstiger en ingrijpender zullen zijn.

Voor het opleggen van een bijzondere voorwaarde in de vorm van een verplicht contact met de reclassering, zoals geadviseerd in het adviesrapport van 25 oktober 2010, ziet de rechtbank geen aanleiding.

Aangezien de rechtbank verdachte vrijspreekt van de onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde betrokkenheid bij harddrugs, valt de door de rechtbank op te leggen straf aanzienlijke lager uit dan door de officier van justitie gevorderd.

9. Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie vordert dat de rechtbank zal gelasten dat de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 14 september 2009 in de zaak met parketnummer 14/706289-08 aan verdachte opgelegde straf voor zover voorwaardelijk opgelegd, alsnog zal worden ten uitvoer gelegd, op grond van het feit dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is om over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 29 september 2009 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie nog geen drie maanden geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering gegrond, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde voor het einde van de proeftijd zich niet schuldig te zullen maken aan een strafbaar feit. Daarom behoort de gevorderde tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde straf te worden gelast.

De voorwaardelijke straf is verdachte op 14 september 2009 opgelegd ter zake van overtreding van artikel 3 van de Opiumwet. In de onderhavige zaak is bewezen verklaard dat verdachte zich vanaf 1 oktober 2009 gedurende een periode van ruim acht maanden wederom heeft schuldig gemaakt aan handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet. Verdachte heeft zich derhalve ongeveer twee weken na de eerstgenoemde veroordeling, wetende dat hij in een proeftijd liep, opnieuw en op grotere schaal ingelaten met strafbare handelingen op het gebied van de hennepteelt. Een voorwaardelijke straf is bedoeld als ernstige waarschuwing aan een veroordeelde om zich voortaan te onthouden van het plegen strafbare feiten. Deze waarschuwing heeft verdachte in de wind geslagen.

Gelet op deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om, in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf te geven, een werkstraf te gelasten, zoals door de raadsman bepleit.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, en 57 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11. Beslissing

? Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

? Verklaart bewezen, dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde, zoals hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING aangeduid, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven in de rubriek BEWEZENVERKLARING bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verstaat dat het bewezen verklaarde oplevert de hierboven in de rubriek STRAFBAARHEID VAN HET BEWEZEN VERKLAARDE vermelde strafbare feiten.

Verklaart verdachte voor het bewezen verklaarde strafbaar.

? Veroordeelt verdachte voor het bewezen verklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Beveelt dat van deze straf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt beslist.

Stelt daarbij een proeftijd van twee jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

? Gelast de tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, opgelegd bij voormeld vonnis van 14 september 2009 in de zaak met parketnummer 14/706289-08 aldus, dat die straf geheel wordt ten uitvoer gelegd.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

mr. M.E. Francke en mr. A.E. van Montfrans-Wolters, rechters,

in tegenwoordigheid van A. Helder, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 november 2011.