Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBALK:2011:BU6110

Instantie
Rechtbank Alkmaar
Datum uitspraak
24-11-2011
Datum publicatie
28-11-2011
Zaaknummer
10/2442
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing planschadeverzoek op grond van de Wro. Tussenliggende bestemming. Adviseur heeft twee percelen van eiser ten onrechte kennelijk niet bij de planvergelijking betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10/2442

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 november 2011 in de zaak tussen

[naam eiser], te [plaatsnaam], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik, verweerder

(gemachtigde: H. Bas).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2010 heeft verweerder de aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade op basis van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) afgewezen.

Bij besluit van 17 augustus 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2011. Eiser, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen. Verweerder, daartoe eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is sinds 1978 eigenaar van het perceel [adres] in [plaatsnaam] met daarop een woning. Hij heeft verweerder gevraagd om een tegemoetkoming in de schade die hij lijdt ten gevolge van het bestemmingsplan “Hauwert Papenveer-Noord”. Dit bestemmingsplan is bij raadsbesluit van 9 juli 2007 vastgesteld en op 4 januari 2008 onherroepelijk geworden. Het plangebied ligt op een afstand vanaf 35 meter ten noorden en noordoosten van eisers perceel. Ten noordwesten van eisers perceel liggen sportvelden die ook grenzen aan het plangebied. In bestemmingsplan “Hauwert Papenveer-Noord” zijn de gronden, voor zover hier relevant, bestemd voor “Woondoeleinden”, “Groenvoorziening”, “Verkeers- en verblijfsdoeleinden” en “Water”. Ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan “Buitengebied” rustte op die gronden de bestemming “Agrarische doeleinden zonder bebouwing”. Op de sportvelden vigeert de bestemming “Doeleinden van sport en recreatie” van het bestemmingsplan “Hauwert”.

2. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat het bestemmingsplan “Hauwert Papenveer-Noord” mogelijk heeft gemaakt dat op de gronden, die voorheen in gebruik waren als voetbalveld, een woonwijk is gerealiseerd. Hierdoor is zijn waardebepalend uitzicht vervallen. Voorts is er sprake van verlies van privacy en wordt het karakter van het gebied aangetast. Verder stelt eiser dat verkeershinder is ontstaan. Onder verwijzing naar de waardebeschikking 2010 van zijn woning, stelt eiser dat de waarde van zijn woning fors is gedaald.

3. Verweerder heeft eisers aanvraag behandeld conform de ”Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Medemblik” en een adviseur opdracht verstrekt om naar aanleiding van dit verzoek advies uit te brengen. Langhout & Wiarda juristen en rentmeesters (L&W) heeft als adviseur gediend en 23 februari 2010 advies uitgebracht. In navolging van dit advies heeft verweerder bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 29 maart 2010 eisers aanvraag afgewezen, omdat eiser door de planologische maatregel niet in een nadeliger positie is gekomen.

4.1 De aanvraag van eiser om een tegemoetkoming in planschade is bij verweerder binnengekomen op 25 mei 2009. Aangezien de aanvraag dateert van na 1 juli 2008 en de planologische maatregel die de aanvraag betreft onherroepelijk is geworden na 1 september 2005, zijn in dit geval de bepalingen van de Wro van toepassing zoals deze luidden van 1 juli 2008 tot de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht per 1 oktober 2010.

4.2 Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kent het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro, voor zover thans van belang, is een oorzaak als bedoeld in het eerste lid een bepaling van een bestemmingsplan.

5. De rechtbank stelt vast, hetgeen tussen partijen niet in geschil is, dat de bepalingen van het bestemmingsplan “Hauwert Papenveer-Noord” als schadeoorzaak in de zin van artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wro moeten worden aangemerkt.

6.1 Bij de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of sprake is van een wijziging van het planologische regime, waardoor de aanvrager in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de planologische maatregel, waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt en het voordien geldende regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen op grond van dat regime maximaal mocht worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking in feite heeft plaatsgevonden.

6.2 In dit verband is voorts van belang dat volgens vaste rechtspraak verweerder bij zijn besluit op een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade, indien uit het advies van een door hem benoemde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt, welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van dat advies naar voren zijn gebracht. De aanvrager moet aannemelijk maken dat het advies waarop de besluitvorming is gebaseerd zodanige gebreken bevat dat de besluitvorming daarop niet kon worden gebaseerd of dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen.

7. In het advies van L&W, waarop verweerder zijn besluitvorming heeft gebaseerd, is het bestemmingsplan “Buitengebied” vergeleken met het planologisch regime dat is ontstaan door het vaststellen van het bestemmingsplan “Hauwert Papenveer-Noord”. Uit de vergelijking van de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de planologische regimes volgt volgens L&W dat er geen sprake is van planologisch nadeel. De bouwhoogtes in het nieuwe planologisch regime met betrekking tot de bestemming “Woondoeleinden” zijn weliswaar toegenomen, maar de bebouwingsmogelijkheden in de bestemmingen “Groenvoorziening” en “Water” zijn per saldo afgenomen. Daarbij heeft L&W de sportvelden aangemerkt als tussenliggende bestemming. Een vrij uitzicht voor eiser uit zijn woning was, zo is in het advies vermeld, al niet gegarandeerd omdat de bestemming “Doeleinden van sport en recreatie” ter plaatse de oprichting van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toestaat, waaronder omheiningen, met een maximale hoogte van 5 meter. Volgens L&W ontneemt deze bouwmogelijkheid grotendeels eisers zicht op de woonwijk.

8. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat het advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser voert daartoe in de eerste plaats aan dat L&W niets heeft gedaan met zijn commentaar van 18 januari 2010 op het conceptadvies. Dit betoog faalt, nu uit paragraaf 4.1.3. van het advies volgt dat L&W eisers commentaar bij de planvergelijking heeft betrokken. Voor zover eiser betoogt dat L&W inhoudelijk niets met zijn commentaar heeft gedaan, verwijst de rechtbank naar het hiernavolgende.

9. Het betoog van eiser dat L&W de feitelijke situatie niet vanuit zijn woning heeft bekeken treft geen doel. Gelet op het hiervoor onder 6.1 weergegeven beoordelingskader speelt de feitelijke situatie immers geen rol bij de planvergelijking.

10. Verder stelt eiser dat in de planvergelijking geen rekening is gehouden met de ophoging van de gronden met 1,5 à 2 meter, zodat de bouwhoogte in werkelijkheid hoger is dan waar L&W vanuit gaat. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De ophoging van de gronden is niet in het bestemmingsplan geregeld en maakt dan ook geen deel uit van de planologische maatregel waarvan gesteld wordt dat deze schade heeft veroorzaakt. Dit aspect speelt derhalve evenmin een rol bij de planvergelijking.

11.1 Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat L&W in het advies is uitgegaan van een onjuiste tussenliggende bestemming. Volgens eiser zou een omheining met een hoogte van 5 meter op de tussenliggende bestemming zijn uitzicht naar het noorden niet belemmeren.

11.2 De rechtbank stelt voorop dat bij de planologische vergelijking niet alleen rekening dient te worden gehouden met de planologische mogelijkheden op gronden waarvan het planologisch regime is gewijzigd, maar ook met de planologische mogelijkheden van de gronden, gelegen tussen de gronden, waarop de planologische mutatie betrekking heeft en de onroerende zaak, ten aanzien waarvan wordt gesteld dat planschade is geleden. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 maart 2010 (LJN: BA0097).

11.3 De rechtbank stelt vast dat in het advies is vermeld dat de tussenliggende bestemming zich in noordoostelijke richting uitstrekt tot circa 7 meter voorbij de noordoostelijke perceelgrens. Anders dan eiser leidt de rechtbank hieruit af dat L&W eisers perceel met zijn woning (kadasternummer 371) als uitgangspunt heeft genomen bij de planvergelijking en van daaruit de invloed van de bestemming “Doeleinden van sport en recreatie” heeft beoordeeld. Dit uitgangspunt is echter niet juist. Ter zitting is vastgesteld dat eisers perceel groter is dan uitsluitend zijn perceel met de woning. Direct aan dit perceel grenzen namelijk nog twee percelen waar van eiser eigenaar is. Het gaat om het aan de noordoostzijde gelegen perceel (kadasternummer 537) en de, aan de noordwestzijde over de gehele breedte van beide percelen gelegen, strook grond van 80 m2 (onderdeel van kadasternummer 523). L&W heeft deze percelen ten onrechte kennelijk niet bij de planvergelijking betrokken, zodat de conclusie in het advies dat een vrij uitzicht voor eiser niet was gegarandeerd vanwege de tussenliggende bestemming een onjuiste grondslag heeft.

12. De rechtbank stelt verder vast dat aan eisers stelling, dat hij verkeershinder ondervindt doordat veel meer auto’s door de Papenveer rijden en direct ten noordoosten van zijn perceel met kadasternummer 537 parkeren, in het advies geen overwegingen zijn gewijd. Hoewel verweerder ter zitting heeft gesteld dat de Papenveer op ruime afstand ligt van eisers woning, is de rechtbank op voorhand niet gebleken dat de afstand dusdanig groot is dat dit aspect niet bij de planvergelijking hoefde te worden betrokken.

13. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het advies zodanige gebreken bevat dat verweerder zich bij de besluitvorming niet op het advies kon baseren.

14. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsbeginsel te worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

15. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding, nu niet is gebleken dat eiser daarvoor in aanmerking komende kosten heeft gemaakt. Wel dient verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht ten bedrage van € 150,00 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzitter, mr. M. Kraefft en mr. B. Liefting-Voogd, leden, in aanwezigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2011.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.